Vierde week. Woensdag
29.
EENHEID VAN LEVEN
-Christenen, licht der wereld, zout der aarde. -Gevolgen in
de wereld van de erfzonde. De Verlossing. Alle aardse werkelijkheden
terugvoeren tot Christus. -Het leven van vroomheid en werken. Heiligheid
middenin de wereld.
29.1 God heeft zijn
Zoon niet naar de wereld gezonden om de wereld te oordelen, maar opdat de
wereld door Hem gered zou worden.1 Hij kwam naar de wereld opdat de mensen licht
zouden hebben en niet langer in duisternis weerstand zouden bieden.2 Met dit licht in
hun bezit zouden zij van de wereld een plaats kunnen maken waar alles zal dienen
om God eer te brengen en de mens te helpen zijn laatste bestemming te bereiken.
En het licht scheen in de duisternis, maar de duisternis nam het niet aan.3 Dat zijn woorden
voor deze tijd, want een groot deel van de wereld die in de grootste duisternis
verkeert, zal buiten Christus geen vrede, geluk of redding vinden. Buiten
Christus bestaat alleen duisternis en zonde. Wie Christus afwijst heeft geen
licht ter beschikking en weet niet waarheen de weg leidt. In het intiemste van
zijn wezen is hij de koers kwijt.
Eeuwenlang hebben mensen hun
leven (werk, studie, zaken, investeringen, genegenheden... ) gescheiden van het
geloof. Als gevolg van deze scheiding werden de tijdelijke werkelijkheden
verkeerd ingeschat, alsof ze thuishoorden in de marge van het licht van de
Openbaring. Bij gebrek aan dat licht zijn velen ertoe overgegaan de wereld te
beschouwen als doel op zichzelf, zonder enig verband met God. Op die manier
hebben ze alles verdraaid, met inbegrip van de meest elementaire en
fundamentele waarheden. Met name in de westerse wereld is het nodig deze
scheiding ongedaan te maken, «want er zijn vele generaties die in deze tijden
verloren dreigen te gaan voor Christus en de Kerk. Ook dreigt juist vanuit deze
streken het onkruid van een nieuw heidendom zich over de hele wereld uit te
zaaien. Dit hedendaags heidendom wordt gekenmerkt door de zucht naar materieel
welzijn ten koste van alles en door het daarmee samenhangende vergeten van
-beter zou zijn te spreken van vrees, werkelijke angst voor- alles wat lijden
zou kunnen veroorzaken. Woorden als God, zonde, kruis, versterving, eeuwig
leven... worden in dat perspectief onbegrijpelijk voor een groot aantal mensen
die geen weet hebben van de inhoud en betekenis ervan. Je hebt het
onbegrijpelijke feit waargenomen dat velen misschien beginnen God in sommige
onderdelen van hun persoonlijk-, gezins- en beroepsleven tussen haakjes te
plaatsen en Hem vervolgens, als God eisen stelt, liefheeft, vraagt, als een
'Fremdkörper' uit hun burgerlijke wetgeving en het openbare leven schrappen.
Zij reduceren het schepsel -het is geen overdrijving; men kan het overal zien-
tot maag, seksualiteit, geld; en stellen dit voor Hem in de plaats.»4
De wereld bevindt zich in duisternis als de christenen, bij
gebrek aan 'eenheid van leven', de concrete werkelijkheden van het leven niet
verlichten en zin geven. Wij weten dat de houding tegenover de wereld van de
echte leerlingen van Christus, in het bijzonder van hen die niet in een
klooster leven, er niet een is van afzondering, maar een houding van middenin
de wereld aanwezig te zijn, als gist in het deeg, om haar van aanschijn te
veranderen. De christen die in eenheid met zijn geloof leeft, is het zout dat
smaak geeft en tegen bederf beschermt. Daartoe rekent hij vooral op zijn
getuigenis te midden van de gewone werkzaamheden, door die op voorbeeldige
wijze uit te voeren.
«Als wij christenen echt
volgens ons geloof zouden leven, zou dat de grootste revolutie aller
tijden veroorzaken... De effectiviteit van de medeverlossing hangt ook af van ieder
van ons. -Denk erover na.»5 Is er eenheid van leven op alle gebieden van mijn bestaan:
werk, ontspanning, gebed...?
