6 augustus. Feest
13. GEDAANTEVERANDERING VAN DE HEER
Vanouds werd dit feest van de Heer, op deze dag, op vele
plaatsen in het Oosten en Westen gevierd. In de vijftiende eeuw verbreidde paus
Callixtus iii het over de gehele Kerk. De liturgie herinnert ons tweemaal per
jaar aan het wonder van de gedaanteverandering: op de tweede zondag van de
Veertigdagentijd -om de godheid van Christus te bevestigen bij het naderen van
zijn Lijden- en vandaag -om de verheffing van Christus in zijn heerlijkheid te
vieren-. De gedaanteverandering van de Heer is bovendien een voorproef op de
heerlijkheid van de hemel, waar wij God van aangezicht tot aangezicht zullen
aanschouwen. Dank zij de genade delen wij reeds in deze belofte van het eeuwige
leven.
-De Heer sterkt zijn leerlingen in het zicht van zijn
aanstaande lijden en dood. -God zelf zal onze beloning zijn. -De Heer staat ons
terzijde om ons te helpen het hardste en zwaarste te dragen.
13.1 Wanneer
Christus zich openbaart, zullen wij aan Hem gelijk zijn, omdat wij Hem zullen
zien zoals Hij is.1
Jezus had de zijnen zijn lijden, dat aanstaande was, aangekondigd,
evenals de smarten die Hij zou moeten ondergaan door toedoen van de joden en
heidenen. En Hij spoorde hen aan Hem te volgen op de weg van het kruis en het
offer.2 Enkele dagen na deze gebeurtenissen, die
zich voltrokken in de streek van Caesarea van Filippus, wilde Hij hun geloof
versterken, want -zoals de heilige Thomas leert- om rechtdoor een weg te kunnen
volgen, moet men eerst op een of andere manier het doel waar men zich naar toe
begeeft kennen: «zoals de boogschutter niet succesvol de pijl kan afschieten,
als hij niet eerst kijkt naar het doel waarop hij hem richt. En dat is vooral
nodig, wanneer de route ruw en moeilijk is en de weg moeizaam... Daarom was het
passend, dat Hij zijn leerlingen de heerlijkheid van zijn glorie openbaarde
-dat is hetzelfde als van gedaante veranderen-, want in die helderheid zal Hij
voor de zijnen van aanschijn veranderen.»3
Ons leven is een weg naar de hemel. Maar het is een weg die
vaak via het kruis en het offer loopt. Tot het laatste ogenblik toe zullen we
tegen de stroom in moeten strijden, en het is mogelijk dat ook wij in de
bekoring komen om de overgave die de Heer van ons vraagt te doen samengaan met
een gemakkelijk, wellicht kleinburgerlijk leven, zoals dat van zovelen die hun
gedachten uitsluitend gericht houden op materiële zaken. «Hebben wij niet vaak
de bekoring gevoeld te geloven, dat het moment gekomen is om het christendom te
veranderen in iets gemakkelijks, om het comfortabel te maken, zonder enige
opoffering; om het in overeenstemming te brengen met de gemakzuchtige, elegante
en gebruikelijke levensvormen van de anderen en de wereldse levenswijze? Maar
zo is het niet!... Het christendom kan niet zonder het kruis: het christelijke
leven is niet mogelijk zonder de zware en grote last van de plicht... Als wij
die uit ons leven zouden trachten te bannen, zouden we onszelf illusies
scheppen en het christendom verzwakken; we zouden het hebben omgevormd in een
weke en gemakzuchtige levensinterpretatie.»4 Dit
is niet het pad dat de Heer aangeeft.
De leerlingen waren blijkbaar diep ontredderd, toen zij de gebeurtenissen
van het Lijden meemaakten. Daarom nam de Heer drie van hen, juist degenen die
Hem zouden vergezellen in zijn doodsstrijd in Getsemani, met zich mee naar de
top van de berg Tabor om daar zijn heerlijkheid te aanschouwen. Daar toonde Hij
zich «in de souvereine helderheid die Hij voor deze mannen zichtbaar wilde
maken, door het geestelijke te weerspiegelen op een voor de menselijke natuur
aangepaste wijze. Want, nog omgeven door het sterfelijk vlees, zouden zij
onmogelijk dat onuitsprekelijke en ontoegankelijke visioen kunnen zien en
aanschouwen, dat in het eeuwige leven is weggelegd voor de zuiveren van hart»5, dat ons te wachten staat, als wij dagelijks trouw
proberen te zijn.
