Vierendertigste week. Vrijdag
51. Eeuwig woord
-Lezen van het evangelie. -God spreekt tot ons
in de Heilige Schrift. -Om daaruit vruchten te plukken.
51.1 Nu we op het punt staan het liturgisch
jaar af te sluiten, lezen wij in het evangelie van deze heilige Mis de woorden
van de Heer: Hemel en aarde zullen
voorbijgaan, maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan.1 Het zijn eeuwige woorden van Jezus,
die ons de intimiteit van de Vader leren kennen evenals de weg die we moeten
volgen om bij Hem te komen. Zij zijn blijvend, omdat zij door God uitgesproken
worden tot elke man, elke vrouw die op deze wereld komt. Nadat God eertijds vele malen en op velerlei wijzen
tot onze vaderen gesproken had door de profeten, heeft Hij nu, op het einde der
tijden, tot ons gesproken door de Zoon.2 Dat «nu» geldt ook voor onze dagen. Jezus Christus
spreekt nog altijd en zijn woorden zijn nog altijd actueel, omdat het
goddelijke woorden zijn.
Heel de Schrift, voorafgaand aan Christus,
verkrijgt haar juiste betekenis in het licht van de gestalte en de prediking
van de Heer. Met een krachtige uitdrukking schrijft de heilige Augustinus, dat
«de Wet zwanger was van Christus».3 En op een
andere plaats zegt deze kerkvader: «Leest de profetische boeken eens zonder
daarin Christus te zien: er is niets zo zoutloos, niets zo eentonig. Maar
ontdekt daarin Christus, dan wordt alles wat ge leest niet alleen smakelijk,
maar zelfs bedwelmend.»4 Christus ontvouwt de
diepe betekenis die in de vroegere openbaring ligt vervat: Toen maakte Hij hun geest ontvankelijk voor het
begrijpen van de Schriften.5
De joden die het evangelie weigerden te aanvaarden, bleven als het ware achter
met een koffer met een grote schat erin, maar zonder de sleutel om deze te
openen. De heilige Paulus schrijft: Hun
denken raakte verstard. Ja, tot op de huidige dag is diezelfde sluier gebleven,
als zij lezen in de boeken van het Oude Testament. Hij wordt niet weggenomen,
want alleen Christus doet hem verdwijnen6, want «de bedeling van het Oude Testament
was er vooral voor beschikt om de komst van Christus, de Verlosser van allen,
en van het messiaansse rijk voor te bereiden [...]. God, die de ingever en auteur
is van de boeken van beide testamenten, heeft het in zijn wijsheid zo beschikt,
dat het Nieuwe Testament in het Oude Testament verborgen lag en in het Nieuwe
Testament het Oude Testament werd ontsloten.»7
In deze zin is het gesprek tussen de apostel Filippus en de Ethiopiër
ontroerend, een hoveling van Kándake, die de profeet Jesaja las. Begrijpt ge wat ge leest?, vroeg Filippus hem. Hoe zou
ik dat kunnen, als niemand mij daarin behulpzaam is? Toen, uitgaande van deze
tekst, verkondigde hij hem Jezus.8 Jezus was het kernpunt om het te kunnen
begrijpen.
De heilige Johannes Chrysostomus legt deze
passage uit de Handelingen der Apostelen als
volgt uit: «Overweeg hoe voornaam het is de lezing van de Schrift niet
te verwaarlozen, zelfs niet als u op reis bent [...]. Laten zij daaraan denken,
die zelfs thuis de Schriften niet lezen en die, omdat zij bij hun vrouw moeten
zijn of dienst doen in het leger of zorgen hebben over hun bloedverwanten of
druk bezig zijn met andere dingen, menen dat het hun niet past zich de moeite
te geven om de goddelijke Schriften te lezen [...]. Deze Ethiopische vreemdeling
is een voorbeeld voor ons: voor hen die een privé-leven leiden, voor hen die in
het leger dienen, voor de gezagsdragers en ook voor de vrouwen -meer nog voor
hen die altijd thuis zijn- en voor hen die het monastieke leven hebben gekozen.
Laten zij allen leren, dat geen enkele omstandigheid een beletsel vormt voor de
goddelijke lezing, die men niet alleen thuis kan houden maar ook op de pleinen,
tijdens een reis, in gezelschap van velen of wanneer men met iets doende is.
