Negenentwintigste week. Woensdag
6. Er zal veel gevraagd worden
-Onze verantwoordelijkheid voor de genade die
wij hebben ontvangen. -Onze verantwoordelijkheid bij het werk. Aanzien in ons
beroep. -Onze verantwoordelijkheid in het apostolaat.
6.1 Nadat Jezus zijn leerlingen over de
noodzaak van waakzaamheid had gewaarschuwd, vroeg Petrus of deze leer op hen
als zijn naaste volgelingen van toepassing was of voor iedereen.1 Toen begon Jezus de onvoorspelbaarheid te
benadrukken van de tijd waarop God ons uiteindelijk zal roepen om rekenschap af
te leggen van ons rentmeesterschap. Christus kan komen in de tweede nachtwake of in de derde... feitelijk op elk moment. Jezus beantwoordt de belangrijkste vraag van
Petrus door duidelijk te maken dat zijn leer voor allen is, zonder
uitzondering. God zal ieder van ons persoonlijk oordelen overeenkomstig onze
omstandigheden en overeenkomstig de genade die wij ontvangen hebben. Ieder van
ons heeft op deze aarde een zending te vervullen. Wij moeten trouw zijn aan die
roeping tot het einde van ons leven. Wij zullen geoordeeld worden naar de
vruchten die onze inspanning heeft voortgebracht. De heilige Paulus verklaarde
deze gedachte als volgt aan de eerste christenen: Want allen moeten wij voor Christus' rechterstoel verschijnen, opdat
ieder het loon ontvangt voor wat hij in dit leven heeft gedaan, goed of kwaad.2
De Heer besluit zijn onderricht met deze
overweging: Van ieder aan wie veel is
gegeven, zal veel worden geëist, en wie veel is toevertrouwd, van hem zal des
te meer worden gevraagd. Hoeveel heeft de Heer aan ons
toevertrouwd? Hoeveel genade heeft Hij aan anderen
verleend ten gevolge van ons leven? Hoeveel mensen zijn afhankelijk van mijn instemmen met de genade? Deze passage uit het
evangelie is een oproep tot verantwoordelijkheid. Iedere mens is als
een soldaat die in opdracht van God een deel van Zijn kasteel moet bewaken.
Sommige soldaten zijn gestationeerd op de muren, anderen in het inwendige van
het kasteel. Het is zaak, dat ieder trouw is aan zijn opdracht. Niemand kan
zijn post verlaten. Als dit zou gebeuren, zou het bolwerk blootstaan aan de
aanvallen van de hel.
Een verantwoordelijke christen kan zijn
toewijding niet verminderen door een vals gevoel van nederigheid. Hoewel de gelovige
zich over het algemeen zeker voelt door het besef van Gods almacht, kan hij
toch zeer ontmoedigd raken door de ervaring van de eigen zwakheid. Toch zal God
telkens opnieuw de genade verlenen om zelfs een nederlaag in een overwinning te
veranderen. God zal ons nooit in de steek laten.
«Jij, apostel, bent in je omgeving als een
steen die in de vijver valt. Breng door je voorbeeld en je woord een eerste
kring tot stand, en deze een andere..., en weer een andere, en nog een... Telkens
wijder. Begrijp je nu de grootheid van je taak?»3
6.2 Onze mogelijkheid om God een antwoord
te kunnen geven is een teken van onze menselijke waardigheid. Alleen wie vrij
is, kan kiezen tussen verschillende mogelijkheden om te doen wat het beste overeenkomt
met de wil van God en daardoor het best dient tot onze eigen vervolmaking.4
De christen die midden in de wereld leeft, moet
zijn dagelijks werk met verantwoordelijkheid
uitvoeren. Arbeid dient gericht te zijn op de eer van God, op
dienstbaarheid aan de samenleving en op het voldoen aan de verplichtingen ten
opzichte van het gezin. Het geeft ook een gebied aan dat van wezenlijk belang
is voor het persoonlijk apostolaat. Johannes Paulus I sprak eens over de
verplichtingen van docenten: «Italiaanse docenten hebben klassieke voorbeelden
van voorbeeldige betrokkenheid en toewijding tot het onderwijsinstituut achter
zich. Giosué Carducci was hoogleraar aan de universiteit van Bologna. Hij ging
eens naar Florence om bepaalde festiviteiten bij te wonen. Op een bepaalde
avond nam hij afscheid van de minister van onderwijs. 'Nee', zei de minister,
'blijf ook morgen nog': 'Ik kan niet, excellentie. Morgen heb ik een college op
de universiteit en de studenten wachten op mij.' 'Ik ontsla je van deze
verplichting'. 'U kunt mij ontslaan, maar ik ontsla mijzelf niet.' Professor
Carducci achtte werkelijk zowel het onderwijs als de studenten zeer hoog. Hij
was van de soort die zegt: 'Bij het leren van Latijn aan Jan is het niet genoeg
dat men Latijn kent, men moet ook Jan kennen en liefhebben'. En ook dit: 'de
waarde van de les hangt af van de voorbereiding'.»5
Deze man hield echt van zijn werk. Hoe dikwijls zouden wij moeten zeggen: 'Ik
ontsla mijzelf niet van deze plicht', zelfs wanneer de omstandigheden ons
zouden kunnen excuseren.
