Paasoktaaf. Zaterdag
7. GAAT UIT OVER DE HELE WERELD
-Onze Heer stuurt ons in de wereld om zijn leer bekend te
maken. -Ook wij zullen moeilijkheden tegenkomen. Ingaan tegen de stroom.
Her-evangelisatie van de wereld. Persoonlijke heiligheid. -Bovennatuurlijk
optimisme.
7.1 De verrijzenis van onze Heer is een oproep
tot apostolaat tot het einde der tijden. Elk van zijn verschijningen eindigt
met een apostolische opdracht. Aan Maria Magdalena zegt Jezus: Ga naar mijn
broeders en zeg hun: Ik stijg op naar mijn Vader en uw Vader, naar mijn God en
uw God1;
en tegen de andere vrouwen: Gaat aan mijn broeders de boodschap brengen dat
zij naar Galilea moeten gaan, en daar zullen zij Mij zien.2 De Emmaüsgangers
hebben dezelfde avond de behoefte aan de anderen te laten weten dat Jezus
leeft.3 In
het evangelie van de Mis van vandaag bericht de heilige Marcus over de grote
apostolische opdracht die voor alle tijden van kracht zal blijven: Later
verscheen Hij aan de elf terwijl zij aan tafel aanlagen... En Hij sprak tot hen:
Gaat uit over de hele wereld en verkondigt het evangelie aan heel de schepping.4
Vanaf die tijd begonnen de apostelen getuigenis af te leggen van wat zij hadden gehoord en gezien en bekering
tot vergiffenis van zonden te preken... in zijn naam onder
alle volken, te beginnen met Jeruzalem.5 Wat zij preken en waarvan zij getuigen
zijn niet zomaar veronderstellingen, maar
verlossing brengende feiten, waar zij zelf getuigen van waren. Toen, als
een gevolg van de dood van Judas, het noodzakelijk
werd het getal van twaalf apostelen weer vol te maken, werd de
voorwaarde gesteld dat de kandidaat onder de getuigen van de verrijzenis
gekozen moest worden.6
Door die Twaalf wordt de Kerk vertegenwoordigd. Door hen
ontvangen alle christenen van alle tijden de vreugdevolle volmacht aan wie dan
ook die we onderweg tegenkomen, bekend te maken dat Christus leeft, dat door
Hem de zonde en de dood zijn overwonnen, dat Hij ons oproept om aan het
goddelijk leven deel te nemen, dat alle problemen die ons bezighouden, opgelost
kunnen worden. Christus zelf heeft ons dit recht en deze plicht gegeven. «De
christelijke roeping is namelijk krachtens haar aard tegelijk een roeping tot
het apostolaat»7 en
«al de gelovigen, van de paus tot het kind dat pas is gedoopt, delen één en
dezelfde roeping, hetzelfde geloof, dezelfde Geest, dezelfde genade... Zij hebben
allemaal een actief en aangepast deel... in de enige zending van Christus en van
de Kerk.»8
Niemand zou ons moeten hinderen in het uitoefenen van het
recht om deze opdracht te vervullen. De eerste lezing van de Mis vertelt ons
hoe de apostelen reageerden, toen de hogepriesters en de wetgeleerden hun
absoluut verboden om in de naam van Jezus te preken en te onderwijzen. Petrus
en Johannes antwoordden: Oordeelt zelf, of het voor God te rechtvaardigen
zou zijn, als wij meer naar u luisteren dan naar God. Het is voor ons
onmogelijk niet te spreken over hetgeen wij gezien en gehoord hebben.9 Ook wij kunnen
niet blijven zwijgen. Er is een grote mate van onwetendheid rondom ons, een
grote mate van dwaling, en het aantal mensen, dat verloren en verward door het
leven gaat omdat zij Christus niet kennen, is niet te tellen. Wij moeten het
geloof dat we hebben ontvangen, bekendmaken aan de vele mensen met wie wij
dagelijks in contact komen. «Men steekt geen lamp aan om hem onder de
korenmaat te zetten, maar op een standaard, zodat allen verlicht worden die in
huis zijn. Laat zo uw licht stralen voor de mensen, zodat ze uw goede werken
zien en uw Vader verheerlijken die in de hemel is.
