Boeken over RK geloof en leven
Boeken & DVD's Voor eenheid van geloof en leven 
Home Best verkocht Alle titels Aanbiedingen Bestellijst Help Contact
pijl
Categorie
Kort Bestek
Andere pockets
Arco Reeks
Van Jozefmaria Escrivá
Spreken met God
Andere Boeken
Over Jozefmaria Escrivá
Voor kinderen
Jade Reeks
Theologie/ATRIUM
Video / DVD
Navarre bible

Zoek cadeau
tot € 5,-
van € 5,- tot € 10,-
van € 10,- tot € 20,-
vanaf € 20,-

Zoeken


Meditaties
Uit Spreken met God


Betaal snel & veilig met
Meditaties Uit de serie Spreken met God

Negenentwintigste week. Woensdag

6. Er zal veel gevraagd worden

-Onze verantwoordelijkheid voor de genade die wij hebben ontvangen. -Onze verantwoordelijkheid bij het werk. Aanzien in ons beroep. -Onze verantwoordelijkheid in het apostolaat.

6.1 Nadat Jezus zijn leerlingen over de noodzaak van waakzaamheid had gewaarschuwd, vroeg Petrus of deze leer op hen als zijn naaste volgelingen van toepassing was of voor iedereen.1 Toen begon Jezus de onvoorspelbaarheid te benadrukken van de tijd waarop God ons uiteindelijk zal roepen om rekenschap af te leggen van ons rentmeesterschap. Christus kan komen in de tweede nachtwake of in de derde... feitelijk op elk moment. Jezus beantwoordt de belangrijkste vraag van Petrus door duidelijk te maken dat zijn leer voor allen is, zonder uitzondering. God zal ieder van ons persoonlijk oordelen overeenkomstig onze omstandigheden en overeenkomstig de genade die wij ontvangen hebben. Ieder van ons heeft op deze aarde een zending te vervullen. Wij moeten trouw zijn aan die roeping tot het einde van ons leven. Wij zullen geoordeeld worden naar de vruchten die onze inspanning heeft voortgebracht. De heilige Paulus verklaarde deze gedachte als volgt aan de eerste christenen: Want allen moeten wij voor Christus' rechterstoel verschijnen, opdat ieder het loon ontvangt voor wat hij in dit leven heeft gedaan, goed of kwaad.2

De Heer besluit zijn onderricht met deze overweging: Van ieder aan wie veel is gegeven, zal veel worden geëist, en wie veel is toevertrouwd, van hem zal des te meer worden gevraagd. Hoeveel heeft de Heer aan ons toevertrouwd? Hoeveel genade heeft Hij aan anderen verleend ten gevolge van ons leven? Hoeveel mensen zijn afhankelijk van mijn instemmen met de genade? Deze passage uit het evan­gelie is een oproep tot verantwoordelijkheid. Iedere mens is als een soldaat die in opdracht van God een deel van Zijn kasteel moet bewaken. Sommige soldaten zijn gestationeerd op de muren, anderen in het inwendige van het kasteel. Het is zaak, dat ieder trouw is aan zijn opdracht. Niemand kan zijn post verlaten. Als dit zou gebeuren, zou het bolwerk blootstaan aan de aanvallen van de hel.

Een verantwoordelijke christen kan zijn toewijding niet verminderen door een vals gevoel van nederigheid. Hoewel de gelovige zich over het algemeen zeker voelt door het besef van Gods almacht, kan hij toch zeer ontmoedigd raken door de ervaring van de eigen zwakheid. Toch zal God telkens opnieuw de genade verlenen om zelfs een nederlaag in een overwinning te veranderen. God zal ons nooit in de steek laten.

