Vijfde week. Maandag
34.
GA EN ZONDIG NIET MEER
-Het is Christus die in het sacrament van boete en
verzoening vergiffenis wil schenken. -Dankbaarheid voor de absolutie: het
apostolaat van de biecht. -De noodzaak van de voldoening die de biechtvader
oplegt. Edelmoedigheid in de genoegdoening.
34.1 Vrouw, heeft
niemand u veroordeeld? Niemand, Heer. Ook ik veroordeel u niet. Ga heen en
zondig van nu af niet meer.1 Ze hebben bij Jezus een vrouw gebracht die betrapt was op
overspel. Ze hebben haar in het midden gezet, zegt het evangelie.2 Ze hebben haar
vernederd en ze hebben haar tot het uiterste te schande gezet, zonder een
greintje mededogen. Ze brengen de Heer in herinnering dat de Wet op dit
vergrijp de zware straf van steniging stelt. Wat zegt Gij ervan? vroegen
ze Hem met de boze bedoeling Hem ergens van te kunnen beschuldigen. Maar
Jezus doet allen verbaasd staan. Hij zei niets: boog zich voorover en
schreef met zijn vinger op de grond.
De vrouw is doodsbenauwd tussen al die mensen. En de
schriftgeleerden en farizeeën houden maar niet op met vragen. Toen richtte
Jezus zich op en zei tot hen: laat degene onder u die zonder zonden is het
eerst een steen op haar werpen. Weer boog Hij Zich voorover en schreef op de
grond. Ze gingen er met zijn allen vandoor, de oudsten het eerst.
Zij hadden geen zuiver geweten en ze hadden de Heer in de val willen lokken.
Allen vertrokken en Jezus bleef met de vrouw alleen achter die nog in het
midden stond. Nu richtte Jezus zich op en sprak tot haar: Vrouw, waar zijn ze?
Heeft niemand u veroordeeld?
De woorden van de Heer zijn
vol tederheid en clementie, blijk van de vergeving en de oneindige
barmhartigheid van de Heer. Zij antwoordt onmiddellijk: Niemand, Heer.
En Jezus zegt haar: Ook Ik veroordeel u
niet. Ga heen en zondig van nu af niet meer. We kunnen ons de
enorme blijdschap van die vrouw voorstellen, haar verlangen opnieuw te
beginnen, haar diepe liefde voor Christus. De ziel van die vrouw, bezoedeld
door zonde en door de publieke schande, maakt een diepgaande ommekeer door,
waarvan we alleen met het licht van het geloof een glimp kunnen opvangen. De
woorden van de profeet Jesaja gaan in vervulling: Klampt u niet vast aan wat
vroeger gebeurd is en geeft niet al uw aandacht aan wat eens is geschied; zie,
iets nieuws ga Ik maken... Ja, een weg ga Ik leggen in de woestijn, en rivieren
in het dorre land [...] om mijn uitverkoren volk te laven, het volk dat Ik Mij
heb gevormd, het zal van mijn lof gewagen.3 Elke dag zegt Jezus door zijn priesters
in alle uithoeken der wereld: 'Ik ontsla u van uw zonden, ga heen en zondig
niet meer'. Het is dezelfde Christus die vergeeft. «De sacramentele formule:
'Ik ontsla u...', de handoplegging en het kruisteken over de boeteling geven aan,
dat de rouwmoedige en bekeerde zondaar 'op datzelfde moment' de macht en de
barmhartigheid van God ontmoet. Het is het moment waarop, als antwoord aan de
boeteling, de Heilige Drieëenheid aanwezig is om zijn zonde uit te wissen en
hem de onschuld terug te geven, en waarop aan de boeteling de heilzame kracht
van Jezus' lijden, dood en verrijzenis wordt meegedeeld [...]. Het is altijd op
de eerste plaats God die door de zonde beledigd wordt -tibi soli peccavi,
jegens U alleen heb ik gezondigd- en alleen God kan dat vergeven.»4
De woorden die de priester uitspreekt zijn niet alleen een
smeekgebed om God te vragen onze zonden te vergeven en ook niet de vaststelling
dat God zich gewaardigd heeft ons zijn vergeving te verlenen, neen, deze
woorden veroorzaken en verlenen, op hetzelfde moment, werkelijk de vergiffenis:
«Alleen het geloof kan de zekerheid geven dat 'op datzelfde moment' door de
heilzame werking van de Zaligmaker iedere zonde vergeven en uitgewist wordt.»5
Weinig woorden zijn in de wereld de oorzaak van zoveel
blijdschap geweest als die van de absolutie: Ego te absolvo... De heilige
Augustinus stelt vast, dat het wonder dat deze woorden uitwerken groter is dan
de schepping zelf.6 Met
hoeveel blijdschap horen wij deze woorden en ontvangen wij de uitwerking ervan
als we gaan biechten? Hoe dankbaar zijn we dan? Hoe vaak bedanken we God dat we
dit sacrament zo dicht bij de hand hebben? Ons gebed van vandaag is een goede
gelegenheid de Heer onze dank te tonen voor dat geweldige geschenk.