29.2 Alle schepsels
zijn de mens ten dienste gesteld, in de door de Schepper gevestigde orde. Adam
heeft, met zijn hoogmoed, de zonde op de wereld gebracht en daarmee de harmonie
van de hele schepping en van de mens zelf verstoord. Bovendien werd zijn
verstand verduisterd met daarbij de mogelijkheid tot zonde te vervallen; de wil
werd verzwakt; de vrijheid het goede met
promptheid lief te hebben werd verziekt. De mens werd tot in de bodem
gekwetst; het werd voor hem moeilijk zijn
echte welzijn te kennen en na te streven. «De breuk in het Verbond met
God heeft als gevolg, enerzijds een innerlijke desintegratie en anderzijds het
onvermogen met anderen een eenheid te vormen.»6
De wanorde die door de zonde is teweeggebracht gaat veel
verder dan de mens alleen, zij raakt ook de natuur. De wereld is goed, want zij
is door God gemaakt om ertoe bij te dragen dat de mens zijn eindbestemming zou
bereiken. Maar sinds de erfzonde kunnen stoffelijke zaken, talenten, techniek,
wetten... hun juiste ordening verliezen en een kwaad worden voor de mens door
zijn eindbestemming in duister te hullen en hem te scheiden van God in plaats
van hem dichter bij Hem te brengen. Zo is er veel onevenwichtigheid, onrecht,
onderdrukking ter wereld gekomen die hun oorsprong vinden in de zonde. «De
zonde van de mens, dat wil zeggen zijn breken met God, is de grondoorzaak van
de tragedies die de geschiedenis van de vrijheid kenmerken. Om dit te begrijpen
moeten velen van onze tijdgenoten allereerst opnieuw de betekenis van de zonde
ontdekken.»7
God heeft in zijn oneindige
barmhartigheid medelijden gehad met de staat waartoe de mens vervallen was en
Jezus Christus heeft ons verlost. Hij heeft ons teruggevoerd in zijn
vriendschap en, wat meer is, ons verzoend met Hem op zover gaande wijze dat wij
kinderen van God genoemd worden en dat we het ook zijn.8 Hij heeft ons bestemd voor het eeuwig leven, om
voor altijd bij Hem in de hemel te verblijven.
Het is aan ons, christenen, te zorgen dat alle aardse
werkelijkheden omgezet worden in een middel tot het bereiken van dit heil, in
de eerste plaats door van ons werk gebed te maken. Alleen op die wijze immers
kunnen we de mens werkelijk dienen. «We moeten alle maatschappelijke lagen
doordrenken met een christelijke geest. Blijf niet stilstaan bij enkel het
verlangen daartoe. Iedere vrouw en iedere man moet daar waar zij of hij werkt,
haar -zijn- taak een goddelijke inhoud geven. Men moet zich -met gebed,
versterving en het goed verrichten van de beroepsbezigheden- bekommeren om zijn
eigen vorming en die van anderen naar de Waarheid van Christus, opdat wij de
Heer verkondigen met al ons aardse doen en laten.»9 Heb ik al het mogelijke gedaan om dat in
praktijk te brengen? Geef ik me er rekenschap van wat er elke keer nodig is om
een diepere eenheid van leven te hebben?
29.3 De opdracht die de
Heer aan ons heeft toevertrouwd, is de maatschappij te verchristelijken. Alleen
dan zullen structuren, instellingen, wetten, vrije tijd een christelijke geest
ademen en de mens werkelijk ten dienste staan. «Echte leerlingen van Jezus
Christus zijn op elk moment en in alle omstandigheden van het leven zaaiers van
broederschap. Als een man of een vrouw de christelijke geest intens beleeft,
zijn al zijn activiteiten en contacten een weerspiegeling en een doorgeefluik
van de liefde van God en de goederen van het Koninkrijk. Het is een vereiste
dat christenen aan hun dagelijkse omgang in het gezin, met vrienden en buren,
op het werk en bij vrijetijdsbesteding het zegel weten te hechten van de
christelijke liefde, ofwel oprechtheid, waarachtigheid, trouw, zachtmoedigheid,
edelmoedigheid en blijdschap.»10
Persoonlijke vroomheidsoefeningen kunnen niet losgemaakt worden
van ons verdere doen en laten, ook al moeten het ogenblikken zijn waarin onze
altijddurende verhouding met God intenser en dieper gemaakt wordt, in die zin
dat de aard van ons dagelijks werk er verhevener door kan worden. Het is
duidelijk, dat het streven naar heiligheid te midden van de wereld niet
eenvoudigweg bestaat in het verrichten of vermeerderen van devoties en
vroomheidsoefeningen, maar in een echte eenheid met de Heer die door die
oefeningen bevorderd wordt en waarop ze gericht zijn. Als er een echte eenheid
met de Heer is, doordrenkt deze heel het handelen van die persoon.
