Eerste week. Woensdag
3. GEBED EN APOSTOLAAT
-Het mensenhart is
gericht op het beminnen van God. De Heer wil en zoekt de persoonlijke
ontmoeting met elk van ons. -Geen gelegenheid tot apostolaat voorbij laten
gaan. De apostolische hoop krachtig bewaren. -Gebed en apostolaat.
3.1 In het evangelie van de mis van vandaag vertelt sint Marcus wat Jezus
deed nadat Hij de dag tevoren had doorgebracht met het genezen van zieken,
prediken en te woord staan van de menigte die naar Hem was toegekomen. Vroeg, nog diep in de nacht, stond Hij op, ging
naar buiten en begaf zich naar een eenzame plaats, waar Hij bleef bidden. Simon
en diens metgezellen kwamen Hem achterop en toen ze Hem gevonden hadden, zeiden
ze: Iedereen zoekt U1.
Iedereen zoekt U. Ook in onze tijd «hongeren» de mensen naar God. Tot op de dag van vandaag
gelden nog steeds de woorden van het begin van Augustinus' Belijdenissen: «Gij
hebt ons gemaakt naar U, en rusteloos blijft ons hart totdat het zijn rust
vindt in U.»2 Het menselijke hart is gemaakt om God te zoeken en Hem te beminnen.
En de Heer vergemakkelijkt dit verlangen, want Hij zoekt ook ieder van ons,
door ontelbare genaden en een tedere,
liefdevolle zorg. Als we iemand naast ons zien, over iemand vernemen via
een krantebericht, radio of televisie, kunnen we altijd denken, zonder vrees
dat we ons vergissen: deze mens wordt door Christus geroepen; hij heeft
daadwerkelijke genaden van Hem gekregen. «Let
goed op: er zijn op de wereld veel mannen en vrouwen, en de Meester
roept ze állen, zonder uitzondering.
»Hij roept hen tot een christenleven, een
heilig leven, een leven van uitverkiezing, een eeuwig leven.»3 Dit is het
fundament van onze apostolische hoop. Op de een of andere manier blijft
Christus iedereen roepen. Onze zending is -in opdracht van God- deze
ontmoetingen met de genade te vergemakkelijken.
In een commentaar op deze passage uit het
evangelie schrijft de heilige Augustinus: «Het menselijke geslacht is ernstig
ziek, niet door een lichamelijke ziekte, maar door de zonden. Het ligt als een
ernstig zieke man, overal op de aardbol, van Oost tot West. Om deze stervende
te genezen daalde de almachtige Geneesheer af. Hij vernederde zich door zelfs
het menselijk vlees aan te nemen, dat wil zeggen, door zelfs tot het ziekbed te
naderen.4 Enkele weken geleden hebben wij Jezus aanschouwd in de grot van
Bethlehem, arm en hulpeloos. Hij had onze menselijke natuur aangenomen om de
mensen zeer nabij te zijn en ons te redden. Daarna mediteerden wij over zijn
verborgen leven in Nazareth, waar Hij werkte zoals ieder ander, om ons te leren
dat wij Hem moeten zoeken in het dagelijkse leven; om zich voor iedereen
toegankelijk te maken en om ons door zijn heilige Mensheid in staat te stellen
de allerheiligste Drieëenheid te bereiken. Zoals Petrus, gaan ook wíj Hem
tegemoet in het gebed -in onze persoonlijke dialoog met Hem- en zeggen we tegen
Hem: Iedereen zoekt U. Help ons, o Heer, om het onze familieleden, onze vrienden, onze
collega's en iedereen die onze weg kruist, gemakkelijker te maken U te vinden.
Ze hebben U nodig. Leer ons U bekend te maken door het voorbeeld van een
vreugdevol leven, door goed werk te leveren, door een woord dat de harten
raakt.