34.2 Voor de absolutie
verenigt de mens zich met Christus, onze Verlosser, die zich met onze zonden
wil belasten. Voor die eenwording wordt de zondaar weer deelhebber aan die bron
van genade die onophoudelijk stroomt uit de doorstoken zijde van Christus.
Op het moment van de absolutie verhevigen we de smart om onze
zonden, misschien door een van de gebeden te zeggen die zijn opgenomen in het
Rituaal, zoals de woorden van de heilige Petrus: Heer, Gij weet alles, Gij
weet dat ik U bemin. We kunnen dan ons voornemen tot genoegdoening
herhalen. We luisteren met aandacht naar de woorden van de priester als hij ons
de vergiffenis van God verleent.
Dat is het moment om de
blijdschap van het herkrijgen van de genade -als we die verloren hebben- of de
vermeerdering ervan en van onze grotere eenheid met de Heer in het geheugen te
prenten. De heilige Ambrosius zegt: «Kijk, [de Vader] komt om jou te ontmoeten.
Hij buigt zich naar jou, mens, geeft je een kus, gegrepen door liefde en
tederheid. Hij laat het mooiste kleed halen en sandalen... U vreest dan nog
verwijten te krijgen... Je bent bang voor boze woorden, Hij bereidt een feestmaal
voor jou.»7 Ons Amen
verandert dan in een groot verlangen opnieuw te beginnen, ook al hebben we
alleen dagelijkse zonden gebiecht.
Na elke biecht moeten we God dank brengen voor zijn
barmhartigheid jegens ons en ons even, al is het maar kort, concentreren op de
vraag hoe we de adviezen of aanwijzingen die we gekregen hebben, feitelijk in
praktijk zullen brengen of hoe we ons voornemen tot voldoening en verbetering
werkzamer kunnen laten zijn. Een ander blijk van onze dankbaarheid is ervoor te
zorgen dat onze vrienden tot deze bron van genade komen, hen naar Christus te
voeren, zoals de Samaritaanse vrouw deed. Omgevormd door de genade rent ze weg
om het aan de mensen uit haar streek te verkondigen opdat zij ook zouden kunnen
profiteren van de unieke kans die het voorbijkomen van Jezus voor haar stadje
betekende.8 Het
is moeilijk een grotere daad van naastenliefde te vinden dan de mensen, die
overdekt met stof en krachteloos zijn, de bron van het heil te verkondigen die
wij gevonden hebben en waardoor wij gereinigd en met God verenigd zijn.
Wenden we alle middelen aan om van het sacrament van de
biecht een werkzaam apostolaat te maken? Helpen we onze vrienden tot deze
rechtbank van barmhartigheid te gaan? Bevorderen we in ons de wens om ons te
zuiveren door het ontvangen van dit sacrament? Stellen we deze ontmoeting met
de goddelijke barmhartigheid uit?
