Vierde week. Dinsdag
28. GEDULD in de STRIJD TEGEN
onze
TEKORTKOMINGEN
-De lamme van Betesda. Standvastigheid in de strijd.
-Geduldig zijn in de innerlijke strijd. Terugkeer naar de Heer, zo vaak als
nodig is. -Geduldig, ook met anderen. Standvastig in het apostolaat.
28.1 Het evangelie van
de Mis van vandaag1 confronteert
ons met een man die achtendertig jaar ziek was en die hoopt op een wonderbare
genezing in het water van de badinrichting van Betesda. Jezus zag hem liggen
en omdat Hij wist, dat hij reeds lang zo lag, zei Hij tot hem: wilt ge gezond
worden? De zieke spreekt tot Hem in alle eenvoud: Heer -zegt hij- ik
heb niemand om mij in het bad te brengen wanneer het water bewogen wordt en
terwijl ik ga, daalt een ander vóór mij erin af. Daarop zei Jezus hem: sta op,
neem uw bed op en loop. De lamme gehoorzaamt en op slag werd de man
gezond. Hij nam zijn bed op en liep.
De Heer staat altijd klaar om naar ons te luisteren en ons in
welke situatie dan ook te geven wat we nodig hebben. Zijn goedheid overtreft
altijd onze verwachtingen. Dat vereist echter wel onze persoonlijke
medewerking, onze wil uit die situatie te geraken; dat vereist dat we het niet
op een akkoordje gooien met onze gebreken en fouten en dat we moeite doen die
eronder te krijgen. Wij kunnen ons nooit 'conformeren' aan de tekortkomingen en
zwakten die ons scheiden van God en de anderen. We kunnen ons er niet op
beroepen dat ze deel uitmaken van onze wijze van zijn of dat we al zo vaak
geprobeerd hebben die tekortkomingen te bestrijden, maar zonder effect.
De vasten zet ons juist aan verbetering te brengen in onze
innerlijke gesteldheid door middel van de bekering van het hart tot God
en door werken van boetvaardigheid. Deze maken de ziel geschikt de genade te
ontvangen die de Heer ons wil geven. Jezus vraagt van ons de volharding om te
strijden en telkens als het nodig is opnieuw te beginnen, wetend dat die strijd
een uiting is van liefde. «De Heer stelde de lamme geen vraag om iets te weten
te komen -dat zou overbodig zijn- maar om het geduld van die man te laten zien.
Achtendertig jaar had hij, zonder ophouden, gehoopt zich bevrijd te zien van
zijn ziekte.»2
Onze liefde voor Christus zal blijken uit onze beslissing, en
het uitvoeren daarvan, zo snel mogelijk ons grootste gebrek uit te roeien of
ons die deugd eigen te maken, die het moeilijkst te verwerven is. En zij blijkt
ook uit het geduld dat we in de innerlijke strijd moeten bewaren. Het is nodig
dat de Heer ons een lange periode van strijd vraagt, misschien achtendertig
jaar, om te groeien in een bepaalde deugd, of om een of ander negatief
aspect in ons innerlijk leven te overwinnen.
Een bekend geestelijk schrijver geeft aan hoe belangrijk het
is je geduld te kunnen bewaren met je eigen gebreken: het verstaan van «de
kunst onze fouten te benutten.»3 We moeten niet verbaasd staan -of van de wijs raken- als
we, na alle middelen die ons redelijkerwijs ter beschikking staan, te hebben
toegepast, er uiteindelijk niet in slagen dat geestelijke doel te bereiken dat
we ons gesteld hadden. We moeten ons daar niet aan 'gewennen', maar we kunnen
onze fouten benutten om te groeien in echte nederigheid, ervaring, bezonnen
oordelen...
Die man uit het evangelie was achtendertig jaar lang
standvastig, en we mogen veronderstellen dat hij het gebleven zou zijn tot het
eind van zijn dagen. De beloning voor zijn standvastigheid was, meer dan iets
anders, zijn ontmoeting met Jezus.
