Vijfde zondag door het jaar (C)
36. geloof en gehoorzaamheid in het apostolaat
-Geloof en gehoorzaamheid zijn onontbeerlijk
in het apostolaat. -De Heer roept ons allen om Hem van nabij te volgen en
apostelen te zijn midden in de wereld. De daadkracht van ons apostolaat hangt
af van onze eenheid met Christus. -Onmiddellijke bereidheid van de apostelen om
de Heer te volgen. Hij roept ons ook. Hij zal ons alle hulp geven die we nodig
hebben. Hij zal ons leven en ons hart zuiveren om goede instrumenten te zijn.
36.1 De heilige Lucas verhaalt1 dat Jezus bij het meer van Genesaret was, waar zoveel wonderen
plaatsgevonden hebben en waar zoveel genade door de Zoon van God werd
uitgestort. De mensen drongen zo rond Hem op, dat er geen plaats was om te
prediken. Daarom stapte Hij in een bootje en vroeg een beetje van de oever af te roeien,
zodat Hij tot de menigte kon spreken die op de oever verbleef.
De boot van waaruit de Heer preekte was
eigendom van Petrus, die Jezus reeds eerder ontmoet had en die Hem op een van
zijn tochten vergezeld had. Christus koos met opzet voor zijn boot. Jezus gaat
een steeds belangrijkere plaats in het leven van Petrus innemen en Hij bereidt
hem voor op zijn definitieve overgave als apostel. God doet dit met elke
roeping, met elke ziel, waarin Hij diep wil doordringen. Vele uiteindelijke
genaden hebben een lange geschiedenis gekend, een diepgaande voorbereiding van
Gods kant. Zulk een voorzichtige en liefdevolle voorbereiding, dat we die soms
kunnen verwarren met natuurlijke feiten, met normale gebeurtenissen.2
De prediking is voorbij; misschien voelt Petrus
zich voldaan, dat hij zijn boot aan de Meester heeft uitgeleend. Zo mogen wij
er ook over denken. En dan, wanneer Jezus tot de menigte heeft gesproken,
vraagt Hij Petrus de riemen te nemen en naar dieper water te roeien.
Het was geen succesvolle dag geweest. Jezus had
hen aangetroffen terwijl ze de netten aan het schoonmaken waren na een nacht
van nutteloos zwoegen. Ze moeten moe geweest zijn, want het was zwaar werk. De
netten (die 400 tot 500 meter groot waren) waren gemaakt volgens een patroon
dat als het ware een soort fijn netwerk vormde, dat weer verdeeld was in drie
kleinere netten; ze moesten tot op de bodem van het meer neergelaten worden en
er waren minstens vier mannen nodig om elk net weer op te halen.
Petrus vertelt aan de Heer, dat ze de hele
nacht gewerkt hadden en niets gevangen hadden. «Het antwoord lijkt plausibel.
Zij visten gewoonlijk 's nachts en uitgerekend deze keer had de nacht niets
opgeleverd. Wat voor zin had het overdag te vissen? Maar Petrus geloofde: Op uw woord zal ik de
netten uitgooien (Lc 5,5). Hij besloot te handelen
zoals Christus hem had voorgesteld.»3 Hoewel ze
moe waren en het geen visser was die de opdracht gaf te gaan vissen, en dat aan
vissers die zeer wel wisten welk een verkeerd tijdstip het was om te vissen en
ook dat er geen vis in de buurt was, namen zij de netten ter hand. Enkel en
alleen in geloof, puur uit vertrouwen in de Meester; de elementen die de
visvangst al dan niet raadzaam maakten zijn terzijde geschoven. Ze gaan weer
aan het werk, en wel om reden van het geloof van Petrus in zijn Meester. Simon
vertrouwt en gehoorzaamt zonder meer.
In het apostolaat zijn geloof en gehoorzaamheid
onontbeerlijk. Welk nut hebben onze inspanningen, onze menselijke middelen,
onze slapeloze nachten of zelfs onze verstervingen als ze gescheiden worden van
hun bovennatuurlijke zin? Zonder gehoorzaamheid is alles in de ogen van God
nutteloos. Het zou geen nut hebben volhardend met een mensenwerk bezig te zijn,
als we niet zouden rekenen op God. Zelfs het meest waardevolle van ons werk zou
vruchteloos blijven als we niet Gods wil wensen te vervullen: «God heeft niet
onze werken nodig, maar onze gehoorzaamheid»4, leert de heilige Johannes Chrysostomus
ons kort en bondig.
