30 juni. Gedachtenis
59. EERSTE MARTELAREN VAN DE ROMEINSE KERK
Na Jeruzalem en Antiochië was Rome het
belangrijkste centrum van de eerste christentijd. Vele christenen kwamen voort
uit de joodse kolonie die in Rome bestond;
de meesten kwamen echter uit het heidendom voort.
Vandaag worden de christenen herdacht die
de eerste kerkvervolging, onder keizer Nero, meemaakten, na de brand van Rome
in het jaar 64.
-Voorbeeldig te midden van de wereld. -Houding
tegenover tegenwerking. -Apostolaat in alle omstandigheden.
59.1 Het christelijk geloof bereikte al spoedig Rome, het middelpunt van de toenmalige beschaafde wereld;
wellicht waren de eerste christenen in de hoofdstad van het Romeinse Rijk bekeerde Joden, die het geloof
hadden leren kennen in Jeruzalem zelf of in andere steden van Klein-Azië
waar de heilige Paulus het evangelie had verkondigd. Het geloof werd van vriend
tot vriend doorgegeven, onder collega's van hetzelfde beroep, onder verwanten...
De komst van de heilige Petrus, rond het
jaar 43, betekende de definitieve versterking van de kleine gemeente
van Rome. Via Rome verbreidde de godsdienst zich naar vele plaatsen in het
Rijk. De interne vrede die er toen heerste, de verbetering van de verbindingen
die het reizen vergemakkelijkte, en de
snelle overdracht van ideeën en berichten begunstigden de verbreiding
van het christendom. De Romeinse wegen die vanuit de hoofdstad de verste uithoeken
van het Romeinse Rijk bereikten, en de handelsschepen die regelmatig de wateren
van de Middellandse Zee doorkruisten, vormden de verspreidingsmiddelen van de
nieuwigheid, die het christendom was, over heel de uitgestrekte Romeinse
wereld.1
Het is moeilijk het proces te beschrijven van
ieder afzonderlijk die zich tot het christendom bekeerde in het Rome van de
eerste eeuw; dat is trouwens ook nu nog zo, want iedere bekering is steeds een
wonder van de genade en het persoonlijke antwoord daarop. Van doorslaggevende invloed was ongetwijfeld de
christelijke voorbeeldigheid -de bonus odor Christi 2-
die zich weerspiegelde in de manier van werken, in de vreugde, de liefde en het
begrip voor allen, in een strenge levenswijze en in menselijke genegenheid... Het zijn mannen en vrouwen die te
midden van hun dagelijkse bezigheden hun geloof ten volle trachten te beleven. Ze omvatten alle lagen van
de maatschappij: «jong was Daniël; Jozef, een slaaf;
Aquila oefende een handwerkvak uit; de
purperverkoopster stond aan de overkant van een werkplaats; een ander
was gevangenisbewaker; een ander hoofdman,
zoals Cornelius; weer een ander was ziek, zoals Timoteüs; nog een ander
was een voortvluchtige slaaf, zoals
Onesimus; en toch vormde niets van dit alles voor iemand van hen een
belemmering, allen schitterden door deugdzaamheid: mannen en vrouwen, jong en oud, slaven en vrije mensen, soldaten en
burgers.»3
Van de liefde en de gastvrijheid van de
christenen in Rome treffen we een kostbaar
getuigenis aan in de Handelingen van de Apostelen, namelijk in de
beschrijving van de ontvangst die men Paulus
bereidde, toen deze als gevangene in Rome aankwam. Ook vandaar -vertelt de heilige Lucas- kwamen de broeders, die al van ons
gehoord hadden, ons tegemoet tot aan Forum Appii en Tres Tabernae. Toen Paulus
hen zag, dankte hij God en schepte nieuwe moed.4 Paulus voelde zich bemoedigd door deze blijken van
broederlijke liefde.
De eerste christenen gaven hun beroepsmatige of
maatschappelijke bezigheden niet op
(sommigen zullen dat wel doen, vanwege een concrete roeping van God,
iets meer dan twee eeuwen later) en zij beschouwden zich als een wezenlijk bestanddeel van die wereld, waarvan
zij zich zout en licht
voelden, door hun leefwijze en woorden: «wat de ziel is voor het lichaam, dat
zijn de christenen in de wereld»5, vatte een
schrijver uit de eerste tijden samen.
