Vierde week. Dinsdag
29. Geestelijke Communies
-Het geloof van een zieke vrouw: als ik slechts de zoom van zijn mantel aanraak, zal
ik genezen worden. Wij ontmoeten Christus in de
heilige eucharistie. -Geestelijke communies. Verlangen om Christus te
ontvangen. -De sacramentele communie. Voorbereiding en dankzegging.
29.1 Heer, hoor mijn gebed, laat
mijn hulpgeroep tot U naderen, wend uw aanschijn niet van mij af thans, in het
uur van mijn nood; maar neig Gij tot mij uw oor; waar ik roep tot U, antwoord
mij ijlings.1
Het evangelie van de mis van vandaag2 verhaalt over de
wonderen die Jezus deed toen Hij opnieuw het meer overgestoken was, waarschijnlijk naar
Kafarnaüm. De heilige Lucas vertelt ons, dat allen op Hem stonden te wachten.3 Zij zijn blij,
Jezus weer bij zich te hebben. Hij ging onmiddellijk op weg naar de stad,
gevolgd door zijn leerlingen en door de menigte die Hem omringde.
Onder allen die zich rond Christus verdrongen,
bevond zich een aarzelende vrouw, die nu eens tot vlak bij Hem kwam, maar zich
dan weer wat terugtrok, terwijl ze telkens bij zichzelf herhaalde: Als ik slechts zijn kleren kan aanraken, zal ik al
genezen zijn. Ze leed al twaalf jaar aan
bloedvloeiing, en ze had alle menselijke middelen aangewend die tot haar
beschikking stonden: Zij had veel te
verduren gehad van een hele reeks dokters, en haar gehele vermogen uitgegeven. Maar op die dag begreep ze dat Jezus haar enige geneesmiddel was:
niet alleen van een ziekte die haar voor de wet onrein maakte, maar van haar
hele leven. Ze stak haar hand uit, en wist de zoom aan te raken van de mantel
van de Heer. Op dat moment bleef Jezus staan, en zij werd gewaar dat ze genezen
was.
Wie heeft mijn kleren
aangeraakt?, vroeg Jezus, terwijl Hij zich tot de
menigte rondom Hem richtte. Ik heb een
kracht van Mij voelen uitgaan.4 En op hetzelfde moment zag de vrouw, dat
die ogen die tot in het diepst van het hart doordrongen, op haar gericht waren,
en angstig en bevend, maar tegelijkertijd vervuld van vreugde, viel zij Hem te voet.
Ook wij hebben elke dag contact met Christus
nodig, omdat onze zwakheid groot en onze ziekten talrijk zijn. Door Hem te
ontvangen in de sacramentele communie komt deze ontmoeting met Jezus, verborgen
in de heilige hostie, tot stand. We ontvangen bij elke communie zoveel
weldaden, dat de Heer ons aanziet en tot ons kan zeggen: Ik heb een kracht van mij voelen uitgaan: een stortvloed van genade die ons met vreugde overspoelt, ons de
kracht geeft die we nodig hebben om door te gaan, en verbazing bij de engelen
wekt.
Als we tot Christus naderen, weten we dat we
voor een ondoorgrondelijk mysterie staan, en dat we zelfs bij de vurigste
communie niet waardig zijn Hem te ontvangen zoals Hij verdient. De heilige
eucharistie is de verborgen bron waaruit de ziel onbeschrijfelijk veel weldaden
verkrijgt, die verder reiken dan ons leven hier op aarde: Jezus komt ons in
onze nood te hulp, Hij snelt ons onmiddellijk, op onze smeekbede, tegemoet.
Onze groeiende vriendschap met Christus doet
ons verlangen naar het moment van de communie, om ons innig met Hem te
verenigen. We zoeken Hem met dezelfde ijver als die zieke vrouw, met alle
middelen die we ter beschikking hebben, zowel de natuurlijke als de
bovennatuurlijke, bijvoorbeeld door ons tot onze engelbewaarder te richten. Als
het soms, in verband met een reis, examens, werk enz., moeilijker voor ons is
om Hem te ontvangen, moeten we ons meer inspannen, vindingrijker zijn, meer
liefde tonen. We zullen Hem dan zoeken met de vastberadenheid waarmee Maria
Magdalena zich naar het graf spoedde, bij het aanbreken van de derde dag,
zonder zich te bekommeren om de soldaten die het graf bewaakten of de grote
steen die haar de toegang belette...