28.2 Hebt dus
geduld, broeders, tot de komst van de Heer. De boer die uitziet naar de
kostelijke vrucht van zijn land, kan alleen maar rustig wachten tot de winter-
en voorjaarsregens gevallen zijn.4
Het is noodzakelijk te kunnen wachten en met geduldige
volharding te strijden in de overtuiging, dat we God behagen met wat ons tot
voordeel strekt. «We moeten met geduld -zegt de heilige Franciscus van Sales-
de vertragingen in onze vervolmaking ondergaan, door altijd goedgehumeurd te
doen wat we kunnen om vooruit te gaan. Laten we met geduld afwachten en ons
tegelijkertijd er zorgen over maken dat we in het verleden zo weinig gedaan
hebben. Laten we zorgen erop te letten in de toekomst meer te doen.»5
En verder laat een deugd
zich gewoonlijk niet verwerven door hevige, maar sporadische pogingen,
zonder vasthoudendheid in de strijd, zonder de standvastigheid zich elke dag op
die deugd te richten, elke week, met de hulp van de genade. «In de gevechten
van de ziel is strategie vaak een kwestie van tijd, van het toepassen van het
juiste hulpmiddel, met geduld, koppig.
Vermeerder uw akten van hoop.
»Denk eraan dat u nederlagen zult lijden of in uw innerlijk
leven -God geve dat het onzichtbaar blijft- ups en downs zult ondergaan, want
niemand blijft tegen dergelijke tegenvallers gevrijwaard. Maar de Heer, die
almachtig en barmhartig is, heeft ons de juiste middelen ter beschikking
gesteld om te overwinnen. We hoeven ze alleen maar toe te passen [...] met de
vaste bedoeling te beginnen en elk moment als het nodig is opnieuw te
beginnen.»6
De ziel van vastberadenheid is de bovennatuurlijke liefde, en
alleen uit liefde kunnen we geduldig zijn7 en strijden zonder ons bij onze gebreken
en feilen als onontkoombaar en onoplosbaar neer te leggen. Wij moeten niet zijn
als die christenen die na veel vechten en strijden merken dat «hun krachten
zijn uitgeput en de moed hun ontzinkt» wanneer ze nog maar «twee passen
verwijderd waren van de bron van het levend water.»8
Om bij het uitroeien van slechte trekken en tekortkomingen
van het karakter met zichzelf geduld te hebben, is het van belang het
conformisme te ontvluchten. En tegelijkertijd moeten we dan aanvaarden dat men
zich vaak voor God zal moeten opstellen als die dienaar die niets had om te
betalen9,
en met nederigheid om nieuwe genade vragen. Bij onze tocht naar de Heer zullen
we een overvloed aan blunders te verduren krijgen. Een heleboel zijn niet van
belang. Andere wel, maar berouw en voldoening brengen ons ons leven lang
dichter bij de Heer. Die droefheid en spijt om onze zonden en tekortkomingen
doen geen pijn want het zijn pijn, en tranen uit liefde. Het is de last de Heer
niet zoveel liefde bewezen te hebben als Hij verdiende, de pijn goed met kwaad
vergolden te hebben bij wie zoveel van ons houdt.
28.3 Naast geduldig te
zijn met onszelf moeten we die deugd toepassen op hen met wie we het meest te
maken hebben en zeker als op ons de plicht rust hen te helpen bij hun vorming,
bij een ziekte enzovoort. We hebben rekening te houden met de tekortkomingen
van de mensen om ons heen. Begrip en sterkte zullen ons helpen kalm te blijven
zonder te vergeten corrigerend op te treden als zich een gunstig en gelegen
moment voordoet. Een beetje wachten met corrigeren, een goed antwoord geven,
glimlachen... zorgen er misschien voor dat onze woorden het hart van die mensen
bereiken dat op een andere manier gesloten zou blijven. Zo kunnen we hen met
meer effect helpen.
