Zevende week. Woensdag
57. EENHEID EN VERSCHEIDENHEID IN HET APOSTOLAAT
-Het apostolaat in de Kerk is heel gevarieerd
en veelvormig. -De leer van geloof verbreiden onder allen. -Eenheid en
pluriformiteit binnen de Kerk. Trouw aan de ontvangen roeping.
57.1 De leerlingen zagen een keer iemand die duivels uitdreef in de naam
van de Heer. Zij wisten niet of het iemand was die daarvoor Jezus gekend had,
of misschien iemand die door Hem genezen was en op eigen houtje een nieuwe
volgeling van Jezus geworden was. De heilige Marcus1 heeft ons de
reactie van de apostel Johannes overgeleverd die naar Jezus ging en Hem zei: Meester, we hebben iemand die ons niet volgt, in
uw naam duivels zien uitdrijven, en we hebben getracht het hem te beletten,
omdat hij geen volgeling van ons was.
De Heer maakt van deze gelegenheid gebruik om
een waardevolle les voor alle tijden te geven en zei: Belet het hem niet, want iemand die een wonder
doet in mijn Naam, zal niet zo grif ongunstig over Mij spreken. Wie niet tegen
ons is, is voor ons. Deze duiveluitdrijver toonde een diep en werkzaam geloof in Jezus. Dat
sprak uit zijn daden. Jezus accepteerde hem als een van zijn volgelingen en
keurde de rigide en exclusieve mentaliteit met betrekking tot het apostolaat
af. Hij leerde ons, dat het apostolaat heel gevarieerd en veelvormig is.
«Er bestaan -verklaart het Tweede Vaticaans
Concilie- veel vormen van apostolaat, waardoor de leken kunnen werken aan de
opbouw van de Kerk en de wereld kunnen heiligen en haar van de geest van
Christus kunnen doordringen.»2 Enige voorwaarde is: zijn met Christus; met zijn Kerk; zijn leer
onderrichten; Hem liefhebben met daden. De christengeest moet ons ertoe brengen
een open houding na te streven tegenover verschillende vormen van apostolaat,
tot het doen van moeite om deze te begrijpen, ook al verschillen zij nog zoveel
van onze manier van zijn of denken, tot een oprechte blijdschap over het
bestaan ervan, onder andere omdat de oogst groot is, en er maar weinig
arbeiders zijn.3 «Verheug je als je ziet, dat anderen werkzaam zijn in prachtige werken
van apostolaat. -En vraag God voor hen overvloedige genaden, en dat zij aan
deze genaden beantwoorden.
»Vervolg dan je eigen weg, overtuigd dat er
voor jou geen andere is.»4 Het is immers voor een christen niet mogelijk te leven vanuit het
geloof en tegelijkertijd vanuit een mentaliteit alsof hij de waarheid in pacht
heeft, in die zin, dat mensen die niet volgens bepaalde methoden, of procedures, of op bepaalde terreinen van
apostolaat werkzaam zijn, niet vanuit het geloof werken. Niemand die met
een juiste instelling werkt, loopt op het
terrein van de Heer in de weg. Wij zijn allemaal nodig. Het is heel belangrijk
een goed begrip te hebben van de eenheid van de Kerk. Christus heeft deze op
verschillende wijzen verkondigd. Eenheid «in het geloof en de moraal, in de
sacramenten, in de gehoorzaamheid aan de hiërarchie, in de gemeenschappelijke
heiligingsmiddelen, en in de grote regels van orde en tucht volgens het bekende
gezegde van Augustinus: in necessariis
unitas, in dubiis libertas, in omnibus caritas,
eenheid waar vereist, vrijheid in kwesties waarover geen vaste mening bestaat,
liefde in alles.»5 En deze noodzakelijke eenheid zal
nooit een eenvormigheid zijn die een verarming voor de zielen en het apostolaat
zou zijn: «in de tuin van de Kerk was, is, en zal zijn een bewonderenswaardige
veelheid aan lieflijke bloemen, onderscheiden naar geur, naar grootte,
naar vorm en naar kleur».6 Die rijke verscheidenheid brengt grotere eer aan God.