Een christen met dit gevoel voor
verantwoordelijkheid zal zich inspannen zo goed mogelijk te studeren om dan
later op de plaats waar hij werkt prestaties te leveren van zeer hoge
kwaliteit. Deze benadering van arbeid brengt als extra vrucht het zo
waardevolle beroepsaanzien mee. Dit doel is van toepassing voor allerlei
beroepen: voor de moeder van een gezin, voor de hoogleraar, voor de beambte en
voor de zakenman. «Als je bij je gewone dagelijkse werk voelt dat je wil
zwakker aan het worden is, moet je hier nog eens aan denken: 'De studie, de
arbeid, is een essentieel onderdeel van mijn weg. Een slechte naam in mijn
beroep, als gevolg van luiheid, zou mijn activiteit als christen teniet doen of
onmogelijk maken. Ik heb, volgens Gods wil, de invloed van mijn beroepsprestige
nodig om anderen aan te trekken en te kunnen helpen.' Twijfel er niet aan: als
je je taak laat schieten, onttrek je jezelf, en anderen, aan Gods plannen!»6
6.3 Van ieder aan wie veel
is gegeven, zal veel worden geëist. Laten wij een ogenblik denken aan de
genade die wij tijdens ons leven ontvangen hebben. Van veel van deze gaven zijn
wij ons heel bewust. Heel veel andere zijn ons onbekend. Ieder van ons heeft
handenvol genade: geluk, vriendschappen, vele kleine voortdurende daden van
dienstbaarheid die voor ons welzijn verricht worden... Laten wij vandaag nadenken
over de vraag of ons leven een royaal antwoord geeft op het vele goede dat God
ons heeft gegeven.
In de parabel die
wij in het evangelie van vandaag lezen, spreekt de Heer
over een onverantwoordelijke dienaar. Hij verontschuldigt zijn slechte gedrag
met deze misleidende verklaring: Mijn heer blijft nog
een poosje weg. Maar de Heer is al gekomen. Hij is
iedere dag in ons midden. Wij moeten naar Hem opkijken als een zoon in
de aanwezigheid van zijn Vader, als een vriend die tegenover zijn grootste
Vriend staat. En wanneer wij, vroeger of later, geroepen worden om
verantwoording af te leggen van ons beheer
in dit leven, zullen wij onze Vriend zien glimlachen. Wij zullen ons
voegen bij die lange rij van mensen die Hem naderen. Wij zullen begrijpen, dat
onze daden waren 'als een steen die in het meer gevallen is' met een enorme
weerklank in onze omgeving; en wel dankzij onze dagelijkse trouw tegenover onze
plichten, tegenover gebed en apostolaat onder onze vrienden, onder onze verwanten,
onder de mensen die toevallig voorbij komen.
Jezus verklaart aan zijn leerlingen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie in Mij gelooft,
zal ook zelf de werken doen die Ik doe. Ja, grotere dan die zal hij doen, omdat
Ik naar de Vader ga.7 De heilige Augustinus heeft deze woorden uitgelegd: «Hij die in Mij
gelooft zal niet groter zijn dan Ik. Maar Ik zal door hem grote dingen doen. Ik
zal zelfs meer doen door middel van degenen die in Mij geloven dan Ik nu zelf
doe.8 Hoeveel wonderlijke gebeurtenissen heeft
de Heer bewerkt door middel van ons leven, toen wij Hem zijn gang lieten gaan!
Zijn grootste werken «bestaan in het geven van goddelijk leven aan de mens door
de werking van de Heilige Geest. Daardoor zullen zij hun adoptie als kinderen
van God tot werkelijkheid maken... Jezus zei immers: Ik ga naar de Vader, maar het vertrek van
Jezus onderbreekt de redding van de wereld niet. Het dient er in werkelijkheid
voor om de groei en uitbreiding van de Kerk te verwezenlijken. Het leidt niet
tot scheiding van zijn leerlingen, maar tot een ander soort van aanwezigheid
onder hen. Hun eenheid met de verheerlijkte Christus stelde de apostelen in
staat om de soort grootse werken te doen die alle mensen met de Vader
verenigen... Jezus rekent op ons om Hem te helpen zijn werk af te maken. Hij
werkt door middel van ons, als wij dit maar willen toelaten.
»Op dezelfde wijze heeft God, toen Hij op de
aarde kwam, aan Maria, een schepsel zoals wij, toestemming gevraagd. Maria
geloofde. Zij gaf haar volledige medewerking aan de plannen van de Vader. En
wat was de vrucht van haar geloof ? Door haar 'ja-woord' is het Woord vlees geworden (Joh 1, 14) in haar schoot. Daardoor heeft zij de redding van de
gehele mensheid mogelijk gemaakt.»9 Wij vragen
Onze Lieve Vrouw om te helpen het werk dat ons door haar Zoon is toevertrouwd,
uit te voeren en te volbrengen: een doeltreffend apostolaat, waar wij ook maar
werken.
-1. Lc 12,39-48. -2. 2 Kor 5,10. -3. H. Jozefmaria Escrivá, De
Weg, 831. -4. H.
Thomas van Aquino, Commentaar
op de brief aan de Romeinen, II, 3. -5. Vgl. Johannes Paulus i, Angelus, 17 september
1978. -6. H. Jozefmaria Escrivá, De
Voor, 781. -7. Joh 14,12. -8. H. Augustinus, Commentaar op het evangelie van Johannes,
72,1. -9. Ch. Lubich, Woorden van leven.
|