Dertiende
week door het jaar. Vrijdag
53. Gewoonlijke Verstervingen
-Verstervingen zijn het resultaat van liefde, en op hun
beurt voeden zij de liefde. -Verstervingen die voor anderen het leven
plezieriger maken. -Andere verstervingen. Een geest van versterving.
53.1 In het evangelie van de mis1 van vandaag vertelt de heilige Matteus ons dat,
nadat hij gehoor gegeven had aan Jezus' oproep, hij in zijn eigen huis een
maaltijd voor Hem bereidde. Al de andere leerlingen, en vele tolbeambten en
zondaren die wellicht levenslange vrienden van hem waren, kwamen naar de
maaltijd. Toen de Farizeeën dit zagen, zeiden ze: Waarom
eet uw Meester met tollenaars en zondaars? Jezus hoorde wat zij zeiden
en Hij gaf hun zelf antwoord. Hij zei hun dat het niet de gezonden zijn die een
dokter nodig hebben, maar die ziek zijn. Dan maakte Hij enkele woorden van de
profeet Hosea tot de zijne: Want vroomheid wens Ik, geen
offergaven, en liefde voor God, meer dan brandoffers.2 De Heer weigert niet de offers aan Hem opgedragen te
aanvaarden. Hij staat er echter op dat zulke offers gepaard moeten gaan met de
liefde die zijn oorsprong heeft in een goed hart, want het is de naastenliefde
die leven moet geven aan al het doen en laten van een christen, in het
bijzonder aan zijn aanbidding van God.3
Die Farizeeën, die trouw de Wet vervulden, lieten hun offergaven
niet vergezeld gaan van de zoete geur van liefde ten aanzien van hun naaste of
met liefde voor God. Ergens anders zou de Heer met de woorden van de profeet
Jesaja zeggen: Dit volk nadert Mij wel met de mond, en eert
Mij met de lippen, maar zijn hart is ver van Mij. Gedurende die maaltijd
in het huis van Matteus wordt het uit hun vragen overduidelijk dat zij in de
verste verte de andere gasten niet begrijpen, en dat zij geen inspanning doen
om hen in enig opzicht dichter bij God te brengen of tot de Wet die zijzelf zo
getrouw onderhouden. Hun visie is bekrompen, en hun manier van oordelen mist
liefde. «Ik heb liever deugden dan strengheid, zegt Jahweh in andere
bewoordingen tot het uitverkoren volk, dat zichzelf iets wijs maakt door
bepaalde uiterlijke vormelijkheden in acht te nemen. -Daarom moeten we boetvaardigheid
beoefenen en aan versterving doen, als blijk van onze echte liefde tot God en
tot de naaste.»4
Onze liefde voor God wordt uitgedrukt door onze akten van
aanbidding. Maar er wordt ook blijk van gegeven in ons doen en laten van de
hele dag, dat alles moet bezielen, in het bijzonder door kleine verstervingen,
en dat wij ons verlangen om onszelf te vergeten en Hem in alles te behagen aan
de Heer opdragen.
Als wij, diep in ons, deze gesteldheid niet hebben, zal het
loutere feit van het herhalen van bepaalde daden waardeloos zijn, want zij
zullen beroofd zijn van enige ware betekenis; de kleine offers die wij elke dag
aan de Heer proberen op te dragen hebben hun oorsprong in de liefde, en op hun
beurt voeden zij deze liefde.
De geest van versterving die God verlangt is niet iets
negatiefs of onmenselijks.5 Het is niet een
houding van het verwerpen van wat goed en edel is in het gebruik en het zich
verheugen in de goede dingen van de aarde. Het is integendeel een blijk geven
van bovennatuurlijk meesterschap over het lichaam en over alle geschapen dingen
- over materiële dingen, menselijke verhoudingen, werk; versterving is niet gewoonweg
ontbering, of het nu een vrijwillige versterving is of die andere soort
versterving die we niet hebben gezocht: het is integendeel een uiting van
liefde, want «nood lijden is iets dat iedereen kan overkomen, maar weten hoe
het te verdragen behoort de grote zielen toe.»6 Het behoort bij de zielen die veel hebben liefgehad.
Versterving is niet eenvoudigweg matigheid. Het is niet enkel
een zaak van onze zintuigen onder controle houden en van het vermijden van
onevenwichtigheid als gevolg van wanorde en overdaad. Het is ware zelfverloochening.