36.2 Petrus
volbracht de opdracht van de Heer, en ze vingen zulk een massa vissen in hun netten, dat
deze dreigden te scheuren. Als
we ons laten leiden door ons geloof, zal de taak die we uitvoeren overvloedige
vruchten voortbrengen. Petrus had zelden, misschien wel nooit, zoveel gevangen
als toen, en dat terwijl alle menselijke aanduidingen op de nutteloosheid van
de onderneming wezen.
Dit wonder bevat een fundamentele les: alleen
als we onze eigen nutteloosheid erkennen en op de Heer vertrouwen -en daarbij
tegelijkertijd alle beschikbare menselijke middelen aanwenden- zal het
apostolaat effectief zijn en talrijke vruchten voortbrengen, want «alle
vruchtbaarheid van het apostolaat is afhankelijk van de levende vereniging met
Christus.»5
In deze vissen ziet Christus een nog
overvloediger vangst in de loop van de eeuwen. Elke leerling zal een nieuwe
visser worden die zielen naar het koninkrijk van God zal leiden. «En bij deze
nieuwe soort visvangst zal het goddelijk resultaat opnieuw blijken: de
apostelen zullen vruchtbare werktuigen zijn, ondanks hun eigen kleinheid.»6
Petrus staat versteld bij het wonder. In een
oogwenk ziet hij alles overduidelijk: de almacht en wijsheid van Christus, zijn
eigen roeping en onwaardigheid. Hij viel Jezus te voet zodra ze aan land gingen
en zei tot Hem: Heer, ga van mij weg,
want ik ben een zondig mens. Hij erkent de
verhevenheid van Christus, zijn eigen armzaligheid en zijn onvermogen de taak
te volbrengen die hij reeds voelt aankomen. Maar tegelijkertijd vraagt hij de
Heer altijd bij hem te blijven: zijn gebreken en geringe waarde brengen hem
niet van zijn taak af. Hij weet reeds, dat hij met Christus alles kan. Dan
neemt de Heer alle vrees van hem weg en onthult hem volkomen helder de nieuwe
zin van zijn leven: Wees niet
bevreesd, voortaan zult ge mensen vangen. Jezus
gebruikt het beeld van zijn beroep, waar Hij hem is komen zoeken om hem zijn
zending als apostel te doen ontdekken. «De ervaring van Gods heiligheid en van
onze situatie als zondaars scheidt de mens niet van God, maar brengt hem
dichter bij Hem. Meer nog, een mens die zich bekeerd heeft wordt tot belijder
en apostel. Gods bedoelingen zijn voor hem nabij en beminnelijk. Zijn leven
krijgt zo zijn diepste zin en waarde.»7
De Heer roept ons allen om apostel te zijn te
midden van de wereld: of we nu achter een computer zitten of achter de ploeg
lopen, in een grote stad of in een klein dorp wonen, vijf talenten hebben
gekregen of slechts drie. Jezus wil geen tweederangs volgelingen hebben. Hij
roept ons allen, opdat wij door een heilig leven en menselijke voorbeeldigheid
zijn instrumenten zijn in een wereld die Hem lijkt te willen ontvluchten. «Alle
gelovigen, tot welke levensvorm en -staat zij ook behoren, elk langs zijn weg,
zijn door de Heer geroepen tot de volmaakte heiligheid, die niets anders is dan
de volmaaktheid van de Vader zelf.»8 En «de eigen roeping van de leken ligt
hierin, dat zij het rijk van God zoeken juist door de tijdelijke
aangelegenheden te behartigen en volgens de wil van God te regelen.»9 De Heer roept de
christenen en de meesten van hen plaatst Hij in een bepaalde
beroepsuitoefening, opdat zij Hem daar ontmoeten, door die taak met menselijke
volmaaktheid en tegelijkertijd met bovennatuurlijke betekenis te vervullen:
door hun werk aan God op te dragen, door iedereen hun naastenliefde te betonen,
door gelegenheden tot kleine verstervingen te benutten, door Gods aanwezigheid
te zoeken...
36.3 De roeping van God -en Hij roept ons allen- is op de eerste plaats een
goddelijk initiatief, maar vraagt wel om een menselijke reactie: Niet gij hebt Mij uitgekozen, maar Ik u.10 En misschien ontdekken we dat we niet
waardig zijn zo dicht bij Christus te zijn, of dat we ons
ongeschikt achten om werktuigen van de genade te zijn. Dat is de situatie waarin elk mens verkeert die
in het diepste van zijn ziel een sterke en dwingende roepstem
van God verneemt. Zo roept de profeet Jesaja uit --zoals de eerste lezing van
de mis van vandaag ons toont-11, wanneer hij de nabijheid van Gods majesteit gewaarwordt: Wee mij! Ik ben verloren! Ik ben een mens met
onreine lippen, ik woon onder een volk met onreine lippen en ik heb
met eigen ogen de Koning, Jahwe van de machten, gezien! Maar God kent onze kleinheid, en zoals Hij Jesaja en zoveel mannen en vrouwen die Hij tot
zijn dienst riep gezuiverd heeft, zo zal Hij ook onze
lippen en harten reinigen. En een van
de serafs
vloog op mij toe met een gloeiende kool [...], hij raakte
er mijn mond mee aan en sprak: Zie, nu zij uw lippen heeft aangeraakt, is uw
zonde verdwenen, en uw schuld bedekt. De Heer
vergeeft ons in de biecht, en we zuiveren onszelf met name door de
boetedoening.