Ongeduld maakt het samenleven moeilijk en maakt ook mogelijke
hulp en terechtwijzing weinig werkzaam. «Ga verder met dezelfde aansporingen
-is de raad van de heilige Johannes Chrysostomus- en nooit lusteloos. Handel
altijd met vriendelijkheid en zwier. Zie je niet met hoeveel zorg schilders
meer dan eens hun penseelstreken uitwissen of bijwerken als ze bezig zijn een
mooi portret te maken? Laat je niet overtreffen door die schilders. Als zij al
zoveel zorg besteden aan een materieel beeld, met hoeveel meer reden moeten wij
dan bezig blijven met het vormen van het beeld van een ziel. We mogen de steen
niet met rust laten opdat het beeld uiteindelijk volmaakt is.»10
In het apostolaat moeten we bijzonder standvastig en geduldig
zijn. Mensen hebben tijd nodig en God is geduldig. Elk moment geeft Hij zijn
genade, schenkt Hij vergiffenis en spoort Hij aan verder vooruit te gaan. Hij
had en zal altijd een eindeloos geduld met ons hebben. En wij moeten geduld
hebben met vrienden die we naar de Heer willen brengen, ook al lijkt het wel
eens dat ze niet luisteren, dat ze geen belang stellen in de zaken van God.
Laat hen daarom niet in de steek. In die gevallen moeten gebed en versterving
opgevoerd worden en ook onze liefde en oprechte vriendschap.
Geen enkele vriend van ons zou op enig moment van zijn leven
de gelegenheid mogen hebben de Heer te antwoorden met de woorden van die lamme:
«ik heb niemand om mij te helpen». Want «dat kunnen helaas veel mensen zeggen
die zwak en verlamd zijn in hun geest, maar die dienstbaar zouden kunnen... en
zouden móeten zijn. Heer, laat me nooit onverschillig zijn tegenover de
zielen.»11 Laten
we dat voor onszelf vragen. Onderzoeken we nu bij ons gebed of wij ons
bezighouden met de mensen die ons op ons levenspad begeleiden; of we ons om hun
vorming zorgen maken, of dat we juist gewend geraakt zijn aan hun gebreken
alsof die niet verbeterd zouden kunnen worden. Laten we tegelijkertijd bezien
of we geduldig zijn.
Verder is het goed in deze vastentijd niet te vergeten dat
wij door versterving ook de zonden van de anderen kunnen uitboeten en voor hen
op een of andere manier de genade van het geloof, hun bekering en een grotere
overgave aan God kunnen verdienen. In Jezus Christus ligt het geneesmiddel voor
alle kwalen die de mensheid leed berokkenen. In Hem kunnen allen het heil en
het leven ontmoeten. Hij is de bron van de wateren die alles levend maken. De
profeet Micha zegt het ons in de eerste lezing van de Mis als volgt: Dit
water stroomt door het oostelijk deel van het land naar de Araba, mondt uit in
de Zoutzee en maakt het water van de zee gezond. De rivier brengt leven overal
waar hij stroomt, het wemelt er van de dieren. De zee zit vol vis, want de
rivier die erin uitmondt, maakt het water gezond. Overal waar hij stroomt is
volop leven.12 Christus
maakt levend wat tevoren dood was. Hij doet tekortkoming en fout omslaan in
deugd.
-1.Communie, Joh 5,1-3a.5-16. -2. H. Johannes Chrysostomus, Homilieën
over Johannes, 36. -3. J. Tissot,
De kunst onze fouten te benutten. -4. Jak 5,7. -5. J. Tissot, o.c. -6. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van
God, 219. -7. Vgl. H. Thomas van
Aquino, Summa Theologiæ, II-II, q136, a3, ad3. -8. H. Theresia van Avila, De weg der
volmaaktheid, 19,3 en 4. -9. Vgl. Mt 18,23 e. v. -10. H. Johannes Chrysostomus, Homilieën
over Matteüs, 30. -11. H. Jozefmaria
Escrivá, De Voor, 212. -12. Ez 47,8-9.
|