24 juni. Hoogfeest
56. GEBOORTE VAN DE HEILIGE JOHANNES DE DOPER
Dit hoogfeest werd reeds in de vierde eeuw
gevierd. Johannes, zoon van Zacharias en Elisabeth, is de Voorloper van Jezus
Christus, en aan die opdracht geeft hij heel zijn leven, vervuld van
gestrengheid, boetedoening en apostolische ijver. Zoals hij zelf tot ons zegt:
'Hij (Jezus) moet groeien en ik kleiner worden'. Ditzelfde proces dient zich te
ontwikkelen in het geestelijk leven van iedere christengelovige.
-De opdracht van Johannes de Doper. -Onze plicht: de harten bereid maken, opdat Christus erin kan binnentreden. -Oportet illum crescere... Christus dient in ons leven te groeien en de eigen achting voor wat
wij zijn en waard zijn moet verminderen.
56.1 Er trad een mens op, een gezondene van God; zijn
naam was Johannes. Deze kwam tot getuigenis, om te getuigen van het Licht,
opdat allen door hem tot geloof zouden komen.1
De heilige
Augustinus stelt vast, dat «de Kerk de geboorte van
Johannes als iets heiligs viert; hij is de enige wiens geboorte gevierd wordt;
wij vieren de geboorte van Johannes én van Christus.»2
Hij is de laatste profeet van het Oude Testament en de eerste die de Messias
aanwijst. Zijn geboorte, die wij op dit hoogfeest vieren, «was een reden tot
vreugde voor velen»3, voor al degenen die door
zijn prediking Christus leerden kennen; hij was de dageraad die de komst van
de dag aankondigt. Daarom schenkt Lucas grote aandacht aan de tijd waarin hij
opstond, op een heel concreet historisch moment: In het vijftiende regeringsjaar van keizer Tiberius, toen
Pontius Pilatus landvoogd van Judea was, Herodes viervorst van Galilea...4 Johannes zal de scheidingslijn vormen tussen het
Oude en het Nieuwe Testament. Zijn prediking is het begin van de Blijde Boodschap van Jezus Christus, de
Zoon van God 5, en zijn marteldood
zal als het ware een voorteken zijn van het Lijden van de Heiland.6 Niettemin «was Johannes een voorbijgaande stem;
Christus daarentegen het eeuwige Woord vanaf den beginne.»7
De vier evangelisten aarzelen niet op Johannes
het wonderschone orakel van Jesaja toe te passen: Zie, ik zend mijn bode voor u uit, die voor u de weg zal
banen; een stem van iemand die roept in de woestijn: Bereidt de weg van de
Heer, maakt zijn paden recht.8 De
profeet doelt hiermee in de eerste plaats op de terugkeer van de Joden naar Palestina
na hun gevangenschap in Babylonië: hij ziet Jahwe als koning en verlosser van
zijn volk, na zoveel jaren verblijf in de
woestijn; Hij loopt vóór hen uit, door de Syrische woestijn om hen met
vaste hand naar het vaderland te leiden. Hem snelt een heraut vooruit, naar
oud gebruik in het Oosten, om de op handen zijnde komst aan te kondigen en de
wegen in orde te brengen, waarvoor in die tijd niemand zorgde, tenzij in heel
duidelijke omstandigheden. Behalve dat deze voorspelling werd gedaan tijdens de
tocht door de woestijn, zou deze een vollediger en diepere betekenis krijgen in
een tweede vervulling, toen de tijd van de Messias was aangebroken. Ook de Heer
zou een heraut hebben in de persoon van de Voorloper, die vóór Hem uit zou gaan
om de harten te bereiden van hen tot wie de Verlosser zou komen.9
Wanneer wij
vandaag op het hoogfeest van zijn geboorte de grote
persoonlijkheid van Johannes de Doper overwegen, die zo trouw zijn taak
volbracht heeft, mogen wij erover nadenken of wij ook de weg voor de Heer
effenen, opdat Hij kan binnentreden in de ziel van vrienden en verwanten die
nog ver van Hem verwijderd zijn, opdat degenen die Hem reeds nabij zijn zich
nog meer aan Hem geven. Wij, christenen, zijn als de herauten van Christus in
de wereld van vandaag. «De Heer bedient zich van ons als toortsen, opdat dat
licht zal verlichten... Van ons hangt het af, dat velen niet in duisternis
blijven, maar over paden wandelen die tot het eeuwige leven leiden.»10
56.2 De zending van Johannes is vóór alles die van de Voorloper, degene die
een ander aankondigt: hij kwam tot getuigenis, om te getuigen van het Licht, opdat
allen door hem tot geloof zouden komen. Niet hij was het Licht, maar hij moest
getuigen van het Licht.11
Zo staat het vermeld aan het begin van het evangelie van die leerling die Jezus
leerde kennen dank zij de voorbereiding en uitdrukkelijke aanduiding die hij van de Doper had ontvangen: De volgende dag stond Johannes daar weer,
nu met twee van zijn leerlingen. Hij richtte het oog op Jezus die voorbijging
en sprak: 'Zie, het Lam Gods.' De twee leerlingen hoorden hem dat zeggen en
gingen Jezus achterna.12
Welk een kostbare herinnering en onmetelijke dankbaarheid zal de heilige
apostel Johannes hebben gehad, toen hij bijna aan het einde van zijn leven in
zijn evangelie die tijd in herinnering roept, waarin hij met de Doper
verkeerde, die een werktuig was van de Heilige Geest, opdat hij Jezus zou leren
kennen, zijn schat en zijn leven!