»En aan het einde van zijn verblijf op aarde beveelt Hij: Euntes
docete -gaat en onderwijst. Hij wil dat zijn licht straalt in het gedrag en
in de woorden van zijn leerlingen, ook in die van jou.»10
7.2 Zodra de apostelen moedig en met durf de waarheid
over Christus gingen onderwijzen, begonnen de hinderpalen zich ook te
manifesteren. En in de loop van de tijd brak er vervolging uit en vielen er
martelaren. Niet lang daarna echter was het geloof in Christus verbreid tot
voorbij Palestina, in Klein-Azië, Griekenland en Italië en bekeerden zich
mensen van elke cultuur, sociale positie en ras.
Ook wij kunnen onbegrip verwachten, als een zeker teken van
goddelijke uitverkiezing, en zo kunnen we overtuigd zijn in de voetstappen van
onze Heer te treden, want een leerling staat niet boven zijn meester.11 Wij aanvaarden
onze tegenslagen met vreugde, als door God geduld. We verwelkomen ze als kansen
om ons geloof en hoop en liefde in praktijk te brengen. Ze helpen ons om meer
te bidden en ons meer te versterven, daar we zeker zijn dat gebed en
versterving altijd vrucht dragen12, omdat de uitverkorenen van de Heer zich niet voor
niets moe zullen maken.13 En zo overwinnen wij het kwade door het goede, door
andere mensen altijd welwillend en met begrip te bejegenen.14
Het moet ons niet verbazen, dat wij zeer vaak tegen de stroom
moeten ingaan in deze wereld, die zich elke dag meer en meer van God schijnt te
verwijderen. Een wereld die materieel welzijn als einddoel heeft en geen belang
hecht aan geestelijke waarden of deze gewoon naar de achtergrond verschuift. Het
is een wereld, die sommigen tot stand zouden willen brengen met de rug naar hun
Schepper gekeerd. Bij de vèrgaande en wanordelijke aantrekkingskracht die
materiële zaken uitoefenen op hen, die alle binding met God hebben verloren,
komt nog het slechte voorbeeld van sommige christenen, «wanneer zij door het
verwaarlozen van de geloofsopvoeding, misleidende uiteenzettingen van de
geloofsleer, en een gebrekkig godsdienstig, moreel en sociaal leven, het ware
gezicht van God en godsdienst eerder verhullen dan onthullen.»15
De grond waarin de apostelen en de eerste christenen voor het
eerst moesten zaaien, was wel hard, met rotsen, distels en doornen. Desondanks
bracht het zaad dat zij rondstrooiden, overvloedig vrucht voort. Op sommige
plaatsen honderdvoudig, op andere zestigvoudig en op nog andere dertigvoudig.
Een minimum aan instemming is voldoende om vrucht te dragen, want het zaad is
van God, en Híj is het die het goddelijk leven doet groeien in de zielen.16 Het is onze taak
om het voorbereidend apostolisch werk te doen: allereerst door gebed,
versterving en de werken van barmhartigheid, die altijd de goddelijke gunst
over zich afroepen; dan met vriendschap en begrip, en de kracht van het
voorbeeld.
Onze Heer wacht op ons in het gezin, op de universiteit, in
de fabriek, in de meest verschillende groeperingen, bereid om de wereld nog
eens te kerstenen: Gaat uit over de hele wereld en verkondigt het evangelie
aan heel de schepping, blijft onze Heer tegen ons zeggen. Onze tijd is er
een, waarin Christus mannen en vrouwen nodig heeft die in staat zijn onder het
Kruis te staan, sterk, met durf, eenvoudig, harde werkers, zonder enig
menselijk opzicht, wanneer het erop aankomt goed te doen; mannen en vrouwen die
opgewekt zijn, die als het fundament van hun leven het gebed hebben: een
verhouding met Jezus die vol vriendschap is.
Onze Heer rekent op onze voornemens om ons te verbeteren,
meer te strijden tegen onze gebreken en tegen alles wat, hoe klein het ook moge
zijn, ons van Hem scheidt. Hij rekent erop, dat wij een degelijk apostolaat
doen onder de mensen met wie wij regelmatig te maken hebben. We moeten vandaag
in ons gebed overwegen, of er rondom ons groepen mensen zijn, die door ons
dichter bij God komen, zoals dat bij de eerste christenen gebeurde. Wij moeten
ons afvragen of ons leven invloed ten goede heeft op de mensen, met wie we
regelmatig contact hebben door onze vriendschap, ons werk, onze verwantschap
enz.
