Eerste week. Zaterdag
11. GEROEPEN TOT HEILIGHEID
-God roept iedereen tot heiligheid. -«Het eigen werk
heiligen; zich heiligen door het werk; anderen heiligen met het eigen werk.»
Als we de maatschappij willen veranderen, hebben we mensen nodig die heilig
zijn. -Heiligheid en gewoon apostolaat, middenin de wereld. Voorbeeld van de
eerste christenen.
11.1 Weest dus
volmaakt, zoals uw Vader in de hemel volmaakt is1, lezen we in het evangelie van
vandaag.
In deze veertig dagen van
voorbereiding op het paasfeest houdt de Kerk ons opnieuw op verschillende
manieren voor, dat God van ons meer verwacht - Hij verwacht dat we in alle
ernst besluiten onzerzijds te strijden voor de heiligheid.
Weest volmaakt... De Heer spreekt niet alleen tot de
apostelen, maar tot allen die werkelijk zijn leerlingen willen zijn. Niet voor
niets wordt ons gezegd dat toen Jezus deze toespraak geëindigd had, het volk
buiten zichzelf van verbazing was over zijn leer.2 Deze volksmenigten bestonden uit
moeders, vissers, handwerkslieden, rechtsgeleerden, jonge mensen... Zij begrepen
Hem allemaal en waren buiten zichzelf van verbazing, want de Heer
spreekt tot ieder van hen afzonderlijk. De Heer legt een zware claim op ieder
van hen, in overeenstemming met ieders eigen omstandigheden. De Meester roept
allen tot heiligheid, ongeacht leeftijd, beroep, ras of maatschappelijke
positie. Er zijn geen volgelingen van Christus die geen christelijke roeping
hebben, een persoonlijke roeping tot heiligheid. In Hem heeft Hij ons
uitverkoren vóór de grondlegging van de wereld om heilig en vlekkeloos te zijn
voor zijn aangezicht3, zoals de heilige Paulus opnieuw aan de eerste christenen
van Efeze moest voorhouden. Als we dit doel willen bereiken zullen we ons ons
hele leven hier op aarde moeten inspannen. Laat de vrome volharden in zijn
deugd, laat de heilige nog heiliger worden.4
Deze leer over de universele roeping tot heiligheid was,
vanaf 1928, een van de centrale punten in de prediking van de heilige Jozefmaria
Escrivá, die ons in onze eigen tijd er op alle mogelijke manieren aan
herinnerde dat -door het doopsel- de christen geroepen is tot de volheid van
het christelijk leven: de heiligheid.
Het Tweede Vaticaans Concilie heeft deze aloude evangelische
leer opnieuw geformuleerd voor de hele Kerk: een christen is geroepen tot
heiligheid, gewoon op de plaats die hij bekleedt in de maatschappij. «Alle
gelovigen van iedere staat en stand, elk volgens zijn eigen weg, worden door de
Heer geroepen volmaakt en heilig te zijn, zoals de Vader zelf volmaakt is.»5 Alle gelovigen,
dat betekent iedere gelovige, zonder uitzondering.
God roept alle christenen Hem te vinden waar ze ook zijn, als
zij hun bezigheden verrichten middenin de wereld. Hij roept hen hun taak met
menselijke volmaaktheid uit te voeren en tegelijkertijd met een
bovennatuurlijke visie. Zij zijn geroepen dat aan God te offeren, in liefde te
leven met de mensen om zich heen, zich te versterven. Geroepen in Gods
aanwezigheid te leven.
Als we nu in ons gebed spreken met God, kunnen we ons
afvragen of we Hem vaak genoeg bedanken omdat Hij ons roept Hem van nabij te
volgen. We kunnen ons afvragen, of we beantwoorden aan de genaden die we
gekregen hebben bij onze strijd om alle deugden op een oprechte en stipte manier
te verwerven. Zijn we op onze hoede voor alle gemakzucht, die de dood is voor
elk verlangen naar heiligheid en de ziel, gehuld in middelmatigheid, in een
staat van lauwheid achterlaat? Het is niet voldoende alleen maar goed te willen
zijn. We moeten een welbesloten poging doen heilig te worden.