De heilige Catharina van Siëna gebruikt een
voorbeeld om duidelijk te maken hoe belangrijk het is, vurig te verlangen naar
de heilige communie. Laten we veronderstellen -zegt ze- dat verscheidene mensen
een kaars hebben, van verschillend gewicht en grootte. De eerste draagt een
kaars die een ons weegt; de tweede een van twee ons; de derde een van drie ons;
weer een ander persoon draagt een kaars die een pond weegt. Iedereen steekt
zijn kaars aan. Dan geschiedt, dat degene die de kaars van één ons heeft,
minder licht kan geven dan degene met de kaars van een pond. Hetzelfde gebeurt
met hen die te communie gaan. Ieder draagt een kaars, dat wil zeggen 'het
heilig verlangen', waarmee hij het sacrament ontvangt.5 Dit heilig
verlangen, een noodzakelijke voorwaarde voor een vurige communie, openbaart
zich in de eerste plaats in de ijver om elke vrijwillige dagelijkse zonde en
elk bewust gebrek aan liefde tot God, te vermijden.
29.2 We kunnen alle voorwaarden om de sacramentele communie altijd
vruchtbaar te ontvangen, samenvatten in één enkele: «hongeren naar de heilige
eucharistie.»6 Het hongeren en dorsten naar Christus is door niets te vervangen.
Dit levendige verlangen de Communie te
ontvangen, een teken van geloof en liefde, zal ons ertoe brengen vaak een
«geestelijke communie» te doen voordat we Hem in het sacrament ontvangen, en in
de loop van de dag, op straat, op ons werk of bij welke bezigheid ook. «De
geestelijke communie bestaat uit een vurig verlangen Jezus in het heilig
sacrament te ontvangen, en een liefdevolle omhelzing alsof we Hem reeds
ontvangen hadden.»7 In zekere zin verlengt zij de vruchten van onze voorafgaande
eucharistische communie, en bereidt ons voor op de volgende. Zij helpt ons
eerherstel te doen voor de keren dat we ons misschien niet voorbereid hebben
met de fijngevoeligheid en liefde die de Heer verwachtte, en ook voor al
degenen die de communie ontvangen terwijl ze in staat van doodzonde verkeren,
en voor allen die om de een of andere reden vergeten zijn dat Christus aanwezig
blijft in dit heilig sacrament.
«De geestelijke communie kan men doen zonder
dat iemand het ziet, zonder dat we nuchter hoeven te blijven, en men kan haar
op elk moment doen. Zij bestaat immers uit een akte van liefde. Het is genoeg
met heel ons hart te zeggen: [...] 'Ik geloof, mijn Jezus, dat U in het heilig
sacrament aanwezig bent; Ik houd van U en ik verlang er zeer naar U te
ontvangen; kom in mijn hart; ik omarm U; laat mij niet alleen.'»8 Of die andere,
die veel christenen hebben geleerd toen ze zich voorbereidden om Jezus voor de
eerste keer in hun hart te ontvangen: «Ik zou U willen ontvangen, Heer, met die
zuiverheid, nederigheid en toewijding waarmee uw allerheiligste Moeder u
ontving, met de geest en vurigheid van de heiligen.»9
We moeten in het bijzonder de geestelijke
communie bidden in de tijd vóór de heilige mis en de communie: als we 's avonds
naar bed gaan, als we wakker worden, als we ons voorbereiden om de nieuwe dag
te beginnen. Indien we ons inspannen en onze engelbewaarder om hulp vragen, zal
de eucharistie aldus ons hele bestaan leiden en «het centrum en hoogtepunt»10 worden waar heel
ons handelen op gericht is.
Laten we vandaag onze toevlucht nemen tot onze
engelbewaarder en hem vragen ons vaak in herinnering te brengen, dat Christus
nabij aanwezig is in de tabernakels van de stad of het dorp waar we wonen of
verblijven. Laten we Hem vragen om voor ons een overvloed aan genade te
verkrijgen, opdat van dag tot dag ons verlangen om Christus te ontvangen mag
toenemen, en onze liefde mag groeien, vooral gedurende die momenten waarop
Christus sacramenteel in ons hart verblijft.