Het maakt plaats in onze zielen voor bovennatuurlijk leven, dat een voorsmaak
is van de heerlijkheid waarvan ons de openbaring te wachten
staat.7
53.2 In
liefde heb ik behagen, en niet in brandoffers. Daarom moet onze
versterving, meer dan waar ook, beleefd worden in die dingen die de verhouding
en de omgang met andere mensen beïnvloeden. Onze houding behoort er altijd een
te zijn van barmhartigheid, precies zoals de houding van de Heer tegenover de
mensen die Hij overal waar Hij heenging ontmoette. Onze versterving krijgt zijn
stimulans en doelstelling van de achting die wij hebben voor hen waarmee we
dagelijks in contact zijn, zij het thuis, op het werk of voor een andere reden
weg van huis. Het brengt ons ertoe in dit leven de zaken voor hen aangenamer te
maken. In het bijzonder brengt het ons ertoe mensen te helpen die nog groter
fysiek of moreel lijden hebben te dragen; wij willen hun kleine diensten
bewijzen of ons onthouden van een klein genoegen als we hen op die manier
kunnen helpen.
Onze geest van versterving zal ons ertoe brengen ieder gebrek
aan optimisme dat onvermijdelijk andere mensen zou beïnvloeden, te overwinnen.
Wij zullen ons inspannen te glimlachen zelfs als we het zelf moeilijk hebben.
We zullen proberen alles te vermijden wat, hoe onbetekenend ook, degenen die
ons het naast staan kan irriteren; zo ook anderen te vergeven en
verontschuldigingen voor hen te vinden. Op deze manier zullen wij afsterven aan
de eigenliefde die zo diep in ons wezen is geworteld. We zullen leren nederig
te zijn. Deze gesteldheid die ons gewoonlijk tot een bron van vreugde maakt
voor anderen, kan alleen de vrucht zijn van een diepe geest van versterving,
want «velen vinden misschien het opgeven van eten en drinken en een zacht bed
niet te moeilijk; maar het verdragen van belediging, onrecht of grievende
woorden: dat is iets waarvoor weinigen in de wieg zijn gelegd.»8
Even goed als deze verstervingen die naar de naastenliefde
verwijzen, verlangt God van ons dat wij weten hoe Hem in al die dingen te
vinden die Hij toestaat te gebeuren, en die tegen onze sympathieën en
voorkeuren kunnen ingaan en onze plannen in de war sturen. Deze staan bekend
als passieve verstervingen. Zij kunnen de vorm
aannemen van een ernstige ziekte, van problemen in het gezin waarvoor geen
gemakkelijke oplossing schijnt te bestaan, of een grote tegenslag op het werk;
maar wellicht vaker, inderdaad waarschijnlijk iedere dag, komen we kleine
dingen tegen die ons ergeren en die we niet hadden verwacht, zij het op het
werk, in ons gezinsleven of in het uitvoeren van de plannen die we voor een
bepaalde dag hebben gemaakt. Dit zijn kansen om God te vertellen dat we van Hem
houden, juist door precies die dingen te aanvaarden waarvoor wij bij de aanvang
mischien zijn teruggeschrokken. Wanneer wij die bepaalde tegenslag -zij het
groot of klein- met liefde aanvaarden en aan God opdragen, ervaren we vrede en
vreugde te midden van verdriet. Als we het niet aanvaarden, geraakt onze ziel
als het ware uit balans en wordt bedroefd, of anders ervaren wij een innerlijke
opstandigheid die alleen dient om ons van God en van andere mensen te verwijderen.
Een ander gebied van versterving waarin wij onze liefde voor
God kunnen laten zien, is de voorbeeldige vervulling van onze plicht; door
intensief te werken; door onplezierige taken niet voor later te bewaren; door
te vechten tegen geestelijke luiheid; door zorg te hebben voor kleine zaken:
orde, stiptheid enz.; door de taak van iemand die naast ons werkt te
vergemakkelijken; door de vermoeidheid die al het harde werk met zich meebrengt
op te offeren. Door deze kleine overwinningen op onszelf, in ons werk en in
onze betrekkingen met andere mensen -bij iedere mogelijke gelegenheid- zijn we
in staat te laten zien dat we God boven alle dingen liefhebben, en in het
bijzonder dat we meer van Hem houden dan van onszelf. Door middel van deze
verstervingen tillen wij onszelf naar Hem op; door ze niet te doen, blijven we
aan de grond genageld. Die kleine verstervingen die wij gedurende de dag
opdragen, maken onze zielen klaar voor gebed en vervullen ons met vreugde.