Laten we, zo smeek ik u, de lezing van de Schriften niet verwaarlozen.»9
Van oudsher heeft de Kerk de lezing en
overweging van de Heilige Schrift aanbevolen, met name van het Nieuwe
Testament, waarin wij altijd God ontmoeten die ons tegemoet treedt. Een paar
minuten per dag helpen ons om Jezus Christus beter te leren kennen, Hem meer
lief te hebben want men houdt alleen maar van wat men goed kent.
51.2 Alle Schriften hadden de weg geschetst
die Christus zou afleggen10, alle waren in
zekere zin aankondigers van de Messias. De profeten hadden deze dag beschreven
en ernaar verlangd hem te zien.11 De leerlingen
zullen in Christus degene herkennen, die zo
vaak en op zovele wijzen was voorzegd en aangekondigd.12 Wanneer Paulus zich moet verdedigen tegen de
bedreigingen van koning Agrippa, zal hij eenvoudigweg aanvoeren dat hij niets
anders doet dan de vervulling aankondigen van wat reeds door de profeten was voorzegd.13 Toch
beziet en gehoorzaamt Christus niet de profeten en Mozes. Zíj
onderwierpen zich in hun beschrijvingen, krachtens goddelijke ingeving, aan
hetgeen het bestaan op aarde van Gods Zoon zou zijn. Mozes heeft over Hem geschreven.14 En Abraham,
uw vader, juichte van vreugde bij de gedachte dat hij die dag zou zien; hij
heeft hem gezien en zich verheugd.15
Jezus past de oude voorafbeeldingen op zichzelf
toe: de tempel16, het manna17, de rots18, de
bronzen slang.19 Daarom zal Hij op een keer
zeggen: Gij onderzoekt de Schriften
[...] maar juist dezen getuigen van Mij.20 Wanneer wij vandaag in het evangelie lezen, dat
hemel en aarde voorbij zullen gaan maar dat zijn woorden niet voorbijgaan, dan
wijst Hij er in zekere zin op, dat daarin heel de openbaring van God aan de
mensen vervat ligt: de openbaring voor zijn komst, omdat die van waarde is voor
zover zij naar Hem verwijst die haar vervult en verheldert; en het nieuwe dat
Hij de mensen brengt, door hun helder de weg te duiden die zij moeten volgen.
Jezus Christus is de volheid van Gods openbaring aan de mensen. «Door ons -zoals
Hij gedaan heeft- zijn Zoon te geven die zijn Woord is zoals er geen ander
woord is, heeft Hij alles voor eens en altijd tot ons gesproken in dit ene
Woord en heeft Hij ons verder niets te zeggen.»21
De Brief aan de Hebreeën22 leert, dat het woord van God levend en krachtig is. Het is scherper dan een
tweesnijdend zwaard en dringt door tot het raakpunt van ziel en geest, van
gewrichten en merg. Het ontleedt de bedoelingen en gedachten van de mens.
Het is elke dag nieuw en uitdrukkelijk gericht
tot ieder van ons, als we het met geloof weten te lezen. «Want in de heilige
boeken treedt de Vader die in de hemel is, liefdevol zijn kinderen tegemoet en
spreekt met hen. Zo groot is de macht en kracht van het woord van God, dat het
voor de Kerk het steunpunt en de levenskracht is en voor de kinderen van de Kerk
de kern van hun geloof, de spijs voor hun ziel en de zuivere en bestendige bron
van hun geestelijk leven.»23
Op enigerlei wijze blijven nog altijd het
vertrek en de terugkeer van de verloren zoon actueel, de noodzaak van het
zuurdesem om het deeg van de wereld om te vormen, de melaatsen die genezen
worden door hun ontmoeting met Jezus. Hoe vaak hebben wij Jezus niet gevraagd
om licht voor ons leven met de woorden van Bartimeüs: ut videam, dat ik zien
kan; of hebben wij een beroep gedaan op zijn erbarming met de woorden van de
tollenaar: God, ontferm U over mij,
want ik ben een zondaar! Wat gaan we gesterkt en
getroost heen na zo'n dagelijkse ontmoeting met Jezus in het evangelie!
