19 december
24. GEESTELIJK KINDZIJN
-Als
kinderen worden tegenover God. -Geestelijk kindzijn en goddelijk kindschap.
Nederigheid en zich verlaten op God. -Deugden die deze weg van kindsheid eigen
zijn: volgzaamheid en eenvoud.
24.1 De
heilige Marcus schrijft ons dat de mensen kinderen bij Hem brachten met de
bedoeling dat Hij ze zou aanraken. Maar bars wezen de leerlingen hen af.1
Achter die kinderen kunnen
we hun moeders zien, die de kleintjes zachtjes voor zich uit duwen. Jezus moet
een klimaat van aantrekkelijke goedheid en eenvoud om zich gecreëerd hebben.
Die vrouwen voelen zich gelukkig als Jezus hun kinderen de hand oplegt en zij
zouden het liefst bij Hem blijven. De strijd tussen die vrouwen en de
leerlingen die trachtten enigszins de orde te handhaven, is het voorspel tot
een diepgaand onderricht van Christus. Te midden van enerzijds de opdringende
moeders en anderzijds de protesten van degenen die de kinderen willen verwijderen,
wordt Jezus boos op de leerlingen. Jezus verkeerde graag met deze kleintjes: Laat
die kinderen toch bij Mij komen en houdt ze niet tegen -zegt Hij. Want
aan hen die zijn zoals zij behoort het Koninkrijk Gods. Voorwaar, Ik zeg u: wie
het Koninkrijk Gods niet aanneemt als een kind, zal er zeker niet binnengaan.
Daarop omarmde Hij ze en zegende hen, terwijl Hij hun de handen oplegde.2 De kinderen en
hun moeders hebben de partij gewonnen. En zo trokken zij vol geluk af naar
huis.
Wij moeten met dezelfde
gesteldheid als die kinderen naar Bethlehem gaan: met eenvoud, zonder
vooroordelen, met een ziel die naar alle kanten open staat. Sterker nog, het is
noodzakelijk te worden als een kind om het Koninkrijk Gods binnen te gaan: Als
gij niet opnieuw wordt als de kleine kinderen zult gij het Rijk der hemelen
zeker niet binnengaan3, zou de Heer bij een andere gelegenheid zeggen,
terwijl Hij sprak over een kind dat Hij in hun midden gezet had.
De Heer raadt geen
kinderachtigheid aan, maar onschuld en eenvoud. Zie in de kinderen trekjes en
houdingen die wezenlijk zijn om de hemel te bereiken en om, hier in dit leven,
het rijk van het geloof binnen te treden. Het kind mist elk gevoel van
zelfvoldaanheid. Het kind heeft voortdurend zijn ouders nodig en weet dat. In
de grond is het een behoeftig wezen. Zo moet een gelovige tegenover God, zijn
Vader, zijn: een wezen dat een en al behoeftigheid is. Het kind beleeft het
heden in al zijn volheid en verder niets. De kwaal van de volwassene is veel te
veel zorgen te hebben voor 'de dag van morgen' en daarbij te vergeten iets met
het heden te doen, dat met volle intensiteit geleefd moet worden.
Dat gebaar met die
kinderen moet meer dan een van de aanwezige moeders verheugen die, misschien,
in hun ijver hun kind op de eerste rij te
krijgen, niet zoveel aandacht gegeven hadden aan de woorden die Jezus
tot zijn gehoor richtte. In deze passage leert Jezus ons de weg van het
geestelijk kindzijn, opdat wij ons volledig open zullen stellen voor God en
resultaten zullen boeken in het apostolaat. «Klein zijn: de grootste
stoutmoedigheden worden altijd door kinderen bedreven. -Wie vraagt om... de maan?
-Wie let niet op het gevaar, als het erom gaat het begeerde voorwerp te pakken
te krijgen? -Stel je zo'n kind voor met veel genade van God, met het verlangen
de wil van God te volbrengen, met veel liefde tot Jezus, met alle menselijke
kennis die het in staat is op te nemen... en je hebt het portret getekend van de
apostelen van vandaag, zoals God hen ongetwijfeld wil.»4
24.2 Een
paar dagen voor het lijden en sterven van Christus zagen de hogepriesters en
schriftgeleerden de wonderen die Hij deed en de kinderen die bleven roepen [...]
en ze waren verontwaardigd en voegden Hem toe: hoort Gij wat die daar zeggen?