De prediking van
de Voorloper was in volmaakte overeenstemming met zijn leven van strengheid en
versterving: Bekeert u
-riep hij onvermoeibaar uit- want
het Rijk der
hemelen is nabij.13 Soortgelijke
bewoordingen, vergezeld van zijn voorbeeldig leven, maakten diepe indruk in
heel het gebied, en weldra was hij omringd door een talrijke groep leerlingen, die bereid waren zijn onderricht
te aanhoren. Een krachtige godsdienstige beweging beroerde geheel
Palestina. De mensen dorstten, net zoals nu, naar God, en de verwachting van de Messias leefde zeer sterk.
De heilige Matteüs en Marcus vermelden, dat zij van alle kanten
toestroomden: van Jeruzalem en alle andere steden in Judea14; ook kwamen er mensen uit Galilea, want daar vond
Jezus zijn eerste leerlingen, die immers Galileërs waren.15 Tegenover de gezanten van het Sanhedrin maakt
Johannes zich bekend met de woorden van Jesaja: Ik ben de stem van iemand die roept in de woestijn.
Door zijn leven en woorden legde Johannes
getuigenis af van de waarheid;
onverschrokken tegenover hen die hun macht vertoonden, zonder zich te
laten bewegen door de lofprijzingen van de menigten, zonder te wijken voor de
aanhoudende druk van de farizeeën. Hij gaf zijn leven ter verdediging van Gods
wet tegenover alle menselijke bepalingen: Het is u niet geoorloofd de vrouw van uw broer te hebben16, verweet hij Herodes.
Gering was Johannes' macht om zich te verzetten
tegen de dwaasheden van de viervorst en beperkt was het bereik van zijn stem om
de Messias een welbereid volk te vormen. Maar Gods woord verkreeg kracht op
zijn lippen. In de tweede lezing van de heilige mis17
past de liturgie op Johannes de Doper de woorden van de profeet toe: Hij heeft mijn mond tot een snedig
zwaard gemaakt, met de schaduw van zijn hand heeft Hij mij bedekt. Hij maakte
van mij een geslepen pijl, en in zijn koker heeft Hij mij opgeborgen.
En terwijl Jesaja denkt: Vergeefs
heb ik mij afgetobd, mijn kracht loopt uit op leegheid en wind, zegt
de Heer tot hem: Ik stel u aan tot
licht voor de heidenvolkeren om mijn heil te zijn tot aan het uiteinde der
aarde.
De Heer wil dat
wij Hem tonen in ons gedrag en in onze woorden, daar waar
zich dagelijks ons werk, ons gezin, onze vriendschappen ontvouwen..., in de
winkel, op de universiteit, in het laboratorium..., ook al lijkt dit apostolaat
geen grote reikwijdte te bezitten. Dezelfde opdracht als die van Johannes vertrouwt de Heer thans aan ons toe, in onze
dagen: de weg bereiden, zijn herauten zijn, zij die Hem in de harten van
anderen aankondigen. De samenhang tussen leer en gedrag is het beste bewijs
van de overtuiging en kracht van hetgeen wij verkondigen: het is in vele
gevallen de onmisbare voorwaarde om de mensen over God te spreken.
56.3 De taak van een heraut is om van het toneel te verdwijnen, zich naar
het tweede plan terug te trekken, wanneer degene die werd aangekondigd
verschijnt. «Ik houd het erop -zo merkt de
heilige Johannes Chrysostomus op- dat om die reden zo spoedig mogelijk
Johannes' dood werd toegelaten; wanneer hij verdwenen was, kon alle ijver van
de menigte zich richten op Christus, in plaats
van zich over hen beiden te verdelen.»18 Een
ernstige fout van iedere willekeurige voorloper zou het zijn als hij
toestond dat men hem, ook al was het maar voor korte tijd, zou verwarren met
degene die men verwacht.