34.3 «De voldoening is de laatste akte. Zij vormt
de bekroning van het sacramentele teken van de boete. In sommige landen wordt
dat, wat de boeteling na het ontvangen van de vergeving en de absolutie belooft
te volbrengen, de 'boete' genoemd of naar het latijnse woord 'poenitentia'
-berouw, boete- de 'penitentie'.»9 Voor onze zonden verdienen we, ook al zijn ze vergeven,
een tijdelijke straf die voldoening moet geven in dit leven of na onze dood in
het vagevuur. Daar gaan de zielen heen van de mensen die in staat van genade
sterven, maar voor hun zonden nog niet volledig voldoening hebben geschonken.10
Daarnaast blijven er na de verzoening met God nog restanten van
de zonde in de ziel: zwakte van de wil zich aan het goede te hechten, een
bepaald gemak tot vergissingen in het oordeel, een zekere ongeordendheid in de
honger der zinnen... De littekens van de zonde en de wanorde van onze gerichtheid
die we aan de erfzonde te danken hebben, zijn het die ons geweten bezwaren met
de zonde. «Het is niet voldoende de pijl uit het lichaam te halen -zegt de
heilige Johannes Chrysostomus- maar de wond die door de pijl veroorzaakt is,
moet ook nauwkeurig verzorgd worden. In de ziel gaat het niet anders: nadat we
vergeving hebben ontvangen voor onze zonden, moeten we, met de penitentie, de
wond die overblijft verzorgen.»11
Na de absolutie is het zo,
leert Johannes Paulus ii,
dat er «in de christen nog iets van duisternis achterblijft, dat toe te
schrijven is aan de wonden die de zonde geslagen heeft, aan de onvolmaakte
liefde in het berouw en aan de verzwakking van de geestelijke vermogens, waarin
als het ware nog iets als een besmettelijke zondehaard werkt, waar men steeds
door middel van de versterving tegenin moet gaan. Dit is de betekenis van een
bescheiden maar oprechte voldoening.»12
Dit zijn allemaal redenen om veel liefde te leggen in het
uitvoeren van de penitentie die de priester ons oplegt voordat hij de absolutie
uitspreekt. Het is meestal gemakkelijk te doen en als we de Heer liefhebben,
zullen we merken hoe licht die penitentie is. Een reden te meer om onze geest
van boetvaardigheid in deze vasten te vermeerderen. De Kerk roept ons in deze
tijd niet voor niets op een bijzondere wijze daartoe op.
«Cor Mariae perdolentis, miserere nobis! Hart vol
smarten van Maria - roep het Hart van de heilige Maagd aan, met de vaste wil om
je met haar lijden te verenigen, als eerherstel voor je zonden en voor die van
de mensen van alle tijden. En vraag haar voor iedere ziel, dat háár lijden onze
afkeer van de zonde versterken mag en dat we van de lichamelijke en geestelijke
tegenslagen van iedere dag kunnen houden als een manier om boete te doen.»13
-1. Joh 8,10-11. -2. Vgl. Joh 8,1-11. -3. Jes
43,18-21. -4. Johannes Paulus ii,
Apost. exhort. Reconciliatio et poenitentia, 2 december 1984, n. 31,III.
-5. Ibidem. -6. H. Augustinus,
In Ioannis Evangelium, 72. -7. H.
Ambrosius, Expositio evangelii secundum Lucam, 7. -8. Vgl. Joh
4,28. -9. Johannes Paulus ii,
Apost. exhort. Reconciliatio et poenitentia, 2 december 1984, 31,III.
-10. Vgl. Concilie van Florence, Decretum
pro Graecis (DS 1304). -11. H.
Johannes Chrysostomus, Homilieën over Matteüs, 3,5. -12. Johannes Paulus ii, Apost. exhort.
Reconciliatio et poenitentia, 2 december 1984, n. 31,III; vgl. Algemene
audiëntie, 7 maart 1984. -13. H.
Jozefmaria Escrivá, De Voor, 258.
|