Vierendertigste week. Woensdag
49. Geduldig in moeilijkheden
-Geduld, een onderdeel van de deugd van
sterkte. -Geduld met onszelf, de ander en in de tegenslagen van het gewone
leven. -Geduldig en standvastig in het apostolaat.
49.1 De teksten van de heilige Mis van
vandaag, enkele dagen voor het einde van het liturgische jaar, nemen een deel
van de toespraak op waarin de Heer verwijst naar de gebeurtenissen aan het
einde van de geschiedenis. Deze lange rede is een mengeling van verscheidene
met elkaar samenhangende zaken: de verwoesting van Jeruzalem -die veertig jaar
later zou plaatshebben-, het einde van de wereld en de tweede komst van
Christus, vol heerlijkheid en majesteit. Jezus kondigt ook de vervolgingen aan
die de Kerk zal lijden evenals de verdrukking van zijn leerlingen. Deze passage
wordt ons in het evangelie van de heilige Mis voorgehouden.1 Aan het einde hiervan spoort de Heer ons aan geduld
te hebben, te volharden, ondanks alle hindernissen die zich kunnen voordoen: In patientia vestra possidebitis animas vestras, door standvastig te zijn zult ge uw leven winnen.
De apostelen zullen zich later deze vermaning
van de Heer herinneren: Een dienaar
staat niet boven zijn heer. Als ze Mij vervolgd hebben, zullen ze ook u
vervolgen.2 Toch
ontsnapt deze verdrukking niet aan de Goddelijke Voorzienigheid. God staat haar
toe, omdat ze een gelegenheid biedt voor grotere weldaden. De Kerk werd
verrijkt in de liefde tot God en kwam altijd als overwinnaar en versterkt uit
al haar tegenslagen te voorschijn, zoals de Heer had aangekondigd: Weliswaar leeft gij in de wereld in verdrukking,
maar hebt goede moed: Ik heb de wereld overwonnen.3
Op de pelgrimstocht die het leven immers is,
zullen we verschillende beproevingen te verduren krijgen; sommige lijken groot,
andere van weinig betekenis, maar uit al die beproevingen moet de ziel, met de
hulp van de genade, versterkt te voorschijn komen. Die tegenslagen zullen soms
van buitenaf komen door rechtstreekse dan wel bedekte aanvallen, door hen die
de christelijke roeping niet begrijpen, door een vijandige, heidens geworden
omgeving of ook door hen die zich duidelijk verzetten tegen alles wat op God
betrekking heeft. In andere gevallen zullen ze voortkomen uit de beperkingen
van de menselijke natuur zelf, die zo vaak niet toelaten een doel te bereiken
tenzij op basis van een voortdurende inzet, van opoffering, van tijd... Er kunnen
financiële moeilijkheden ontstaan, problemen in het gezin...; we kunnen getroffen
worden door ziekte, vermoeienis, wanhoop... Dan is geduld nodig om te volharden,
om blijmoedig te zijn ondanks welke omstandigheid ook; en dat is mogelijk,
omdat wij de blik op Christus gericht houden, die ons aanmoedigt voort te gaan,
zonder al te zeer te letten op wat ons de vrede zou willen ontnemen. Wij weten
dat in alle omstandigheden de overwinning aan ons zal zijn.
Geduld is, volgens de heilige Augustinus, «de
deugd waardoor wij in alle gemoedsrust het kwaad verdragen». En hij voegde
eraan toe: «tenzij wij door het verliezen van de kalmte van onze ziel het goede
nalaten, dat ons nog meer en groter goed kan doen verwerven».4 Door deze deugd worden we ertoe gebracht om
welgemoed, uit liefde tot God, zonder klagen het lichamelijke en morele lijden
van het leven te dragen. Dikwijls zullen we haar moeten beoefenen in het
alledaagse, wellicht in schijnbaar platvloerse zaken: een mankement dat we maar
niet kunnen overwinnen, aanvaarden dat de dingen niet lopen zoals wij dat graag
zouden willen, de onverwachte dingen die gebeuren, het karakter van iemand met
wie we moeten samenwerken, welwillende mensen die echter niet veel begrip
hebben, opstoppingen in het verkeer, vertragingen van het openbaar vervoer,
onvoorziene telefoontjes waardoor we ons werk niet op tijd af krijgen, dingen
die we vergeten... Het zijn allemaal kansen om onze nederigheid te bevestigen, om
onze liefde te verfijnen.