11.2 Weest dus volmaakt, zoals uw Vader in de
hemel volmaakt is. Wij kunnen en moeten heilig worden, met een steeds
toenemende liefde tot God en omwille van God tot andere mensen; door middel van
de alledaagse dingen die we keer op keer doen, met schijnbare eentonigheid.
«Het is om God te beminnen en te dienen niet nodig bijzondere dingen te doen.
Tot alle mensen, zonder uitzondering, richt Christus zijn oproep om volmaakt te
zijn, zoals zijn hemelse Vader volmaakt is. Heilig worden betekent voor veruit
de meeste mensen hun eigen werk te heiligen, zichzelf en de anderen door het
werk te heiligen, en daardoor elke dag God op hun levensweg te ontmoeten.»6
Wie zijn werk, elke eerbare
taak, wil omzetten in heiligheid, moet zijn werk nederig en goed doen. Je kunt
God niet iets aanbieden dat onvolkomen is, dan schept Jahwe geen behagen in
u.7 Werk dat goed
gedaan wordt, veronderstelt dat er zorg geweest is voor de kleine
verplichtingen die ieder vak of beroep met zich meebrengen. We moeten strikt in
overeenstemming met de deugd van rechtvaardigheid tegenover andere mensen staan
en tegenover de maatschappij als geheel. We moeten het onmiddellijk goedmaken
als we iemand met wie of voor wie we werken gekwetst hebben. We moeten zonder
ophouden trachten onze manier van werken te verbeteren. Dit is van evenveel
belang voor de zakenman als voor de student. Het geldt ook voor de arts en voor
de moeder die thuis haar gewone huishoudelijk werk doet.
Heiligheid zal ons ertoe
brengen van ons werk een gelegenheid en een plaats te maken om met God te
spreken. Als we dit willen doen, moeten we het, voor we beginnen, aan God
opdragen en dit offer telkens hernieuwen door alle ermee gepaard gaande
omstandigheden goed te gebruiken. Bij het doen van ons werk zullen we veel
gunstige momenten ontdekken om kleine verstervingen op te dragen die ons
innerlijk leven zullen verrijken; en momenten om het werk zelf dat we doen op
te dragen. Het zal ons ook gelegenheden verschaffen de natuurlijke en de
bovennatuurlijke deugden te beoefenen.
Ons werk kan zijn en zou moeten zijn het middel om andere
mensen naar Christus te brengen. Sommige beroepen hebben rechtstreekse invloed
op het maatschappelijk leven, onderwijs geven, werkzaam zijn bij media of
overheid... Er is geen baan die niets te maken heeft met de leer van Jezus
Christus. Voor zeer technische problemen in een bedrijf en voor de wijze waarop
een moeder het huishouden voert, zal er een scala van oplossingen zijn. De
oplossingen die een christen kiest, zullen soms volstrekt verschillend zijn van
die van een heiden. Een mens zonder geloof heeft altijd een onvolledige kijk op
de wereld. De christelijke gedragslijn zal soms in botsing komen met de
heersende tendensen, of zal niet in overeenstemming zijn met de aanvaarde
praktijken van collega's binnen hetzelfde beroep. Deze omstandigheden zijn
uitermate geschikt Christus uit te dragen, door een deugdelijk voorbeeld van
christelijk leven te geven. Hoe meer de wereld verklaart God niet nodig te
hebben, hoe wanhopiger zij God zoekt. Als wij, als christenen, strijden om
Christus in alle ernst na te volgen, dragen we Hem uit, maken we Hem bekend.
«Een geheim. -Een publiek geheim: deze wereldcrises zijn even
zovele vragen naar heiligen. God wenst een handvol van 'Zijn' mensen in iedere
menselijke activiteit. -En dan... 'pax Christi in regno Christi', de vrede van
Christus in het rijk van Christus.»8
Het werk heiligen. Heilig worden door het werk. Anderen heiligen
met het werk.