29.3 Wij van onze kant moeten ons inspannen om tot Christus te naderen met
het geloof van die vrouw uit Galilea, met haar nederigheid, met het grote
verlangen om genezen te worden van het kwaad dat ons omringt. «Wie zijn wij om
Hem zo nabij te mogen zijn? Hij heeft ons, net als die vrouw in de menigte, een
kans geboden. En niet om een stukje van zijn kleed aan te raken of de rand van
zijn mantel even te beroeren, de zoom. Wij hebben Hem. Hij geeft Zich helemaal
aan ons, met Lichaam en Bloed, met Ziel en Godheid. Hij is ons dagelijks
voedsel, we spreken op heel vertrouwelijke voet met Hem, zoals een kind praat
met zijn vader, zoals we spreken met de Liefde.»11 Het is een realiteit, net als ons
bestaan, ons leven en de mensen die we elke dag op onze weg ontmoeten. Onder de
sacramentele gedaanten is het verheerlijkte Lichaam van Christus in ziel en
goddelijkheid reëel, waarachtig en
substantieel aanwezig; dezelfde Christus die werd
geboren uit de heilige Maria, die veertig dagen na zijn verrijzenis bij zijn
leerlingen bleef en die sinds zijn hemelvaart over ons aardse leven waakt.
De heilige communie is geen beloning voor het
beleven van de deugd, maar voedsel voor de zwakken en noodlijdenden; voor ons.
Onze Moeder de Kerk spoort ons aan vaak de communie te ontvangen, zo mogelijk
elke dag, en dringt tegelijkertijd erop aan dat we alles in het werk stellen om
routine, lauwheid, gebrek aan liefde te vermijden; dat we de ziel zuiveren van
de dagelijkse zonden door akten van berouw en door veelvuldig te biechten en
bovenal, dat we nooit te Communie gaan als we in staat van doodzonde verkeren,
zonder eerst het sacrament van verzoening ontvangen te hebben.12 Ten aanzien van
kleine fouten vraagt de Heer ons alles te doen wat we kunnen: berouw tonen én
gelijktijdig het verlangen ze verder te voorkomen. Behalve dat we onze ziel in
de juiste gesteldheid brengen door akten van geloof, hoop en liefde, moeten we
ons ook lichamelijk voorbereiden: tot een uur van te voren niets eten en met de
verschuldigde eerbied naderen, gepast gekleed, enz. Dat is het natuurlijke
gedrag van een christen die het verschuldigde respect wil tonen voor Degene aan
wie hij dit het meest verschuldigd is, en het is de consequentie van het geloof
van iemand die weet tot welke Maaltijd hij is uitgenodigd. «Ons hele uiterlijke
gedrag moet bij wie ons ziet de indruk wekken dat we ons op iets groots
voorbereiden.»13
Onze liefde voor Jezus, aanwezig in de heilige
eucharistie, zal tot uiting komen in de manier waarop we na de communie dank
zeggen; de liefde is vindingrijk en vindt eigen wegen om die dankbaarheid uit
te drukken. Dit gebeurt zelfs als de ziel volkomen verdord is. Dorheid is geen
lauwheid, maar liefde die beroofd is van gevoelens, maar die ons prikkelt om
ons meer in te spannen en de hulp in te roepen van onze bemiddelaars in de
hemel, zoals onze eigen engelbewaarder, die ons bij deze, evenals bij andere
gelegenheden, grote diensten zal bewijzen.
Zelfs onze verstrooidheid moet ons helpen om
vuriger te zijn als we God danken voor de onvergelijkbare goedheid van zijn
komst bij ons. In die minuten waarin we God zelf in ons binnenste hebben, dient
alles ons te helpen om de best mogelijke gesteldheid aan te nemen binnen al
onze beperkingen.
Onze Lieve Vrouw zal ons helpen onze ziel voor
te bereiden met die zuiverheid,
nederigheid en toewijding waarmee zij Hem heeft
ontvangen na de aankondiging van de engel.
-1. Ps 102,2-3. -2. Mc 5,21-43. -3. Vgl. Lc 8,40-56. -4. Lc 8,46. -5. Vgl. H. Catharina van Siëna, Dialoog. -6. R. Garrigou-Lagrange o.p., Het zieleleven van den christen, I. -7. H. Alfonsus van
Liguori, Bezoeken aan het
Allerheiligste Sacrament. -8. Ibidem. -9. Vgl. A. Vázquez de Prada, El fundador del Opus Dei, 1983, bl. 52-53. -10. Vaticanum ii,
Decr. Ad
gentes, 9. -11. H.
Jozefmaria Escrivá, Vrienden
van God, 199. -12. Vgl. 1 Kor 11,27-28; Paulus vi, Instr. Eucharisticum Mysterium, 37. -13. H. Pastoor van
Ars, Preek over de Communie.
|