3.2 «In een kerk in een Duits dorpje, dat tijdens de Tweede Wereldoorlog
nagenoeg volledig verwoest werd, bevond zich een heel oud kruisbeeld, waarvoor de
plaatselijke bevolking een grote devotie koesterde. Toen men met de wederopbouw
van de kerk wilde beginnen, vonden de dorpsbewoners tussen de ruïnes het
prachtige houtsnijwerk van de gekruisigde Jezus, zonder armen. Ze wisten niet
wat ze moesten doen. Sommigen wilden hetzelfde kruisbeeld, na restauratie, met
nieuwe armen, in de kerk ophangen. Anderen vonden het beter om een replica van
het originele kruisbeeld te laten maken. Uiteindelijk, na veel overleg,
besloten ze om het houtsnijwerk, dat altijd vooraan in de kerk had gestaan,
terug te zetten zoals het gevonden was, maar met de inscriptie: 'U bent mijn
armen...' Zó hangt het nu boven het altaar.»5
Wij zijn Gods armen in de wereld, omdat Hij
zich van mensen heeft willen bedienen. God zendt ons uit, opdat Hij dichter bij
deze geschonden wereld kan komen, die zo vaak de Geneesheer niet weet te vinden
die de mensen gezond kan maken. We moeten met veel mensen over God spreken, met
de vaste hoop dat Christus iedereen kent en dat alleen bij Hem redding en woorden
van eeuwig leven te vinden zijn. Daarom mogen we -uit luiheid, gemakzucht,
vermoeidheid of menselijk opzicht- geen enkele gelegenheid voorbij laten gaan:
normale dagelijkse gebeurtenissen, het commentaar op een krantebericht, een
kleine dienst die wij bewijzen of die ons bewezen wordt..., maar ook
uitzonderlijke gebeurtenissen zoals ziekte of het overlijden van een
familielid... «Wie omwille van internationale betrekkingen, voor zaken ofwel voor
een vakantie op reis gaan, moeten wel bedenken, dat zij overal ook reizende
verkondigers van Christus zijn en zich ook werkelijk als zodanig moeten
gedragen.»6 Paus Johannes Paulus i spoorde in zijn eerste boodschap de gelovigen
aan om alle wegen, alle mogelijkheden te bestuderen, en alle middelen te
benutten om te pas en te onpas7 aan alle mensen het
heil te verkondigen. «Als alle zonen van de Kerk -zo zei de paus- onvermoeibare
zendelingen van het evangelie zouden zijn, dan zou er een nieuwe opbloei van
heiligheid en van vernieuwing plaatsvinden in deze wereld die smacht naar
liefde en waarheid.»8
Laten we krachtig de hoop in het apostolaat
bewaren, zelfs al lijkt het moeilijk in onze omgeving. De wegen van de genade
zijn inderdaad onnaspeurlijk. Maar God heeft op ons willen rekenen bij de
redding van de zielen. Wat jammer, als door het verzuim van christenen veel
mensen nooit dichter bij God komen. Daarom moeten wij ons persoonlijk
verantwoordelijk ervoor voelen, dat geen enkele vriend, bekende of buurman met
wie we enigermate omgaan, tot de Heer zou kunnen zeggen: hominem non habeo9: ik heb niemand
gevonden die mij over U gesproken heeft, niemand heeft mij de weg gewezen. Soms
zal onze omgang enkel het begin zijn van de weg die naar Jezus leidt: een goed
gekozen opmerking, een boek om het geloof opnieuw te bevestigen, een
betrouwbaar advies, een bemoedigend woord... en altijd de achting en het
voorbeeld van een oprecht gedrag.
«Het christendom bezit de grote gave de enige
diepe wonde van de menselijke natuur uit te wassen en te helen. En het succes
van het christendom hebben we meer aan die genezende kracht te danken dan aan
heel een encyclopedie vol wetenschappelijke kennis en heel een bibliotheek van
polemieken. Daarom zal het christendom blijven bestaan zolang de mensheid bestaat.»10 Laten we ons
vandaag afvragen: hoeveel mensen heb ik de zojuist voorbije kersttijd op een
christelijke manier helpen beleven? Laten we bidden voor onze vrienden, die we
willen aanmoedigen om te gaan biechten of de middelen aan te wenden om hun
vorming en kennis van de leer van de Heer te verbeteren.