«Jij, apostel, bent in je omgeving als een steen die in de vijver valt. Breng door je voorbeeld en je woord een eerste kring tot stand, en deze een andere..., en weer een andere, en nog een... Telkens wijder. Begrijp je nu de grootheid van je taak?»3

6.2 Onze mogelijkheid om God een antwoord te kunnen geven is een teken van onze menselijke waardigheid. Alleen wie vrij is, kan kiezen tussen verschillende mogelijkheden om te doen wat het beste overeenkomt met de wil van God en daardoor het best dient tot onze eigen vervolmaking.4

De christen die midden in de wereld leeft, moet zijn dagelijks werk met verantwoordelijkheid uitvoeren. Arbeid dient gericht te zijn op de eer van God, op dienstbaarheid aan de samenleving en op het voldoen aan de verplichtingen ten opzichte van het gezin. Het geeft ook een gebied aan dat van wezenlijk belang is voor het persoonlijk apostolaat. Johannes Paulus I sprak eens over de verplichtingen van docenten: «Italiaanse docenten hebben klassieke voorbeelden van voorbeeldige betrokkenheid en toewijding tot het onderwijsinstituut achter zich. Giosué Carducci was hoogleraar aan de universiteit van Bologna. Hij ging eens naar Florence om bepaalde festiviteiten bij te wonen. Op een bepaalde avond nam hij afscheid van de minister van onderwijs. 'Nee', zei de minister, 'blijf ook morgen nog': 'Ik kan niet, excellentie. Morgen heb ik een college op de universiteit en de studenten wachten op mij.' 'Ik ontsla je van deze verplichting'. 'U kunt mij ontslaan, maar ik ontsla mijzelf niet.' Professor Carducci achtte werkelijk zowel het onderwijs als de studenten zeer hoog. Hij was van de soort die zegt: 'Bij het leren van Latijn aan Jan is het niet genoeg dat men Latijn kent, men moet ook Jan kennen en liefhebben'. En ook dit: 'de waarde van de les hangt af van de voorbereiding'.»5 Deze man hield echt van zijn werk. Hoe dikwijls zouden wij moeten zeggen: 'Ik ontsla mijzelf niet van deze plicht', zelfs wanneer de omstandigheden ons zouden kunnen excuseren.

Een christen met dit gevoel voor verantwoordelijkheid zal zich inspannen zo goed mogelijk te studeren om dan later op de plaats waar hij werkt prestaties te leveren van zeer hoge kwaliteit. Deze benadering van arbeid brengt als extra vrucht het zo waardevolle beroepsaanzien mee. Dit doel is van toepassing voor allerlei beroepen: voor de moeder van een gezin, voor de hoogleraar, voor de beambte en voor de zakenman. «Als je bij je gewone dagelijkse werk voelt dat je wil zwakker aan het worden is, moet je hier nog eens aan denken: 'De studie, de arbeid, is een essentieel onderdeel van mijn weg. Een slechte naam in mijn beroep, als gevolg van luiheid, zou mijn activiteit als christen teniet doen of onmogelijk maken. Ik heb, volgens Gods wil, de invloed van mijn beroepsprestige nodig om anderen aan te trekken en te kunnen helpen.' Twijfel er niet aan: als je je taak laat schieten, onttrek je jezelf, en anderen, aan Gods plannen!»6

6.3 Van ieder aan wie veel is gegeven, zal veel worden geëist. Laten wij een ogenblik denken aan de genade die wij tijdens ons leven ontvangen hebben. Van veel van deze gaven zijn wij ons heel bewust. Heel veel andere zijn ons onbekend. Ieder van ons heeft handenvol genade: geluk, vriendschappen, vele kleine voortdurende daden van dienstbaarheid die voor ons welzijn verricht worden... Laten wij vandaag nadenken over de vraag of ons leven een royaal antwoord geeft op het vele goede dat God ons heeft gegeven.