«Deze oefeningen voeren u, zonder dat u zich dat realiseert,
naar het beschouwend gebed. Er zullen in uw ziel meer akten van liefde,
schietgebeden, dankgebeden, oefeningen van eerherstel en geestelijke communies
opbloeien. Allemaal bij het vervullen van uw plichten: het opnemen van de
telefoon, het nemen van de auto of de trein, het open- of dichtdoen van een
deur, het passeren van een kerk, het beginnen aan een nieuwe taak, het
uitvoeren en afmaken ervan...»11
Laten we zorgen zo te leven met Christus en in Christus,
allemaal en elk moment van ons bestaan: in het werk, in het gezin, op straat,
met vrienden... Dat is eenheid van leven. Dan zal de persoonlijke vroomheid zich
richten op het handelen en daaraan een nieuwe drijfveer en inhoud geven, en
uiteindelijk ons doen en laten veranderen in nog weer een daad van liefde
jegens God. En, op hun beurt zullen het werk en de taken van elke dag de omgang
met God vergemakkelijken en het exercitieterrein zijn van alle deugden. Als we
zorg dragen ons werk goed te doen en aan onze bezigheden een bovennatuurlijke
dimensie te geven van de liefde tot God, zullen onze werkzaamheden dienstbaar
zijn voor het heil van de mensen. Dan zullen we de wereld menselijker maken.
Het is immers niet mogelijk een mens te respecteren -laat staan lief te hebben-
als deze God negeert of bestrijdt. De mens is alleen maar mens in zoverre hij
een beeld van God is. Aan de andere kant: «De aanwezigheid van duivels is
toegenomen in dezelfde mate als waarin mens en maatschappij verder van God
verwijderd zijn.»12 In
die taak de aardse werkelijkheden te heiligen, staan de christenen niet alleen.
Het vestigen van de door God gewilde orde en het naar haar voleinding voeren
van de gehele aarde is op de eerste plaats een vrucht van het optreden van de
Heilige Geest, de echte Heer van de geschiedenis: «Non est abbreviata manus
Domini (Jes 59, 1). Neen, de hand Gods
is niet korter geworden. God heeft nu niet minder macht dan in vroegere tijden,
Hij bemint de mensen niet minder dan toen. Ons geloof leert ons, dat de hele
schepping, de beweging van de aarde en de andere hemellichamen, het goede
streven van de mens en al wat positief is in de vooruitgang van de
geschiedenis, dat dit alles van God komt en in Hem zijn laatste bestemming
heeft.»13
Vragen we de Heilige Geest de zielen van veel mensen, mannen
en vrouwen, gezonden en zieken... weer een duwtje te geven, opdat ze zout en
licht zullen worden voor de werkelijkheden van deze aarde.
-1. Communio, Joh 3,17. -2. Vgl. Joh
8,12. -3. Joh 1,5. -4. A. del
Portillo, Pastorale brief, 25 december 1985, 4. -5. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor,
945. -6. Johannes Paulus ii,
Algemene audiëntie, 6 augustus 1983. -7. Congregatie voor de geloofsleer, Instructie Libertatis
conscientiæ, (Rome 22 maart 1986) 37. -8. Vgl. 1 Joh 3,1. -9. A. del Portillo, Pastorale brief,
25 december 1985, 10. -10. Spaanse
bisschoppenconferentie, Herderlijk schrijven Los católicos en la vida
pública, 22 april 1986, 111. -11. H.
Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 149. -12. Johannes Paulus ii, Algemene
audiëntie van 20 augustus 1986. -13. H.
Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 130.
|