3.3 De Heer wil ons tot zijn instrumenten maken om zo zijn verlossingswerk
tegenwoordig te stellen in de aardse bezigheden, in het gewone leven van
alledag. Maar hoe kunnen we goede instrumenten van God zijn, als we zélf ons
gebedsleven niet verzorgen, als we in het gebed weinig of geen persoonlijke
omgang met Christus hebben? Kan soms
de ene blinde de andere leiden? Vallen dan niet beiden in de kuil?11 Het apostolaat
is de vrucht van de liefde voor Christus. Hij is het licht waarmee we moeten
verlichten, de waarheid die we moeten onderrichten, het leven dat we willen
doorgeven. En dit zal alleen mogelijk zijn, als we mannen en vrouwen zijn die
door het gebed met God verenigd blijven. Het is ontroerend te zien hoe de Heer,
bij al zijn apostolische activiteiten, heel vroeg, nog diep in de nacht, opstaat om met God
zijn Vader te spreken en de nieuwe dag aan Hem toe te vertrouwen, een dag die
wederom vervuld
zal zijn van aandacht voor de zielen.
We moeten Hem navolgen. In het gebed, door de
omgang met Jezus zullen we leren begrip te hebben voor anderen, de vreugde te
bewaren, de mensen die God op onze weg plaatst, met hartelijkheid en respect te
bejegenen. Zonder gebed zou de christen als een plant zonder wortels zijn: zij
droogt in korte tijd uit en kan geen vruchten voortbrengen. In de loop van de
dag kunnen en moeten we zeer veel met God spreken. Hij is niet ver weg: Hij is
dicht bij ons, Hij staat naast ons. Hij aanhoort ons altijd, maar in het
bijzonder op momenten zoals nu, waarin we ons nadrukkelijk erop toeleggen om
met Hem te spreken, zonder anoniem te blijven, in een vertrouwelijke dialoog.
Naarmate we ons openstellen voor wat God van ons verlangt, zal onze dag
goddelijk effectief zijn en zal het gemakkelijker blijken de dialoog met Jezus
niet te onderbreken. Ons apostolisch leven is daadwerkelijk waard wat ons gebed
waard is.12
Bidden is altijd vruchtbaar en is in staat ons
hele leven te ondersteunen. Uit het gebed putten we de kracht om de
moeilijkheden met de zwier van de kinderen Gods aan te pakken. En de kracht tot
volharding -trouw in de omgang met onze vrienden- die zo noodzakelijk is in
alle apostolaatswerk. Om die reden moet onze vriendschap met Christus elke dag
dieper en oprechter worden. Daarom moeten we ons ernstig erop toeleggen om elke opzettelijke zonde te
vermijden, ons hart alleen voor God vrij te houden, nutteloze gedachten uit te
roeien, die vaak de oorzaak zijn van fouten en zonden. We moeten regelmatig
onze meningen zuiveren en ons hele bestaan en al onze daden op God richten...
Soms moeten we strijden tegen de moedeloosheid die kan ontstaan uit de
gedachte, dat we geen vooruitgang maken in ons persoonlijk gebed. Als dit zou
gebeuren, maken we het de duivel gemakkelijk om ons te verleiden het bidden op
te geven. We mogen het gebed nooit opgeven: niet als we moe zijn en de aandacht
er niet helemaal bij kunnen houden, niet als we geen 'gevoelens' in het gebed
hebben, niet als we -ongewild- verstrooid raken. Het gebed is de steunpilaar
van ons leven en de onvervangbare voorwaarde voor elk apostolaat.
Aan het einde van deze tijd van gebed willen we
de machtige voorspraak van sint Jozef inroepen, die schitterende leraar voor
ons innerlijke leven. We vragen hem -die zo lang aan de zijde van Jezus leefde-
ons te leren Hem lief te hebben en elke dag van ons leven vertrouwelijk met Hem
om te gaan, zelfs op die dagen dat we het zo druk lijken te hebben dat we het
moeilijker vinden om de gebruikelijke tijd vrij te maken voor een gesprek met
Hem. Onze moeder Maria zal, samen met de heilige Aartsvader, onze
voorspreekster zijn.
-1. Mc 1,29-39. -2. H. Augustinus, Belijdenissen, 1,1,1. -3.
H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 13. -4. H.
Augustinus, Preek 87,13. -5. Vgl. F. Fernández Carvajal,
Lukewarmness. The Devil in
Disguise, bl. 163. -6. Vaticanum ii,
Decr. Apostolicam actuositatem, 14. -7. 2 Tim 4,2. -8. Johannes
Paulus i, Toespraak, 27 augustus 1978. -9. Joh 5,7. -10.
Kard. J.H. Newman, The Religiouse Sense. -11. Lc 6,39. -12. Vgl. H. Jozefmaria
Escrivá, De Weg, 108.
|