Ze brachten de boten aan
land en lieten alles achter om Hem te volgen, zo
verhaalt het evangelie verder. Nadat ze Christus
hadden aanschouwd, hoefden ze niet lang
meer na te denken. Meestal zijn resolute beslissingen die iemands leven
wijzigen, niet het resultaat van lang wikken en wegen. Vanaf die tijd zou het
leven van Petrus een ontzaglijk groot doel krijgen: Christus beminnen en visser van mensen zijn. Al het andere in zijn leven zou «middel en instrument voor dit doel» zijn.
«Ik durf te stellen, dat de Heer ook van ons werktuigen zal maken, als we elke
dag slag leveren om de heiligheid te bereiken in ons gewone leven, op onze
eigen plaats midden in de wereld en in de uitoefening van ons beroep;
werktuigen die wonderen kunnen verrichten, ook de meest uitzonderlijke als daar
behoefte aan is.»12
De Heer richt zich ook tot ieder van ons, opdat
we ons gedrongen voelen Hem als trouwe leerlingen van nabij te volgen te midden van onze opdrachten en we in onze
eigen omgeving een gedurfd apostolaat beoefenen, vol geloof in het woord van Christus: «Duc in altum. Kies het ruime sop!
Schud het pessimisme, dat je laf maakt van je af. Et laxate retia vestra in capturam. En werp je netten uit voor de vangst. -Weet je niet, dat je met Petrus kunt zeggen: In nomine tuo, laxabo rete. Jezus, in uw naam zal ik op zoek gaan naar zielen?»13
Wanneer we de
figuur van Petrus beschouwen, kunnen ook wij tot Jezus zeggen: Heer, ga weg van mij,
want ik ben een arme zondaar.
En tegelijkertijd smeken we Hem, dat wij nooit van Hem gescheiden mogen worden,
dat Hij ons helpt het ruime sop te kiezen, in vriendschap met Hem, in heiligheid, in een oprecht
apostolaat zonder aanzien des persoons, vol van geloof, want in ons persoonlijk
gebed weten we de stem te horen van de Heer,
die ons aanspoort en aandringt zielen tot Hem te brengen. «En zonder dat
u -door uw eigen armzaligheid- het kunt
verklaren, zullen ze uit uw omgeving naar u toe komen en in een
vanzelfsprekend gesprek, gewoon na het werk, bij een familiebijeenkomst, in trein of bus, tijdens een wandeling, waar dan
ook, met u praten over de onrust die ieder in zijn binnenste heeft, hoewel
sommigen dat niet duidelijk beseffen. Ze zullen die onrust pas begrijpen, als
ze op weg gaan om God echt te zoeken.
»Vraag aan Maria, Regina apostolorum, de vaste wil deel te
hebben aan het verlangen naar 'oogst en vangst' dat zindert in het hart van
haar Zoon. Ik verzeker u, dat u -als u begint- net als de vissers uit Galilea
zult zien, dat uw boot tot over de rand gevuld zal worden. En u zult ook
Christus zien die op het strand op u wacht. Want de vangst is van Hem.»14
-1. Lc 5,1-11. -2. Vgl. F. Fernández, El evangelio de San Lucas, Madrid 1981. -3. H. Jozefmaria
Escrivá, Vrienden van God, 261. -4. H. Johannes
Chrysostomus, Homilieën over
Matteüs, 56. -5 Vaticanum ii,
Decr. Apostolicam actuositatem, 4. -6. H. Jozefmaria
Escrivá, Vrienden van God, 261. -7. Johannes
Paulus ii, Homilie, 6 februari 1983. -8. Vaticanum ii,
Dogm. const. Lumen gentium, 11. -9. Ibidem, 31. -10. Joh 15,16. -11. Jes 6,1-8. -12. H. Jozefmaria
Escrivá, Vrienden van God, 262. -13. Idem, De Weg, 792. -14. Idem,
Vrienden van God, 273.
|