Jezus antwoordde hun: Zeker! Maar hebt gij nooit gelezen: Uit de mond van
kleine kinderen en zuigelingen hebt gij u een lofzang bereid?5 Door het hele evangelie heen komen we diezelfde gedachte tegen: het
kleine wordt uitverkoren op te gaan in
het grote. Open de mond van wie minder weet, sluit de mond van wie wijs lijkt.
Jezus aanvaardt in alle
openheid de messiaanse belijdenis van deze kinderen. Zij met name zien het
daar aanwezige mysterie van God. Het rijk van God kan alleen verworven worden
met deze houding. Als wij, christenen, in de stal van Bethlehem erkennen dat
Hij de Messias is die van oudsher beloofd is, moeten wij dat doen met de geest,
de eenvoud en de durf van kinderen. «Kind, brand van verlangen om de grote
vergissingen te herstellen, die je in je leven van volwassene begaan hebt.»6 Deze 'grote
vergissingen' die we begaan wanneer we, door de hardheid van ons gemoed, de
innerlijke eenvoud en heldere visie van Christus kwijtraken, wanneer we zijn
lofzang staken, terwijl Hij in een klimaat van zoveel onbegrip omtrent de zaken
van God onze openlijke geloofsbelijdenis afwacht.
Worden als kinderen,
terwijl je volwassen bent, kost misschien veel moeite: het vereist kracht en
sterkte van de wil en een groot vertrouwen in God. Dit zich op God verlaten,
wat een geweldige vrede meebrengt, zal alleen voortduren als we tegenover God
weerloos zijn. «Kind worden, dat is verzaken aan de hoogmoed, aan de
zelfgenoegzaamheid; erkennen dat wij alleen helemaal niets kunnen, want wij
hebben de genade nodig, de kracht van God onze Vader, om op weg te leren gaan
en om op die weg te volharden. Klein zijn eist zichzelf geven zoals kinderen
zich geven, geloven zoals kinderen geloven, bidden zoals kinderen bidden.»7
24.3 Dit
kinderleven is mogelijk als wij het laten wortelen in onze notie kinderen van
God te zijn. Het geheim van onze goddelijke afstamming, basis van ons
geestelijk leven, is een van de geheimen van de Verlossing. Nu reeds zijn
wij kinderen van God8 en het is
van groot belang ons deze wonderbaarlijke werkelijkheid bewust te worden, om
met God om te gaan met de geest van een kind, van een goede zoon of dochter. De
adoptie door God impliceert een geweldige omvorming. «Hierin gaat de adoptie
door God de menselijke adoptie te boven, dat God de mens die Hij als stiefkind
aanneemt, door het geschenk van de genade, geschikt maakt deel te hebben aan de
hemelse erfenis: de mens echter maakt diegene die hij adopteert niet geschikt,
maar eerder kiest hij voor adoptie uit wie al geschikt is.»9 Als kinderen van God zijn wij erfgenamen van de
hemelse glorie. Laten we ervoor zorgen een dergelijke erfenis waardig te zijn
en voor God een kinderlijke, tedere en oprechte vroomheid te hebben.
De weg van het geestelijk
kindzijn brengt met zich mee een in grenzeloos vertrouwen omgaan met God onze
Vader. In een gezin verklaart de ouder aan het kleine kind de buitenwereld;
het kind voelt zich zwak, maar weet dat zijn ouders hem zullen verdedigen en
daardoor leeft het vol vertrouwen. Het kind weet, dat het hem bij zijn ouders
aan niets zal ontbreken, hem geen kwaad zal overkomen. Zijn ziel en zijn geest
staan zonder vooroordelen of achterdocht open voor de stem van zijn ouders. Het
weet dat zijn ouders, ook al zijn anderen in hem teleurgesteld, als hij
thuiskomt nooit teleurgesteld zullen zijn, omdat zij het kind begrijpen.