Wij kunnen vandaag
nagaan of ook wij, zoals die eerste christenen,
voorbeeldig zijn, zozeer dat wij daadwerkelijk anderen ertoe bewegen dichter
tot Christus te naderen: in soberheid, in onze uitgaven, in de vreugde, in goed
afgeleverd werk, in de trouwe vervulling van het gegeven woord, in de wijze waarop wij rechtvaardigheid
betrachten ten aanzien van de onderneming, de ondergeschikten en
collega's, in de beoefening van de werken van barmhartigheid, door nooit kwaad
van iemand te spreken...
59.2 De eerste christenen kwamen soms ernstige hindernissen en onbegrip
tegen; niet zelden voerden deze hen tot de dood, omwille van het feit dat zij
hun geloof in de Meester verdedigden. Vandaag vieren wij het getuigenis van de
eerste martelaren van Rome, onmiddellijk na de brand van Rome in het jaar 64.6 Deze ramp ontketende de eerste grote vervolging. Bij
de heilige Petrus en Paulus, wier feest we
gisteren hebben gevierd, «sloot zich een grote menigte van uitverkorenen
aan die door het ondergaan van vele folteringen en martelingen uit afgunst, het
beste voorbeeld onder ons vormden»7, zo lezen we
in een levendig getuigenis van de eerste christelijke geschriften.
De hindernissen en het onbegrip waarop degenen
die zich tot het geloof bekeerden stuitten, voerden hen niet altijd tot het
martelaarschap, maar wel ervoeren zij heel vaak in hun leven de woorden van de
Heilige Geest, zoals die in de Schrift staan opgetekend: Allen die in Christus Jezus godvruchtig willen leven, zullen
vervolgd worden.8 Soms kwam deze
vijandige houding van de heidenen tegenover de volgelingen van Jezus voort uit
het feit, dat zij de jeugdige vurigheid en
glans van het christelijk leven niet konden verdragen. In andere gevallen
hadden degenen die het geloof hadden ontvangen de plicht zich afzijdig te
houden van de traditionele godsdienstige uitingen, die nauw verbonden waren met
het openbare leven en bovendien beschouwd werden als uitingen van burgerlijke
trouw aan Rome en aan de keizer. Dientengevolge stelden de heidenen die tot het
christendom overgingen zich bloot aan het gevaar onbegrip en laster te verduren
te krijgen, «omdat zij anders dan de anderen waren.»
Heel waarschijnlijk zal de Heer niet van ons
vragen, dat wij ons bloed vergieten, omdat
we het christelijk geloof belijden; maar als God dit zou toestaan, dan
moeten wij Hem om zijn genade bidden om ons leven te geven als getuigenis van
onze liefde tot Hem. We zullen echter wel, in de een of andere vorm,
tegenspraak ontmoeten op zeer verschillende
manieren, want «het samenzijn met Jezus wil zeker zeggen, dat we zijn kruis tegenkomen. Als wij ons in Gods hand
stellen, laat Hij ons regelmatig zorgen, eenzaamheid, tegenstand, laster, smaad en hoongelach ondergaan,
zowel innerlijk als uiterlijk. Dat is omdat Hij ons wil vormen naar zijn beeld
en gelijkenis. Hij laat zelfs toe, dat we dwazen genoemd worden en voor gek
worden aangezien [...]. Zo beitelt Jezus de zielen van de zijnen zonder na te
laten hun innerlijk rust en vreugde te verschaffen.»9
Beschimpingen, misschien het moeten
vaststellen, dat er in het beroepsleven deuren voor ons gesloten worden,
vrienden of collega's die ons de rug toekeren, woorden van smaad of spot..., als
de Heer het toelaat dat die tot ons komen, dan moeten we ze benutten om nog
heldhaftiger de liefde te beoefenen juist jegens hen die ons niet achten,
misschien wel uit onwetendheid. Een houding die steeds verenigbaar is met een
gerechtvaardigde verdediging, wanneer dat nodig is, vooral wanneer men ergernis
of schade aan derden dient te voorkomen. Deze situaties zullen ons ten zeerste
helpen de eigen zonden en gebreken te zuiveren en genoegdoening te brengen
voor die van anderen en om tenslotte te groeien in deugdzaamheid en liefde voor
de Heer. God wil ons soms reinigen, zoals goud gereinigd wordt in de smeltkroes.
