Negentiende zondag door het jaar (A)
37. God helpt altijd
-Hij liet zijn vrienden nooit in de steek. -Christus is de
vaste zekerheid op wie wij ons kunnen verlaten. -Vertrouwen op God. Hij komt
nooit te laat om ons te redden.
37.1 De eerste lezing van vandaag1 toont ons
de profeet Elia, die, vermoeid en ontmoedigd door de vele tegenslagen, in een
grot op de berg Horeb zijn toevlucht zoekt, de heilige berg waar God zich aan
Mozes openbaarde. Daar werd tot Elia gezegd: Ga naar buiten en treed aan voor de Heer op de berg. Er kwam een zware orkaan voorbij die bergen deed splijten en rotsen
verbrijzelde. Daarop volgde een grote aardbeving en vuur, maar God was niet te
vinden in de orkaan, noch in de aardbeving en ook niet in het vuur. Toen suisde
er een zachte bries -als een fluistering- en daar was God. Op deze wijze toonde God zijn
mysterieuze spiritualiteit en zijn zachtmoedige goedheid voor de zwakheid van
de mens. Elia voelde zich gesterkt om de nieuwe zending te volbrengen die de
Heer van hem wenste.
Het evangelie2 vertelt ons
over een van de stormen die de Apostelen meemaakten toe de Heer niet bij hen in
de boot was. Het gebeurde na de vermenigvuldiging van de broden en de vissen.
De Heer droeg hun op naar de overkant te varen terwijl Hij het volk naar huis
stuurde, want het was al laat. Vanaf de berg waarop Hij zich had teruggetrokken
om te bidden, vergat Hij zijn leerlingen niet. Hij zag dat ze een krachtige
wind tegen hadden. De Heer zag ze worstelen met de golven en de stormwind,
terwijl ze probeerden de plaats die hij hun had voorgesteld, te bereiken. Hij
beëindigde zijn gebed en ging ze helpen.
In de vierde nachtwake komt Jezus naar de boot toe; die werd geteisterd door de golven
en sloeg bijna om. Het evangelie vertelt ons dat de leerlingen doodsbang waren
toen ze Jezus, wandelend over het water, naderbij zagen komen. Zij dachten dat
Hij een spook was. De heilige Marcus, die dit onvergetelijke moment heeft
opgetekend zoals het hem door de heilige Petrus verteld werd, zegt dat Hij hen wilde voorbijgaan.
Zij begonnen allemaal te roepen. Toen kwam Jezus naderbij en zei: Weest gerust. Ik ben het.
Vreest niet... Dit waren troostende woorden, die ook wij dikwijls
hebben gehoord -vele malen op verschillende wijzen- in het diepste van ons hart
wanneer we in lastige situaties verkeerden of in tijden van moeilijkheden.
Als ons leven de vervulling is van wat God van ons wil -zoals
Elia die naar de berg Horeb gaat op Gods bevel, of zoals de Apostelen die deden
wat Jezus zei, ook al hadden ze tegenwind- dan zal het ons nooit aan goddelijke
hulp ontbreken. Op ogenblikken van zwakheid, van vermoeidheid, in de
moeilijkste situaties, toont Jezus zich aan ons en zegt ons: Ik ben het. Vreest niet.
Hij laat zijn vrienden nooit in de steek.3 Als
we geen ander doel in ons leven hebben dan zijn vriendschap te zoeken en Hem te
dienen, hoe zou Hij ons dan ooit kunnen verlaten als de stormen van verleiding,
vermoeidheid of moeilijkheden in het apostolaat ons tegenzitten? Hij zal ons
niet voorbijgaan en zijn weg vervolgen. «Als u Hem vertrouwt en u heeft een
opgewekte gezindheid -Zijne Majesteit is hier heel gevoelig voor- wees dan niet
bevreesd dat het u aan iets zal ontbreken.»4
Waar kan het ons nog aan ontbreken als wij zijn vrienden zijn middenin de
wereld, als we Hem dag in dag uit willen volgen, tussen al die anderen die Hem
verlaten?