Kinderen zijn niet
overdreven bang uitgelachen te worden, wat zoveel plannen schipbreuk doet
lijden. Zij hebben ook geen last van die vrees en dat verkeerde gevoel voor
menselijk opzicht die het gevolg zijn van hoogmoed en zorg om
wat-men-er-van-zal-zeggen. Een kind valt vaak, maar staat meteen en vlug weer
op. Voor wie leeft als een kind zijn dezelfde valpartijen en zwakten middelen
tot heiliging. Zijn liefde is altijd jong, omdat hij met gemak negatieve
ervaringen vergeet; hij houdt ze niet bij in de agenda van zijn ziel. Dat doet de
mens die de ziel van een volwassene heeft.
«Zij worden kinderen
genoemd -luidt het commentaar van de heilige Johannes Chrysostomus- niet
omwille van hun leeftijd, maar om de eenvoud van hun hart.»10 Eenvoud is
misschien de deugd die tegelijkertijd de samenvatting en samenhang is van de
andere aspecten van dat kinderleven dat de Heer van ons vraagt. Wij moeten zijn
-zegt de heilige Hiëronymus- «als het kind dat u ten voorbeeld gesteld wordt:
[...] denk niet aan de ene zaak en praat over de andere, zoals ook u doet, want
als gij niet die onschuld en zuiverheid van bedoeling zult hebben, zult gij het
rijk der hemelen niet binnentreden.»11
Eenvoud blijkt uit
vriendelijk, hartelijk, ongekunsteld gedrag
in de omgang met anderen. Deze deugd wordt het meest op prijs gesteld in
betrekkingen tussen mensen, maar je zoekt er soms vergeefs naar. Een
voortvloeisel van het leven als een kind is de volgzaamheid. «Kind, overgave
vraagt volgzaamheid.»12 Etymologisch
gezien is volgzaam wie geneigd en bereid is onderricht te worden. Zo moet de
katholiek staan tegenover de mysteries van God en de zaken die Hem aangaan. Hij
bezit daarover veel kennis en blijft in de geest open staan voor vorming, met
steeds het verlangen de waarheid te kennen. De persoon met een 'volwassen' ziel
meent van vele zaken verstand te hebben maar hij is in werkelijkheid een
onwetende. Hij denkt dat hij 'het weet', maar is vaak in de uiterlijke schijn
der dingen blijven steken en heeft de zaken zo weinig doordacht dan dat de
waarheid nog directe invloed op zijn handelen zou kunnen uitoefenen. Wanneer
God zo iemand ziet, ziet Hij diens totale gebrek aan werkelijkheidszin en zijn
gebrek aan kennis van de waarheid.
Wat zou het mooi zijn, als
we op een dag, als we eindelijk kinderen zijn, dingen zouden leren die heel
gewoon zijn voor een katholiek, zoals het onze-vader goed bidden, of echt
deelnemen aan de heilige Mis, of het dagelijks werk heiligen, of in de mensen
om ons heen zielen zien die zalig moeten worden of... Zoveel dingen die we
ontzettend vaak dachten te beheersen.
Laten we leren kinderen te
zijn voor God. «Dit alles leren wij uit de omgang met Maria [...]. Omdat Maria
Moeder is, leert de devotie tot haar ons kinderen te zijn, echt grenzeloos lief
te hebben, ongecompliceerd eenvoudig te zijn, zonder moeilijkheden die
voortkomen uit het egoïsme, het alleen aan onszelf denken. De devotie tot Maria
leert ons blij te zijn, in het besef dat ons niets kan overkomen wat onze hoop
teniet kan doen. Het begin van de weg die leidt naar de zoetheid van Gods liefde,
is een vertrouwvolle liefde tot de allerheiligste maagd Maria.»13
-1. Mc 10,13.
-2. Mc 10,14-16. -3. Mt 18,3. -4. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 857. -5. Mt
21,15-16. -6. H. Jozefmaria Escrivá,
o.c., 861. -7. Idem, Als
Christus nu langs komt, 143. -8. 1 Joh 3,2. -9. H. Thomas van Aquino, Summa
Theologiae, III, q23, a1, c. -10. H.
Johannes Chrysostomus, in Catena aurea, III, 20. -11. H. Hiëronymus, Commentaar op het
Matteüsevangelie 3,18,4. -12. H.
Jozefmaria Escrivá, De Weg, 871. -13. Idem, Als Christus nu langs komt, 143.
|