51.3 Hoe kostelijk uw woorden te proeven, bij het zeggen zoeter dan honing!24
Soms -zo vertelt Ronald Knox25- wanneer enige mensen aan het zingen zijn zonder instrumentale
begeleiding, bestaat in de groep de neiging steeds lager te gaan zingen; de
stem gaat steeds meer naar beneden. Daarom heeft de leider, als het koor niet
gewend is te zingen zonder muzikale begeleiding, gewoonlijk ergens een stemvork
verborgen liggen waarmee hij zo nu en dan een klein teken geeft om allen te
herinneren aan de hogere noot die zij moeten aanslaan.
Wanneer de toon van het christelijk leven
begint te dalen, te verkwijnen, dan is er ook een stemvork nodig die een hogere
toon aangeeft. Hoe dikwijls is de overweging van een passage uit het evangelie,
vooral van het lijden en sterven van de Heer, niet als het ware een krachtige
oproep geweest om uit dat minder heldhaftige leven te vluchten waartoe we
werden gedreven door een overdreven zorg voor de gezondheid, een minder
trillende toon...! We mogen de bladzijden van het heilig evangelie niet omslaan
alsof die zomaar uit een willekeurig boek stammen! Met hoeveel liefde werd het
al die eeuwen lang niet bewaard, toen alleen maar enkele christengemeenten het
voorrecht hadden een afschrift of maar enkele pagina's ervan te bezitten! Hoe
godvruchtig en eerbiedig werd het gelezen! De lezing van het evangelie is -zo
leert de heilige Cyprianus met betrekking tot het gebed- het fundament waarop
we de hoop moeten bouwen, het middel om het geloof te versterken, het voedsel
van de liefde, de gids die de weg wijst...26 De
heilige Augustinus wijst erop dat de lessen die we eruit kunnen trekken, als
«lampen op een donkere plek» zijn27 die altijd
ons leven verlichten. Om vruchten te plukken van de lezing en overweging
«bedenk dan, dat wat daar verteld wordt -werken en woorden van Christus- niet
alleen waard is om te weten maar om na te leven. Alles, elk punt dat verhaald
wordt, is detail voor detail daar bijeengebracht, opdat het levende
werkelijkheid wordt in de concrete omstandigheden van jouw bestaan.
»De Heer heeft ons, katholieken, geroepen Hem
van nabij te volgen, en in deze gewijde tekst ervaar je het Leven van Christus;
maar daarna moet jij je eigen leven ontdekken.
»Jij, ook jij zult, net als de Apostel, leren
vol liefde te vragen: Wat wilt Gij,
dat ik doe? -De Wil van God, hoor je in je ziel op
beslissende wijze.
»Neem dan elke dag het evangelie, lees het en
beleef het als een concrete gedragslijn. -Zo zijn de heiligen te werk gegaan.»28
Dan zullen wij met de psalmist kunnen zeggen: Een lamp voor mijn voet is uw woord, een schijnend
beeld op mijn pad.29
-1. Lc 21,33. -2. Heb 1,1. -3. H. Augustinus, Preek 196, 1. -4. Idem, Commentaar op het
evangelie van Johannes,
9,3. -5.
Lc 24,45. -6. 2 Kor 3,14. -7. Vaticanum ii, Dogm. const. Dei Verbum, 15 e.v. -8. Vgl. Hnd 8,27-35. -9. H. Johannes Chrysostomus, Homilieën over Genesis,
35. -10. Vgl. Lc 22,37. -11. Vgl. Lc 10,24. -12. Vgl. Joh 1,41-45. -13. Vgl. Hnd 26,2. -14. Joh 5,46. -15. Joh 8,56. -16. Joh 2,19. -17. Vgl. Joh 6,32. -18. Vgl. Joh 7,8. -19. Vgl. Joh 3,14. -20. Joh 5,39. -21. H. Johannes
van het Kruis, Bestijging van
de berg Karmel, II,22. -22. Heb 4,12. -23. Vaticanum ii, Dogm.c
onst. Dei Verbum, 21. -24. Ps 118,103. -25. R.A. Knox, A Retreat for Lay People. -26. Vgl. H. Cyprianus, Tractaat over het gebed. -27. H. Augustinus, Commentaren op de Psalmen, 128. -28. H. Jozefmaria
Escrivá, De Smidse, 754. -29. Ps 118,105.
|