49.2 De deugd van geduld is iets geheel
anders dan louter passief staan tegenover het lijden; het is niet een «niet
reageren» en ook niet eenvoudigweg verdragen: geduld maakt deel uit van de
deugd van sterkte, en doet ons bedaard het lijden en de beproevingen van het
leven aanvaarden, of ze nu groot of klein zijn, omdat we weten, dat zij van
Gods liefde afkomstig zijn. Zo vereenzelvigen wij onze wil met die van de Heer,
en dat stelt ons in staat trouw te blijven te midden van vervolgingen en
beproevingen; het is het fundament van de grootheid van geest en van de
blijmoedigheid van hem die er zeker van is, dat hij nog grotere weldaden in de
toekomst zal ontvangen.5
De christen moet deze deugd op onderscheiden
gebieden beoefenen. In de eerste plaats met zichzelf, want men kan makkelijk
ontmoedigd raken bij het zien van de eigen gebreken die zich keer op keer
herhalen en die we niet volledig weten te overwinnen. We moeten dan weten te
wachten en volhardend te strijden, in de overtuiging dat we, zolang we de
strijd volhouden, God beminnen. De overwinning op een gebrek of het verwerven
van een deugd bereikt men gewoonlijk niet door hevige inspanningen maar door
nederigheid, door vertrouwen op God, door te bidden om meer genade , door
grotere gehoorzaamheid. De heilige Franciscus van Sales verzekerde, dat men
geduldig moet zijn met iedereen maar in de eerste plaats met zichzelf.
Geduldig zijn ook jegens hen met wie we hechter
zijn verbonden, en vooral wanneer we hen om welke reden dan ook moeten helpen
in hun vorming, in hun ziekte... We moeten rekening houden met de gebreken van de
mensen met wie we omgaan -vaak zijn ze in een fors gevecht verwikkeld om die
gebreken te overwinnen-, misschien met hun kwade aanleg, gebrek aan goede
manieren, argwaan... Vooral wanneer dit alles zich herhaaldelijk voordoet, kan
onze liefde erdoor in gebreke raken, kunnen we de omgang verbreken of kan onze
interesse om hen te steunen zijn kracht verliezen. De liefde zal ons helpen
geduldig te zijn, maar ook om hen te verbeteren op het meest aangewezen en
gepaste ogenblik. Een tijdje wachten, glimlachen, een goed antwoord geven op
een onbetamelijke opmerking kan bewerkstelligen, dat onze woorden tot het hart
van die mensen doordringen; en zij bereiken altijd het Hart van de Heer, die
ons met bijzondere waardering en vriendschap zal gadeslaan.
Geduld bij de gebeurtenissen die komen en ons
vijandig gezind zijn: ziekte, armoede, extreme hitte of kou..., de verscheidene
tegenslagen die op een doorsnee-dag voorkomen: de telefoon die niet werkt of
geen verbinding geeft, grote verkeersdrukte, waardoor we te laat komen voor een
belangrijke afspraak, het vergeten van ons werkmateriaal, bezoek dat zich op
een minder gelegen moment aandient... Het zijn tegenslagen, misschien van niet al
te grote betekenis, die ons wellicht doen reageren op een manier waaruit gebrek
aan vrede blijkt. Daar nu wacht de Heer op ons; in die kleine voorvallen moeten
we geduld betrachten, als uiting van de sterke geest van een christen die
geleerd heeft alle kleine gebeurtenissen van elke willekeurige dag te heiligen.
