Eenendertigste zondag door het jaar (A)
19. Gij hebt slechts een Vader
-Vaderschap van God. -Deelname aan het
goddelijk vaderschap. -Apostolaat en vaderschap van de geest.
19.1 Jezus spreekt tot de menigten en zijn
leerlingen over de ijdelheid en de zucht naar verheerlijking van de Farizeeën,
die alles doen om bij de mensen op te
vallen en belust zijn op de ereplaats bij de maaltijden en in de synagogen, die
zich graag laten groeten op de markt en door de mensen rabbi genoemd willen
worden. Maar er is slechts een Meester en een
Leraar, Christus. En slechts een Vader, de hemelse Vader.1
Van Christus komt alle wijsheid; Hij alleen is «de Meester die redt, heiligt en
leidt; die leeft en spreekt; schokt en ontroert, terechtwijst, oordeelt en
vergeeft; die met ons dagelijks de weg van de geschiedenis gaat; de Meester die
komt en die zal komen in heerlijkheid.»2 Het
onderricht van de Kerk is het onderricht van Christus, de leraren zijn leraren
in de mate waarin zij een beeld van de Meester zijn.
Evenzo zeggen wij dat er maar een Vader is, de hemelse, naar wie
alle vaderschap in de hemel en op aarde genoemd is: ex quo omnis paternitas in caelis et in terra nominatur.3 God bezit de volheid van het
vaderschap, en daarin hebben onze ouders gedeeld toen zij ons het leven schonken;
evenzeer hebben degenen erin gedeeld, die ons tot het leven in geloof hebben
verwekt. De heilige Paulus schrijft aan de eerste christenen van Korinthe als
tot dierbare kinderen. Want, zo zegt hij tot hen, al
hadt gij in Christus duizend opvoeders, gij hebt maar een vader. Ik ben het die
u door het evangelie in Christus Jezus heb verwekt. Ik mag u dus aansporen:
volgt mij na.4 En
die eerste christenen waren zich ervan bewust, dat zij door met Paulus te
wedijveren, navolgers van Christus zouden worden. In de apostel zagen zij de
geest van de Meester en de liefdevolle zorg van God voor hen weerspiegeld.
«Vandaar dat men het woord 'vader' in
werkelijke betekenis niet alleen kan gebruiken om het fysieke vaderschap aan te
duiden, maar ook het geestelijke. De paus wordt volkomen terecht algemeen 'Vader
van alle christenen' genoemd.»5 Als wij onze
ouders eren die ons het leven schonken, en degenen die ons tot het geloof
hebben verwekt, dan brengen wij God grote eer omdat in hen het goddelijk
vaderschap wordt weerspiegeld.
Men kan goede kinderen van God zijn juist door
het kindschap te beleven met hen die God zelf tot «ouders» op aarde heeft gemaakt.