«Het vuur reinigt het goud van zijn slakken en maakt het daardoor authentieker
en kostbaarder. Hetzelfde doet God met de goede dienstknecht die de wacht houdt
en standvastig blijft te midden van tegenspoed.»10
Als wij van doen krijgen met tegenwerking en
belemmeringen omdat wij Jezus van nabij volgen, dan moeten wij bijzonder
verheugd zijn en dank brengen aan de Heer, die ons waardig keurt een beetje te
lijden omwille van Hem, zoals de apostelen gedaan hebben. Zij verlieten het Sanhedrin, verheugd dat zij waardig
bevonden waren smaad te lijden omwille van Jezus' Naam.11 De apostelen zullen
zich ongetwijfeld de woorden van de Meester herinnerd hebben, zoals wij
die overwegen op dit feest van de heilige martelaren van Rome van de eerste
generatie: Zalig zijt gij, wanneer
men u beschimpt, vervolgt en lasterlijk van allerlei kwaad beticht om
Mijnentwil: Verheugt u en juicht, want groot is uw loon in de hemel. Zo immers
hebben ze de profeten vervolgd die vóór u geleefd hebben.12
59.3 Ondanks de grove beschimpingen, de schanddaden, de openlijke
vervolgingen, hebben onze eerste broeders in het geloof een doeltreffende
bekeringsijver aan de dag gelegd, door Christus bekend te maken, de schat die
zij hadden mogen vinden. Méér nog, hun kalme en blijmoedige houding tegenover
de tegenwerking en zelfs tegenover de dood was er de oorzaak van, dat velen de
Meester ontmoetten.
Het bloed van de martelaren was het zaad van
christenen.13 Dezelfde gemeente te Rome ging
versterkt verder nadat zoveel mannen, vrouwen en kinderen hun leven hadden
gegeven tijdens die hevige vervolging. Jaren later schreef Tertullianus: «Wij
zijn pas kort hier en we zitten al op heel
de aardbol en in al jullie zaken: de steden, eilanden, de gemeenten,
stadjes, dorpen, het leger, het paleis, de senaat, de rechtbank. Aan jullie
hebben we alleen de tempels overgelaten...»14
Als wij in onze eigen omgeving, in de huidige omstandigheden een of andere, misschien kleine
tegenslag te verwerken krijgen, omdat we sterk in het geloof blijven,
dan dienen we te begrijpen, dat dit voor allen een grote weldaad zal zijn.
Juist dan moeten we kalm en blijmoedig spreken over het wonder van het geloof,
over de onmetelijke gave van de sacramenten, over de schoonheid en de vruchten
van de heilige, goed beleefde zuiverheid. We moeten inzien dat we «de winnende
zijde» hebben gekozen in deze strijd van het leven, en ook van dat andere
leven dat ons een eindje verderop wacht. Christus nabij zijn: daarmee is niets
te vergelijken. Al zouden we niets bezitten
en de pijnlijkste ziekten of de meest onbeschaamde lasteringen moeten
verdragen, wanneer wij Jezus hebben, bezitten we alles! En dat moet men kunnen
merken tot in ons uiterlijk gedrag, in het besef en bewustzijn dat wij op elk
ogenblik, ook in die omstandigheden, het zout der aarde en het licht van de wereld zijn, zoals de Meester ons
gezegd heeft.
Verwijzend naar de wijsgeren van zijn tijd
beweerde de heilige Justinus terecht dat «alles wat zij allen aan goeds hebben
gezegd, behoort ook ons, christenen, toe, want wij aanbidden en beminnen na God
het Woord, dat voorkomt uit dezelfde ongeboren en onuitsprekelijke God; want
Hij werd mens, uit liefde voor ons, om ons lijden te delen en ons te genezen.»15
Met de liturgie van de heilige mis bidden wij
vandaag: God, Gij hebt de kerk van
Rome vanaf haar eerste dagen geheiligd door het bloed van ontelbare martelaren.
Wij bidden U dat wij in hun moedige strijd de kracht vinden om stand te houden
en ons steeds verheugen in de overwinning door het geloof 16, in deze, onze wereld die wij tot U moeten leiden.
-1. Vgl. J. Orlandis, Historia de
la Iglesia, vol. I, bl. 11 vv.
-2. 2 Kor 2,15. -3. H. Johannes
Chrysostomus, Homiliae in Matthaeum, 43,5. -4. Hnd 28,15. -5. Brief aan Diognetes, 6,1. -6. Vgl. Tacitus,
Annales, 15,44. -7. H. Clemens van Rome, Epistula ad Corinthios, 5. -8. 2 Tim 3,12. -9. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden
van God, 301. -10. H. Hiëronymus
Emilianus, Brief,
21-VI-1535. -11. Hnd
5,41. -12. Mt 5,11-12.
-13. Vgl. Tertullianus, Apologeticus, 50.
-14. Ibidem, 37. -15. H. Justinus, Apologia II, 13. -16. Altaarmissaal, Gebed van de mis van de dag.