Een wezenlijke deugd van hem die Christus aankondigt
is nederigheid en onbaatzuchtigheid. Van de twaalf apostelen waren er vijf,
volgens de uitdrukkelijke vermelding van het evangelie, leerlingen van
Johannes geweest. Hoogstwaarschijnlijk geldt
dat ook voor de zeven anderen; zij zullen hem allemaal minstens hebben
gekend en zij konden getuigen van zijn prediking.19
In het apostolaat is Christus de enige die bekend moet worden gemaakt. Hij is
de schat die wij aankondigen; tot Hem moeten wij de anderen brengen.
De heiligheid van
Johannes, zijn krachtige en aantrekkelijke deugden, zijn
prediking... hadden er langzamerhand toe bijgedragen, dat bij sommigen de
opvatting post ging vatten, dat Johannes wellicht de verwachte Messias was. In
diepe nederigheid wilde Johannes slechts de heerlijkheid van zijn Heer en God;
daarom protesteerde hij openlijk: Ik doop u met water, maar er komt iemand die sterker is dan ik; ik ben niet
waardig de riem van zijn sandalen los te
maken. Hij zal u dopen met de heilige Geest en met vuur.20 Tegenover Christus beschouwt Johannes zich
onwaardig om Hem zelfs de nederigste diensten te bewijzen, die gewoonlijk
voorbehouden zijn aan de slaven van de laagste klasse, zoals Hem de sandalen
aandoen of de riemen daarvan los te maken. Tegenover het sacrament van het
doopsel, door de Heer ingesteld, is het zijne slechts water, het symbool van de
innerlijke reinheid die degenen die de Messias verwachtten in hun hart ten
uitvoer dienden te brengen. Het doopsel van Christus is het doopsel van de
Heilige Geest die zuiver maakt zoals vuur dat doet.21
Laten wij wederom
kijken naar Johannes de Doper, een man met een sterk
karakter, zoals Jezus in herinnering brengt
bij de menigte die Hem aanhoort: Waar
zijt gij in de
woestijn naar gaan zien? Naar een riethalm door de wind bewogen? De Heer
wist, en de mensen ook, dat de persoonlijkheid
van Johannes op zeer uitgesproken wijze doorscheen en zich moeilijk verenigde
met gebrek aan karakter. Iets dergelijks vraagt de Heer ook van ons: in stilte
en verborgenheid goed doen, onze
verplichtingen volmaakt nakomen.
Toen de Joden aan de leerlingen van Johannes kwamen
vertellen, dat Jezus méér leerlingen verwierf dan hun meester, kwamen zij zich
beklagen bij de Doper, die hun antwoordde: Ik ben de Messias niet, maar een gezondene om voor Hem uit
te gaan [...]. Hij moet groter worden maar ik kleiner.22 Dat is onze levensopdracht: dat Christus ons leven
vervult. Dan zal onze vreugde geen grenzen kennen. Naarmate Christus, door
kennis en liefde, meer en meer in ons armzalig leven doordringt, zal onze
vreugde onweerstaanbaar zijn.
Laten we tot de Heer bidden met de versregels
van de dichter:«Moge ik als een rietfluit zijn, eenvoudig en hol, waar alleen
Gij doorklinkt. De stem zijn van een ander die roept in de woestijn. Méér
niet!» Uw stem zijn, Heer, te midden van de wereld, in de omgeving en op de
plaats waar Gij hebt gewild dat mijn bestaan zich afspeelt.
-1. Introïtus.
Joh 1,6-7; Lc 1,17. -2. H. Augustinus, Preek 293,1. -3. Altaarmissaal,
Prefatie van de dag. -4. Vgl. Lc 3,1 vv. -5. Vgl. Mc 1,1. -6. Vgl. Mt 17,12. -7. H. Augustinus, o.c., 3. -8. Mc 1,2. -9. Vgl. L.Cl. Fillion, Vida de Nuestro Señor Jesucristo. -10. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 1. -11. Joh 1,6. -12. Joh 1,35-37. -13. Mt 3,2. -14. Vgl. Mt 3,5; Mc 1,1-5. -15. Vgl. Joh 1,40-43. -16. Mc 6,18. -17. Tweede lezing. Jes 49,1-6. -18. H. Johannes Chrysostomus, Homilieën
over het Evangelie van de H. Johannes, 29,1. -19. Vgl. Hnd 1,22. -20. Lc 3,16. -21. Vgl. H. Cyrillus van Alexandrië, Catechesis, 20,6. -22. Vgl. Joh 3,28-30.