Als wij druk bezig zijn met een apostolisch
werk, moeten wij een verleiding die op de loer ligt, omzeilen: zijn tijd
verdoen met het evalueren van de apostolische activiteiten van anderen. Wij
moeten eerder ons eigen hart peilen dan afhankelijk te zijn van het optreden
van anderen en zien of wij alle moeite doen, of wij de talenten rendabel maken
die wij van God gekregen hebben ten gunste van de zielen: «Het wonder van
Pinksteren is dat alle wegen een goddelijke wijding hebben ontvangen: het mag
nooit worden uitgelegd als het monopolie of de exclusieve waardering van één
enkele weg ten nadele van de andere.
»Pinksteren is een onbegrensde variatie in
talen, methoden, manieren om God te ontmoeten: geen opgelegde eenvormigheid.»7 Vandaar onze
vreugde en blijdschap bij het zien dat velen ijverig werken om het koninkrijk
van God bekend te maken door verschillende vormen van apostolaat.
57.2 De Leer van Jezus Christus moet alle volken bereiken, maar op veel
plaatsen die ooit christelijk waren, moet het evangelie opnieuw gebracht
worden. De zending van de Kerk is universeel en richt zich tot personen met
geheel verschillende achtergronden, van verschillende culturen en leefwijzen,
van heel uiteenlopende leeftijden... Vanaf het begin van de Kerk is het geloof
doorgedrongen tot jong en oud, tot machtigen en slaven, tot geletterden en
ongeletterden... De apostelen en hun opvolgers behielden een sterke eenheid waar
het vereist was maar spanden zich niet in om een overbodige eenvormigheid op te
leggen. Er waren heel verschillende wijzen van evangeliseren: Sommige mensen
vervulden een zeer belangrijke zending middels hun geschriften ter verdediging
van het christendom en haar bestaansrecht, anderen preekten op de marktpleinen.
De meerderheid verrichtte een verborgen apostolaat in hun eigen familie, met de
buren, hun ambtgenoten of kennissen. Wat alle gedoopten gemeen hadden, was de
broederliefde, de eenheid in de leer die zij hadden ontvangen, de sacramenten
en de gehoorzaamheid aan de wettig aangestelde herders...
Wij kunnen in allen de leer van Christus
uitzaaien en dan met uiterste voorzichtigheid de distels verwijderen die het
zaad onvruchtbaar zouden maken. In de apostolische arbeid die de Heer ons
aanbevolen heeft sluiten wij, gedoopten, «niemand uit, wij houden geen enkele
ziel buiten onze liefde tot Jezus Christus. Daarom -zo luidde de raad van de heilige Jozefmaria
Escrivá- moeten jullie een sterke, trouwe en oprechte vriendschap koesteren,
dat wil zeggen een christelijke vriendschap, met alle mensen van je werk.
Sterker nog, met alle mensen, welke hun persoonlijke omstandigheden ook maar
zijn.»8 De gelovige is, uit roeping, een mens die open staat voor de anderen, met de eigenschap begrip te hebben voor
mensen die door hun cultuur, leeftijd of karakter heel anders zijn.
Door de omgang met Jezus in het gebed hebben
wij een groot hart, waarin mensen van zeer nabij en van veraf passen, zonder
een starre mentaliteit die niets met Christus van doen heeft. Laten wij in het
gebed nagaan of wij deze verscheidenheid waarmee wij elke dag geconfronteerd
worden, eerbiedigen en liefhebben, of wij dat, wat qua smaak, leef- en
denkstijl werkelijk anders is dan wij, zien als de rijkdom van de Kerk.