53.3 God vraagt ons met liefde
opgedragen offers. Versterving ligt niet voor in de gevechtslinie, waar een onmiddellijk
gevaar bestaat om in zonde te vallen. Versterving behoort integendeel tot het
wijde terrein van de edelmoedigheid, omdat het een kwestie is te weten hoe ons
iets te ontzeggen, waarvan het mogelijk zou zijn ons niet te onthouden en God
toch niet te beledigen. De verstorven ziel is niet de ziel die God niet
beledigt, maar de ziel die liefheeft. De heilige Paulus herinnerde de eerste
christenen in Korinte eraan dat, zo te leven met een gewone geest van
versterving, dwaasheid is voor hen die verloren gaan, maar
voor hen die gered worden, voor ons, is zij Gods kracht.9
Onze liefde voor God doet ons onze verbeelding en ons geheugen
beheersen, nutteloze gedachten en herinneringen kwijtraken. Het stelt ons in
staat onze gevoeligheid te bedwingen, onze neiging tot goede
sier maken als de belangrijkste reden om te leven. Versterving brengt
ons ertoe onze luiheid te overwinnen vanaf het moment dat we opstaan. Het
verhindert ons onze blikken en andere zintuigen onbeheerst te laten ronddwalen.
Het leidt ons ertoe sober te zijn en matig in zaken van eten en drinken, en te
vermijden altijd maar toe te geven aan onze grillen en opwellingen. Het kan ons
er misschien toe brengen lichamelijke verstervingen te beoefenen, ofschoon
immer met het gepaste advies verkregen in de geestelijke leiding of in de
biecht.
Soms zullen we ons op bepaalde verstervingen meer concentreren
dan op andere. We zullen altijd bijzondere aandacht schenken aan die
verstervingen die ons helpen vooruit te gaan in de vervulling van onze plichten
tegenover God, in onze plichten van staat en om de naastenliefde beter te
beleven. Wij kunnen het wellicht ook nuttig vinden om enkele van de verstervingen
die we ons voornemen, te noteren om gedurende de dag het lijstje een keer door
te nemen, en dan onze engelbewaarder om hulp te vragen zodat we ze werkelijk in
de praktijk zullen brengen. Als we de tendens in gedachte houden die iedere man
en vrouw heeft om dingen te vergeten en zaken uit te stellen naar een later
tijdstip, zullen we beseffen dat we middeltjes moeten gebruiken om niet juist
zulke voornemens te verwaarlozen. Die kleine daden van zelfverloochening
gedurende de dag -vele die we zullen voorzien hebben en gezocht- brengen ons
dicht bij Christus en vormen een krachtig wapen om ons in staat te stellen,
eerst op één gebied en dan op een ander, de feitelijke gewoonte van versterving
te verwerven. Het zijn menselijke krijgslisten die, gegeven onze natuurlijke
neiging het Kruis te weerstaan en te proberen het te vergeten, slechts met
moeite vervangen kunnen worden.
De belofte die Jezus maakte wordt werkelijkheid voor de verstorven
ziel: Wie zijn leven verliest om Mijnentwil, zal het vinden.10 Dit is de weg om Hem midden in de wereld te vinden,
in en door ons dagelijks werk. «De vriend vertelde zijn Geliefde, dat Hij hem
het bedrag moest betalen dat Hij hem schuldig was voor de tijd dat hij Hem had
gediend. De Geliefde hield rekening met de gedachten, verlangens, tranen,
gevaren en inspanningen die zijn vriend uit liefde tot Hem had geleden. Toen
voegde de Geliefde eeuwige zaligheid aan het bedrag toe en schonk zichzelf als
betaling aan zijn vriend.»11
-1. Mt 9,9-13. -2. Hos 6,6. -3. Vgl. The Navarra Bible Mt
9,13; Vgl. B. Orchard en anderen, Verbum Dei II, bl. 683 -4. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 992. -5. Vgl. J. Tissot,
La vie intérieure. -6. H. Augustinus,
Over het Goed van het Huwelijk, 21,25. -7. Rom 8,18. -8. H. Johannes
Chrysostomus, Over het Priesterschap,
3,13. -9. 1 Kor 1,18. -10. Mt
10,39. -11. Raymundus Lullius, Libro
del amigo y del amado, 64.
|