Ook ons wil de Heer sterken met de hoop op de hemel die ons
wacht, met name wanneer de weg soms moeilijk wordt en ontmoediging opdoemt.
Wanneer wij dan denken aan wat ons te wachten staat, zullen we steun vinden om
sterk te zijn en vol te houden. Laten we altijd de plaats voor ogen houden die
God onze Vader voor ons bereid heeft en waarheen we onderweg zijn. Iedere dag
brengt ons weer een stapje dichterbij. Het voorbijgaan van de tijd is voor de
christen geenszins een tragedie; integendeel, het verkort de weg die we moeten
afleggen naar de uiteindelijke omhelzing met God: de zo lang verwachte
ontmoeting.
13.2 Jezus
nam Petrus, Jakobus en diens broeder Johannes met zich mee en bracht hen boven
op een hoge berg, waar zij alleen waren. Hij werd voor hun ogen van gedaante
veranderd: zijn gelaat begon te stralen als de zon en zijn kleed werd glanzend
als het licht. Opeens verschenen hun Mozes en Elia, die zich met Hem
onderhielden.6 Dit visioen bracht de
apostelen in een toestand van onstuitbaar geluk; Petrus drukt het als volgt
uit: Heer, het is goed dat wij hier zijn. Als Gij wilt zal
ik hier drie tenten opslaan, een voor U, een voor Mozes en een voor Elia.7 Hij was zo verheugd, dat hij niet eens aan zichzelf
dacht, noch aan Jakobus of Johannes die bij hem waren. Marcus die het
onderricht van Petrus zelf opneemt, voegt eraan toe, dat hij
niet goed wist wat hij zei.8 Nog had hij niet uitgesproken of een lichtende wolk
overschaduwde hen en uit de hemel klonk een stem: Dit is mijn Zoon, de
Welbeminde, in wie Ik mijn behagen heb gesteld; luistert naar Hem.9
De herinnering aan die ogenblikken bij de Heer op de Tabor
waren ongetwijfeld een grote steun in zovele moeilijke en pijnlijke
omstandigheden van het leven van de drie leerlingen. De heilige Petrus zal het
zich tot het einde van zijn dagen herinneren. In een van zijn Brieven, gericht
tot de eerste christenen om hen te bemoedigen in een periode van harde
vervolging, bevestigt hij dat zij, de apostelen, Jezus Christus niet met
vernuftig bedachte mythen bekend hebben gemaakt, maar omdat
wij als ooggetuigen van zijn luister spraken. Want Hij heeft van God de Vader
eer en verheerlijking ontvangen, toen door de verheven Majesteit dit woord tot
Hem gericht werd: Deze is mijn geliefde Zoon in wie Ik mijn welbehagen heb. En
deze stem hebben wijzelf uit de hemel horen klinken, toen wij met Hem waren op
de heilige berg.10 De Heer liet voor één
moment een glimp van zijn goddelijkheid zien, en de leerlingen waren buiten
zichzelf, vervuld van een onmetelijk geluk, dat zij heel hun leven in hun ziel
zouden meedragen. «De gedaanteverandering openbaart hun een Christus die men
niet in het leven van alledag ontdekt. Hij staat daar vóór hen als Iemand in
wie het Oude Verbond vervuld wordt, en vooral als de uitverkoren Zoon van de
eeuwige Vader, aan wie men absoluut geloof en volledige gehoorzaamheid moet
geven»11, die wij alle dagen van ons bestaan
hier op aarde moeten zoeken.
Hoe zal de hemel zijn die ons te wachten staat, waar we, als
we trouw zijn, de verheerlijkte Christus zullen aanschouwen, niet voor één
ogenblik, maar voor altijd, voor eeuwig? «Mijn God, wanneer zal ik van U houden
omwille van U? Alles wel beschouwd, Heer, is het verlangen naar het duurzame
ereloon, verlangen naar U, die U zelf geeft als beloning.»12
13.3 Nog had
hij niet uitgesproken of een lichtende wolk overschaduwde hen en uit de hemel
klonk een stem: Dit is mijn Zoon, de Welbeminde, in wie Ik mijn behagen heb
gesteld; luistert naar Hem.13 Hoe vaak
hebben wij Hem niet gehoord in het binnenste van ons hart!