49.3 Caritas patiens est 7, de liefde is geduldig. En tegelijkertijd is deze
deugd de grote steunpilaar van de liefde, zonder welke zij niet zou kunnen
voortbestaan.8 Voor het apostolaat, een
bijzondere uiting van de liefde, is geduld absoluut onontbeerlijk. De Heer wil
dat wij de rust bezitten van de zaaier, die het zaad uitstrooit over de akker
die hij tevoren heeft bereid en de ritmen van de seizoenen volgt, wachtend op
het geschikte moment, zonder enige wanhoop, in het vertrouwen dat die kleine
halm die zojuist boven de grond is verschenen, op een goede dag een volgroeide
korenaar zal worden.
De Heer heeft ons een voorbeeld van
onuitsprekelijk geduld gegeven. Van de
menigten die tot Hem naderen, zegt Hij soms, dat zij ofschoon zij ogen hebben, niet zien en ofschoon zij
oren hebben, niet horen of begrijpen.9 Desondanks zien we hoe Hij onvermoeibaar voortgaat
met prediken en zich aan de mensen te wijden, altijd op tocht over de wegen van
Palestina. Zelfs de Twaalf die Hem vergezellen,
geven er niet altijd blijk van veel vorderingen gemaakt te hebben: Nog veel heb Ik u te zeggen -zegt Jezus hun aan
de vooravond van zijn heengaan- maar
gij kunt het nu niet verdragen.10 De Heer hield rekening met hun gebreken, met hun manier
van zijn, en Hij laat zich niet ontmoedigen. Later zal ieder van hen op zijn
eigen wijze een trouwe getuige van Christus en het evangelie zijn.
Geduld en volharding zijn onmisbaar in deze
taak die wij, in samenwerking met de Heilige Geest, ten uitvoer dienen te brengen
in onze eigen ziel en in die van onze vrienden en familieleden die we tot de
Heer willen doen naderen. Geduld gaat hand in hand met nederigheid, past zich
aan bij het wezen van de dingen en eerbiedigt hun tijd en ogenblik zonder ermee
te breken; ze houdt rekening met eigen en andermans beperkingen. «Een christen
die de krachtige deugd van het geduld beleeft, raakt niet in verwarring als hij
bemerkt, dat zijn omgeving tekenen vertoont van onverschilligheid voor Gods
zaken. Wij weten dat er mensen zijn die in hun onderaardse gewelven -net zoals
goede wijnen in de kelders- onhoudbare verlangens naar God koesteren; het is
onze plicht die op te diepen. Het komt echter voor, dat de zielen -ook de onze-
hun ritmen van tijd hebben, hun uur, waaraan we ons moeten aanpassen, zoals de
landbouwer zich moet aanpassen aan de seizoenen en de akker. Heeft de Meester
niet gezegd, dat het Rijk Gods gelijkt op een eigenaar die op verschillende
uren van de dag uittrekt om arbeiders voor zijn wijngaard te huren (Mt
20,1-7)?»11 Zullen wij dan niet geduld
betrachten jegens de ander, als de Heer zoveel geduld met ons heeft gehad en
nog altijd heeft? Caritas omnia
suffert, omnia credit, omnia sperat, omnia sustinet12, de liefde
verdraagt alles, alles gelooft zij, alles hoopt zij, alles duldt zij, heeft
Paulus onderricht. En dat heeft hij ook voor ons geschreven. Als we geduld
hebben, zullen we trouw blijven, zullen we onze zielen redden evenals die van
vele anderen, die de Maagd, onze Moeder, voortdurend op onze weg plaatst.
-1. Lc 21,12-19 -2. Joh 15,20. -3. Joh 16,33. -4. H. Augustinus, Over het geduld, 2. -5. Vgl. H. Thomas van Aquino, Commentaar op de Brief aan de Hebreeën, 10,35. -6. Vgl. H. Franciscus
van Sales, Brieven, 139. -7. 1 Kor 13,4. -8. H. Cyprianus, De bono patientiae. -9.
Mt 13,13. -10.
Joh 16,12.
-11. J.L.R. Sánchez de Alva, El Evangelio de San Juan, Madrid 19873, noot 4,1-44. -12. 1 Kor 13,7.
|