57.3 De Kerk lijkt op een mensenlichaam dat is samengesteld uit heel
verschillende, maar tegelijk goed verenigde leden.9 De
verscheidenheid is, zonder iets af te doen aan de eenheid, de belangrijkste
voorwaarde ervoor.
Wij moeten de Heer de genade vragen om die
realiteit te begrijpen en, bij onze taak om het Mystiek Lichaam van Christus op
te bouwen, moeten wij ernaar handelen, zonder ooit de eenheid in waarheid en
liefde te verliezen. Laten wij tegelijkertijd vragen begrip te hebben voor de
verscheidenheid binnen de Kerk -variëteit in spiritualiteit, theologische
benadering, pastorale initiatieven...- omdat die verscheidenheid «een werkelijke
rijkdom is en een werkelijke volheid in zich draagt; deze is echt katholiek»10
en heeft niets te maken met een vals pluralisme, in de betekenis van «een
nevenschikking van volstrekt tegengestelde stellingen.»11
In waarheid en liefde treedt de Heilige Geest
handelend op door de verscheidenheid van de wegen tot heiliging te bevorderen.
Sommigen ontvangen een heel bepaald charisma, een specifieke roeping. Zij
leveren hun bijdrage aan de opbouw van de Kerk met hun trouw aan die bijzondere
oproep, door de weg te volgen die de Heer hun heeft aangegeven. Daar verwacht
Hij hen en nergens anders.
De eenheid die de Heer verlangt -ut omnes unum sint,12 opdat allen een
zijn- legt geen beperkingen op, maar is eerder een stimulans voor de bijzondere
persoonlijkheid van iedereen, voor de verscheidenheid van spiritualiteiten en
theologische scholen... «Je stond verbaasd, toen je zag dat ik geen bezwaar had
tegen het ontbreken van 'eenvormigheid' in het apostolaat, waarin je werkzaam
bent. Ik zei je:
»Eenheid en verscheidenheid. - Jullie moeten zo
verschillend zijn als de heiligen in de hemel, die allen hun eigen, zeer
persoonlijke trekken hebben. - En tegelijkertijd moeten jullie evenzeer op
elkaar gelijken als de heiligen, die niet heilig zouden zijn als zij zich niet
helemaal gelijkvormig hadden gemaakt aan Christus.»13
De leer van de Heer zet ons niet alleen aan tot
respect voor de legitieme verscheidenheid van karakters, smaken, aanpak van
vrije kwesties, maar ook tot een aktief koesteren van die verscheidenheid. In
alles wat zich niet verzet tegen de leer van de Heer en -daarnaast- de
ontvangen roeping of een van beide iets in de weg legt, dient er een volledige
vrijheid te bestaan in genegenheden, werk, persoonlijke opvattingen over
maatschappij, wetenschap of politiek. Zo moeten wij, gelovigen van deze tijd en
van alle tijden verenigd zijn met Christus, in zijn liefde, in zijn leer, ieder
trouw aan de gekregen roeping. Wij kunnen onderscheiden en verschillend zijn in
al het andere, ieder met zijn eigen persoonlijkheid, zijn eigen pogingen zout
en licht te zijn, gloeiende kolen, echte leerlingen van Christus.
-1. Mc 9,38-39. -2. Vaticanum ii, Decr. Apostolicam actuositatem, 16. -3. Vgl. Mt 9,37. -4. H. Jozefmaria
Escrivá, De Weg, 965. -5. Johannes
Paulus ii, Toespraak tot de Spaanse Bisschoppen, 31 oktober 1982. -6. H. Jozefmaria Escrivá, Brief, 9 januari 1935.
-7. Idem, De Voor, 226. -8. Idem, Brief, 9 januari 1951.
-9. Vgl. 1 Kor 12,13-27. -10. Buitengewone
bisschoppensynode 1985, Slotdocument, II,C,2. -11. Ibidem, II,C,2. -12. Joh 17,22.
-13. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 947.
|