19.2 De heilige Paulus schrijft aan de
eerste christenen van Galatië op de toon van een vader en moeder, wanneer hij
hoort van de moeilijkheden die zij in hun geloof doorstaan en hij de onmacht
ervaart dat hij niet persoonlijk voor hen kan zorgen vanwege de grote afstand: Ach kinderen, ik moet opnieuw weeën doorstaan,
totdat ge de gestalte van Christus hebt aangenomen6, zoals een kind
in de moederschoot wordt gevormd. De apostel voelde de zorg van een vader voor
zijn kinderen in nood op zich rusten. In de Kerk worden diegenen als vaders beschouwd,
die ons in het geloof verwekken door middel van prediking en doopsel.7 In dit vaderschap delen wij, gelovigen, met betrekking
tot hen die wij -soms met pijn en moeite- hebben geholpen om Christus in hun
leven te ontmoeten. Het vaderschap is vollediger naarmate de overgave aan deze
opdracht groter is. Zo toont God zijn vaderschap over de christenen, «als een
meester die zijn leerlingen niet alleen onderricht maar hen bovendien geschikt
maakt om anderen te onderrichten.»8 Dit
geestelijk vaderschap is een belangrijk deel van de beloning die God in dit
leven geeft aan hen die Hem, vanuit een goddelijke roeping, in volledige overgave
volgen. «Hij is edelmoedig... Hij geeft het honderdvoudige. En dit geldt zelfs
met betrekking tot de kinderen. -Velen zien hiervan af omwille van zijn eer, en
hebben duizenden geestelijke kinderen. -Kinderen, zoals wij het zijn van onze
Vader die in de hemel woont.»9
De heilige Maagd Maria oefent haar moederschap
uit over de christenen en over alle mensen.10
Van haar leren wij een grote ziel te
verkrijgen voor hen die wij voortdurend tot haar Zoon trachten te
brengen en die wij in zekere zin in het geloof hebben verwekt. Herinneren we
ons, dat de liefde «ook die hartelijke tederheid en gevoeligheid aanduidt, waarvan
de gelijkenis van de verloren zoon zo welluidend spreekt (vgl. Lc 15,11-32), of
de parabel van het verdwaalde schaap of van de verloren drachme (vgl. Lc
15,1-10). Daarom is de barmhartige liefde volkomen onmisbaar bij hen die het
meest nabij zijn: onder echtgenoten, ouders en kinderen, vrienden; en zij is
ook onontbeerlijk bij de opvoeding en in de pastoraal.»11
De heilige Ambrosius voegt «er opmerkingen
aan toe die op het eerste gezicht gedurfd lijken, maar die een duidelijk
geestelijke betekenis voor het leven van de gedoopte hebben. 'Naar het vlees is
er maar een de moeder van Christus; naar het geloof is Christus de vrucht van
ons allen.' (H. Ambrosius, Expositio Evangelii secundum Lucam, 2,26).
»Als wij ons vereenzelvigen met Maria, als wij
haar deugden navolgen, kunnen wij verkrijgen, dat Christus door de genade
geboren wordt in de ziel van heel veel mensen die zich met Hem zullen
vereenzelvigen door de werking van de Heilige Geest. Als wij Maria navolgen,
delen wij op een bepaalde manier in haar geestelijk moederschap. In alle
stilte, zoals onze Vrouwe, onopvallend, haast zonder woorden, door het oprecht
en consequent getuigenis van een christelijk leven, door edelmoedig voortdurend
een fiat
te herhalen dat als iets intiems tussen ons en God vernieuwd wordt.»13
19.3 Vereenzelvigd met Christus, maakte de
heilige Paulus de woorden van de Heer tot de zijne: Ik ben de goede herder. De goede herder geeft zijn leven voor zijn
schapen.14 Daarom
schrijft hij over zijn zorg voor al de
gemeenten15, voor allen die door zijn prediking tot het geloof zijn bekeerd. Hen
op de goede weg houden en hen helpen op die weg voort te gaan, dat was een van
zijn grootste zorgen en soms ook een van zijn grootste smarten. Niemand is zwak of ik ben het ook. Niemand komt ten val of het
grijpt mij in de ziel.16
De apostel is het altijd actuele toonbeeld voor alle herders van de Kerk in hun
zorg voor de zielen die God hun heeft toevertrouwd, en evenzo voor alle
christenen in hun voortdurend apostolaat, want «voor hun gelovigen die zij door
doopsel en onderricht op geestelijke wijze hebben verwekt, dienen zij als hun
vaders in Christus zorg te dragen.»17
De liefde voor degenen die wij tot Christus
hebben gebracht, is niet slechts een gewone vriendschap maar «de goddelijke
deugd van liefde, dezelfde liefde waarmee de mensgeworden Zoon hen liefheeft.