7.3 De Kerk komt voort uit het Paasmysterie van
Christus, en leek aanvankelijk van weinig betekenis, zoals gist, maar ze heeft
een goddelijke kracht, bekwaam de wereld om te vormen, menselijker te maken en
dichter bij zijn Schepper te brengen. Heden ten dage beantwoorden veel mensen
van goede wil aan de geregelde oproepen van de opvolger van Petrus om
duidelijkheid te brengen aan de vele dwalende gewetens juist in landen waar
Christus vroeger werd bemind.
Evenals in de eerste tijd van het christendom «is het echt
belangrijk één voor één met de zielen om te gaan om hen dicht bij God te
brengen.»17 Daarom
moeten wij zelf ook erg dicht bij onze Heer zijn, met Hem verbonden zoals de
tak aan de wijnstok.18 Zonder
persoonlijke heiligheid is apostolaat onmogelijk; de gist wordt een waardeloze
materie. We zullen gewoon worden opgeslorpt door de heidense omgeving, die wij
vaak aantreffen rond mensen die vroeger wellicht goede christenen waren.
De eerste lezing van de Mis zegt ons dat de overheden,
oudsten en schriftgeleerden, bemerkend dat het ongeletterde en
eenvoudige mensen waren, verbaasd stonden toen zij de vrijmoedigheid van Petrus
en Johannes zagen. Zij herkenden hen als gezellen van Jezus.19 De apostelen
worden gezien als zeker van zichzelf, zonder complexen, met het optimisme dat
voortkomt uit de vriendschap met Christus. Dit is een vriendschap, die dag aan
dag groeit in gebed en in contact met Hem.
De christen zal altijd optimistisch zijn als hij met onze
Heer verbonden is «met een bovennatuurlijk optimisme, dat zijn wortels heeft in
het geloof, dat gevoed wordt door de hoop en zijn vleugels krijgt door de
liefde...
»Geloof: vermijd defaitisme en onvruchtbaar geklaag over de
godsdienstige toestand van jullie landen, ga door met je best te doen in het
werk en laat veel mensen in beweging komen... Hoop: 'God verliest geen
veldslagen'... Als de hinderpalen groot zijn is de goddelijke genade ook
overvloediger. Hij is het die ze zal verwijderen, terwijl Hij ieder van ons als
een hefboom gebruikt. Liefde: werk met grote oprechtheid voor de liefde van God
en de zielen. Heb genegenheid voor je naaste en heb geduld met hem, zoek naar
nieuwe mogelijkheden: de liefde maakt vindingrijk om een meer christelijke en
menselijke gemeenschap op te bouwen.»20
De heilige Maria, Koningin van de apostelen, zal ons in vuur
en vlam zetten in geloof en hoop en liefde voor haar Zoon, zodat wij
doeltreffend mogen bijdragen, in en vanuit onze eigen omgeving, aan de
kerstening van de wereld van vandaag, precies zoals de paus ons vraagt te doen.
De woorden van onze Heer, Gaat uit over de hele wereld! blijven in onze
oren weergalmen. Toen waren er alleen de leerlingen; nu zijn we veel talrijker.
Laat ons bidden om het geloof en de liefde die zij hadden.
-1. Joh 20,17. -2. Mt 28,10. -3. Vgl. Lc
24,35. -4. Mc 16,14-16. -5. Vgl. Lc 24,44-47. -6. Vgl. Hnd
1,21-22. -7. Vaticanum ii, Decr.
Apostolicam actuositatem, 2. -8. A.
del Portillo, Fieles y laicos en la Iglesia, 1969, bl. 38. -9. Hnd
4,20. -10. H. Jozefmaria Escrivá,
De Voor, 930. -11. Mt 10,24. -12. Vgl. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 694-7. -13. Jes
65,23. -14. Vgl. Rom 12,21. -15. Vaticanum ii,
Past. const. Gaudium et
spes, 19. -16. Vgl. 1 Kor 3,6. -17. A. del Portillo, Brief, 25 december 1985, 9. -18. Vgl.
Joh 15,5. -19. Hnd 4,13. -20. A.
del Portillo, Brief, 25 December 1985, 9,10.
|