Het mysterie dat wij vandaag vieren was niet slechts een
teken en voorproef van de verheerlijking van Christus, maar ook van de onze,
want, zoals de heilige Paulus ons leert, de Geest zelf bevestigt
het getuigenis van onze geest, dat wij kinderen zijn van God. Maar als wij
kinderen zijn, dan ook erfgenamen, en wel erfgenamen van God, te zamen met
Christus, daar wij delen in zijn lijden, om ook te delen in zijn
verheerlijking.14 En de apostel voegt
eraan toe: Ik ben er zelfs van overtuigd, dat het lijden
van deze tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid waarvan ons de openbaring te
wachten staat.15 Elk klein of groter
lijden dat wij om Christus' wil ondergaan, is niets wanneer men het afmeet
tegen datgene wat ons te wachten staat. De Heer zegent met het kruis, en vooral
wanneer Hij beschikt heeft heel grote weldaden te verlenen. Als Hij ons ooit
intenser zijn kruis laat proeven, dan is dat een teken, dat Hij ons als
uitverkoren kinderen beschouwt. Ons kunnen lichamelijk lijden bereiken,
vernederingen, mislukkingen, tegenslagen in het gezin... Dat is dan niet het
moment om bedroefd te worden, maar tot de Heer te gaan en zijn vaderlijke
liefde en troost te ervaren. Nooit zal ons zijn hulp ontbreken om dit
schijnbare kwaad te veranderen in grote weldaden voor onze ziel en voor heel de
Kerk. «Er wordt dan niet zomaar een kruis gedragen, men ontdekt het kruis van
Christus en daarbij de troost te ontdekken dat de Verlosser de last ervan
draagt.»16 Hij is, als onafscheidelijke Vriend,
degene die het harde en moeilijke draagt. Zonder Hem drukt elke last ons
terneer.
Als wij altijd dicht bij Jezus in de buurt blijven, zullen we
werkelijk van niets schade ondervinden: noch financiële ondergang, noch de
gevangenis, zelfs niet ernstige ziekte..., en nog veel minder de kleine
dagelijkse tegenslagen die ons onze vrede proberen te ontnemen, als we niet op
onze hoede zijn. Sint Petrus zelf bracht dit de eerste christenen in
herinnering: Wie zal u kwaad doen, als gij ijvert voor het
goede? Maar ook al moet gij lijden om de gerechtigheid, toch zijt gij zalig.17
Laten wij tot Onze Lieve Vrouw bidden, dat wij in vrede de
pijn en de vermoeienis die elke dag met zich meebrengt weten aan te bieden,
onze gedachten gericht op Jezus die ons in dit leven vergezelt en op ons wacht,
verheerlijkt, aan het einde van de weg. «En wanneer het uur zal komen / waarin
mijn mensenogen zich sluiten, / open dan, Heer, andere, grotere voor mij / /om
uw onmetelijke aangezicht te aanschouwen. / Moge de dood een grotere geboorte
zijn!»18, het begin van een leven zonder einde.
-1. Communio. 1 Joh 3,2. -2.
Vgl. Mt 16,24 vv. -3. H. Thomas van
Aquino, Summa Theologiae, III, q45,
a1, c. -4. Paulus vi, Toespraak
8-IV-1966. -5. H. Leo de Grote, Homilie
over de Gedaanteverandering, 3. -6. Mt
17,1-3. -7. Mt 17,3. -8. Vgl. Mc
9,6. -9. Mt 17,5. -10. Tweede
lezing. 2 Pe 1,16-18. -11. Johannes Paulus
ii, Homilie 27-II-1983; vgl. Algemene audiëntie 27-V-1987. -12. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 1030.
-13. Mt 17,5. -14. Rom
8,16-17. -15. Rom 8,18. -16. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 132.
-17. 1 Pe 3,13-14. -18. J. Maragall, Canto espiritual,
in Antología poética, Alianza, Madrid 1985, bl. 185.