In de parabel die wij in het evangelie van vandaag lezen, spreekt de Heer over een onverantwoordelijke dienaar. Hij verontschuldigt zijn slechte gedrag met deze misleidende verklaring: Mijn heer blijft nog een poosje weg. Maar de Heer is al gekomen. Hij is iedere dag in ons midden. Wij moeten naar Hem opkijken als een zoon in de aanwezigheid van zijn Vader, als een vriend die tegenover zijn grootste Vriend staat. En wanneer wij, vroeger of later, geroepen worden om verantwoording af te leggen van ons beheer in dit leven, zullen wij onze Vriend zien glimlachen. Wij zullen ons voegen bij die lange rij van mensen die Hem naderen. Wij zullen begrijpen, dat onze daden waren 'als een steen die in het meer gevallen is' met een enorme weerklank in onze omgeving; en wel dankzij onze dagelijkse trouw tegenover onze plichten, tegenover gebed en apostolaat onder onze vrienden, onder onze verwanten, onder de mensen die toevallig voorbij komen.

Jezus verklaart aan zijn leerlingen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie in Mij gelooft, zal ook zelf de werken doen die Ik doe. Ja, grotere dan die zal hij doen, omdat Ik naar de Vader ga.7 De heilige Augustinus heeft deze woorden uitgelegd: «Hij die in Mij gelooft zal niet groter zijn dan Ik. Maar Ik zal door hem grote dingen doen. Ik zal zelfs meer doen door middel van degenen die in Mij geloven dan Ik nu zelf doe.8 Hoeveel wonderlijke gebeurtenissen heeft de Heer bewerkt door middel van ons leven, toen wij Hem zijn gang lieten gaan! Zijn grootste werken «bestaan in het geven van goddelijk leven aan de mens door de werking van de Heilige Geest. Daardoor zullen zij hun adoptie als kinderen van God tot werkelijkheid maken... Jezus zei immers: Ik ga naar de Vader, maar het vertrek van Jezus onderbreekt de redding van de wereld niet. Het dient er in werkelijkheid voor om de groei en uitbreiding van de Kerk te verwezenlijken. Het leidt niet tot scheiding van zijn leerlingen, maar tot een ander soort van aanwezigheid onder hen. Hun eenheid met de verheerlijkte Christus stelde de apostelen in staat om de soort grootse werken te doen die alle mensen met de Vader verenigen... Jezus rekent op ons om Hem te helpen zijn werk af te maken. Hij werkt door middel van ons, als wij dit maar willen toelaten.

»Op dezelfde wijze heeft God, toen Hij op de aarde kwam, aan Maria, een schepsel zoals wij, toestemming gevraagd. Maria geloofde. Zij gaf haar volledige medewerking aan de plannen van de Vader. En wat was de vrucht van haar geloof ? Door haar 'ja-woord' is het Woord vlees geworden (Joh 1, 14) in haar schoot. Daardoor heeft zij de redding van de gehele mensheid mogelijk gemaakt.»9 Wij vragen Onze Lieve Vrouw om te helpen het werk dat ons door haar Zoon is toevertrouwd, uit te voeren en te volbrengen: een doeltreffend apostolaat, waar wij ook maar werken.

-1. Lc 12,39-48. -2. 2 Kor 5,10. -3. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 831. -4. H. Thomas van Aquino, Commentaar op de brief aan de Romeinen, II, 3. -5. Vgl. Johannes Paulus i, Angelus, 17 september 1978. -6. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 781. -7. Joh 14,12. -8. H. Augustinus, Commentaar op het evangelie van Johannes, 72,1. -9. Ch. Lubich, Woorden van leven.




Catalogus 2012
Aanbiedingen
De avonturen van Josemaría
van € 12,00 voor € 5,00
De heilige Jozefmaria Escrivá
van € 9,50 voor € 5,00
Meer aanbiedingen ...
Best verkocht
1 Kinderen van God
2 Korte Geschiedenis van de Katholieke Kerk
3 De Bijbel leren kennen
4 De Katholieke Kerk verkennen
Meer over best verkocht ...
Snel zoeken
Sitemaps: xml  html    ©De Boog 08 feb 2012