Daarom, en alleen daarom heeft de Zoon haar aan ieder van ons gegeven, opdat
wij haar aan anderen kunnen geven [...]. De liefde jegens onze broeders verwekt
in ons hetzelfde verlangen als de liefde van de Zoon: het verlangen naar hun
heiliging en redding.»18 Dit moet ons ertoe
brengen hen meer te beminnen en bedacht te zijn op alles wat hun heiligheid kan
vergemakkelijken: voorbeeldigheid, broederlijke vermaning, indien dat nodig is,
een vriendelijk woord dat bemoedigt, vreugde, optimisme, een richtinggevende
raad bij moeilijkheden... En altijd zullen ze moeten kunnen rekenen op de meest
krachtdadige hulp die we hun kunnen verlenen: gebed en dagelijkse versterving.
Deze liefde «houdt altijd een buitengewone
beschikbaarheid in om zich te bekommeren om hen die zich binnen hun actieradius
bevinden. In het huwelijk bestaat deze beschikbaarheid -ook al staat die voor
allen open- op heel bijzondere wijze in de liefde die ouders hun kinderen
geven. In de maagdelijkheid staat deze beschikbaarheid open voor alle mensen
die door de liefde van Christus, de Bruidegom, worden omhelsd.»19 In de maagdelijkheid en het celibaat omwille van
God, vergroot de Heer het hart van de man of vrouw om het geestelijk vader- en
moederschap aldus nog te vergroten en te verdiepen. De overgave aan God beperkt
geenszins het menselijk hart; integendeel, zij verrijkt het en maakt het meer
geschikt om die diepe gevoelens van vader- en moederschap te verwezenlijken,
die de Heer zelf in de menselijke natuur heeft gelegd.
De zorg van degenen over wie wij, vanwege
zozeer verschillende levensomstandigheden, volgens Gods wil dit geestelijk
ouderschap uitoefenen, zal ons de zorg doen begrijpen die God onze Vader over
ieder van ons heeft. Vaak zal dat bovendien een goede reden zijn om onze eigen
trouw aan de Heer krachtig overeind te houden en een aansporing om «vooruit te
willen komen» op de weg naar de heiligheid, zoals de goede herder.
De heilige Jozef leert ons hoe onze zorg voor
de anderen dient te zijn. Aangezien zijn vaderliefde «wel van grote invloed
moest zijn op de kinderliefde van Jezus, en omgekeerd Jezus' kinderliefde
invloed moest uitoefenen op de vaderliefde van Jozef, hoe kunnen wij dan doordringen
in de diepte van zulk een uitzonderlijke verhouding? De zielen die ontvankelijk
zijn voor de impulsen van de goddelijke liefde, zien in Jozef terecht een
lichtend voorbeeld van innerlijk leven.»20 Laten
wij van hem, in zijn omgang met Jezus, met steeds groeiende liefde leren zien
naar degenen die God op onze weg heeft gezet.
-1. Mt 23,1-12. -2. Johannes Paulus ii,
Apost. exhort. Catechesi tradendae, 16 oktober 1979, 9. -3. Ef 3,15. -4. 1 Kor 4,14-16. -5. The Navarre
Bible, noot bij Ef 3,15. -6. Gal 4,19. -7. Vgl. Romeinse Katechismus,
III,5,8. -8. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae, I, q103, a6. -9. H. Jozefmaria Escrivá, De
Weg, 779. -10. Vaticanum ii,
Dogm. const. Lumen gentium, 61. -11.
Johannes Paulus ii,
Enc. Dives in misericordia, 30 oktober 1980, 14. -12. H.
Ambrosius, Commentaar op het evangelie van Lucas,
2,26. -13. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden
van God, 281. -14. Joh 10,11. -15. 2 Kor 11,28. -16. Ibidem, 29. -17. Vaticanum ii, o.c., 28. -18. B. Perquin, Abba, Padre, Rialp, Madrid 1986, bl. 328. -19.
Johannes Paulus ii,
Apost. brief Mulieris dignitatem, 15 augustus 1988, 21. -20. Idem, Apost. exhort. Redemptoris
custos, 15 augustus 1989, 27.
|