11.3 De eerste christenen overwonnen veel
hindernissen door hun vastberadenheid en hun liefde voor Christus. Zij hebben
ons zo de weg gewezen. Hun trouw aan Gods leer was sterker dan de
materialistische en vaak vijandige sfeer waarin zij moesten leven. Zij bevonden
zich in het hart van de samenleving en zij probeerden niet zich af te zonderen
om mogelijke besmetting te vermijden of hun bestaan veilig te stellen. Zij
waren er volledig van overtuigd, dat zij Gods gist waren en hun stille, maar
succesrijke actie veranderde uiteindelijk die hele vormloze massa. «Zij wisten
vooral op welke wijze zij sereen aanwezig konden zijn in de wereld en begrepen,
waarom zij de waarden ervan niet moesten versmaden, de aardse werkelijkheden
niet moesten minachten. 'Al in onze dagen vullen wij de wereld', zegt
Tertullianus. En de christelijke aanwezigheid die zich tot alle sociale milieus
uitstrekte en werkelijk belang hechtte aan alle waardevolle en eerzame zaken in
die milieus, is erin geslaagd al die milieus en zaken te doordrenken met een
nieuwe geest.»9
Met Gods hulp zal de christen vurig trachten elk alledaags
ding te veranderen in iets edels en waardevols. Hij zal trachten alles wat hij
aanraakt te veranderen, niet in goud zoals de legendarische koning Midas deed,
maar in genade en glorie. De Kerk herinnert ons aan het belang middenin de
wereld aanwezig te zijn, om alle menselijke werkelijkheden op God te betrekken.
Dit zal alleen lukken, als we door gebed en het ontvangen van de sacramenten
met Christus verenigd blijven. Zoals de tak met de wijnstok verbonden is, zo
moeten wij met Hem verbonden zijn, elke dag.10
«Herauten van het evangelie hebben we nodig, deskundigen op
het gebied van menselijkheid, die de diepte van het hart van de mens van
vandaag kennen, die zijn vreugden en verwachtingen delen, zijn zorgen en
verdriet, en die tegelijk contemplatieve mensen met liefde tot God zijn.
Hiervoor zijn nieuwe heiligen nodig. We moeten smeken de geest van heiligheid
in de Kerk te doen toenemen en ons heiligen te zenden om het evangelie te
verkondigen in de wereld van vandaag.»11 Deze zelfde gedachte werd ook tot uitdrukking
gebracht in de buitengewone bisschoppensynode van 1985 toen een overzicht werd
gegeven van de situatie in de Kerk: «Wij moeten in de huidige tijd God ernstig
en vurig smeken om heiligen.»12
De christen moet 'een andere Christus' worden. Dat is de grote
sterkte van het getuigenis van de christenheid. Als een korte samenvatting van
Jezus' leven werd gezegd, dat Hij weldoende rondging.13 Het zou toch
mogelijk moeten zijn dat van ieder van ons hetzelfde gezegd wordt als we Hem
echt proberen na te volgen. «De Heer Jezus, de goddelijke leraar en het
Toonbeeld van alle volmaaktheid, heeft aan al zijn leerlingen zonder
uitzondering, van iedere staat of stand, de heiligheid van leven, waarvan
Hijzelf de maker en het einddoel is, voorgehouden: Weest dus volmaakt, zoals
uw Vader in de hemel volmaakt is. (Mt 5,48)...
Het is dus voor iedereen duidelijk, dat alle gelovigen van iedere staat of
stand geroepen zijn tot de volheid van het christelijk leven en tot de
volmaaktheid van de liefde, en door deze heiligheid wordt ook de burgerlijke
maatschappij meer menselijk in haar manier van leven.»14
-1. Mt 5,48. -2. Mt 7,28. -3. Ef
1,4. -4. Apok 22,11. -5. Vaticanum ii,
Dogm. Const. Lumen Gentium, 11. -6. Gesprekken met Mgr. Escrivá,
55. -7. Vgl. Lev 22,20. -8. H.
Jozefmaria Escrivá, De Weg, 301. -9. J.
Orlandis, La vocación cristiana del hombre de hoy, Rialp,
Madrid 1973, bl. 48. -10. Vgl. Joh 15,1-7. -11. Johannes Paulus ii, Toespraak, 11 oktober 1985.
-12. Buitengewone Bisschoppensynode
1985, Slotverklaring, II, A, 4. -13. Hnd 10,38. -14. Vaticanum ii, Dogm. const. Lumen
Gentium, 40.
|