37.2 Toen de Apostelen Jezus hoorden werden zij vervuld van vrede. Toen riep
Petrus een moedig en gedurfd verzoek: Heer, als Gij het zijt, zeg mij dan dat ik over het water
naar U toe moet komen. De Meester, die nog enkele
meters van de boot verwijderd was, antwoordde Kom! Petrus had een
groot geloof en gaf de veiligheid van de boot op omdat hij op Jezus' woorden
vertrouwde. Hij
stapte uit de boot en liep over het water naar Jezus toe. Dit waren indrukwekkende momenten. Momenten van standvastigheid en
liefde.
Maar opeens keek Petrus niet meer naar Jezus en bemerkte hij
de moeilijkheden om hem heen. Hij zag hoe hevig de wind was en werd bang. Even
vergat hij dat de kracht, die hem op het water staande hield, niet afhankelijk
was van de omstandigheden maar van de wil van de Heer, die regeert over hemel
en aarde, over leven en dood, over de natuur, de winden en de zee... Petrus
begon te zinken, niet vanwege de golven maar omdat zijn vertrouwen in Hém die
alles kan, hem in de steek liet. Hij schreeuwde naar Jezus: Heer, red mij!
Jezus stak onmiddellijk zijn hand uit en zei: Kleingelovige, waarom heb ge getwijfeld? In
tijden van zwakheid en vermoeidheid, wanneer we merken dat we zelf zinken,
moeten we naar Jezus' sterke hand kijken om ons weer in evenwicht te brengen.
In ons gebed kunnen we Hem toeroepen: Heer, red mij!
Soms besteedt een christen méér aandacht aan zaken die hem
van God verwijderen en wendt hij zich niet meer tot Christus. Deze houding kan
zijn geloof in gevaar brengen en daardoor kan hij gaan zinken als hij niet
onmiddellijk in actie komt. Vanaf het moment dat men het zicht begint te
verliezen op de zuiverheid van het geloof of op de roeping van God die men
ontvangen heeft «moet men aan een oprecht gewetensonderzoek beginnen. Misschien
is hij er zich -al enige tijd- van bewust dat zijn godsdienstig leven wat lauw
is, zijn gebed minder veelvuldig en meer verstrooid; hij stelt ook minder eisen
aan zichzelf. Is een zonde niet des te schadelijker als de ernst ervan
opzettelijk verborgen wordt voor de zondaar? Hij zal zeker niet zo tegen zijn
hartstochten vechten als daarvóór en hij zal er misschien zelfs genoegzaam aan
toegeven. Wrokgevoelens die je blijft koesteren, een gebrek aan eerlijkheid bij
zaken waar wij belang bij hebben, een vriendschap die ons te veel opeist of
eenvoudigweg het ontwaken van lagere instincten die niet radicaal worden
verworpen: er is maar weinig voor nodig om wolken tussen ons en God op te
trekken. Zo wordt het licht van het geloof verduisterd.»5 We lopen het gevaar om deze situatie aan de
uiterlijke omstandigheden toe te schrijven, terwijl de schuld eerder in ons
eigen hart ligt.
Om staande te blijven hoefde Petrus zich maar vast te houden
aan de sterke hand van de Heer, zijn Vriend en zijn God. Hoe weinig ook, de
leerling moest zijn bijdrage leveren; en zijn aandeel was zijn goede wil, die
God altijd van ons vraagt. «Telkens als God, onze Heer, aan de mensen zijn
genade schenkt, als Hij hun een specifieke roeping geeft, dan is het alsof Hij
hun een hand reikt, een vaderlijke hand, vol kracht, maar vooral vol liefde. Zo
zoekt Hij ieder van ons afzonderlijk op, als zijn dochters en zonen, want Hij
weet van onze zwakheid. De Heer verwacht van ons dat wij de kracht opbrengen
deze hand die Hij ons reikt, te grijpen. God verwacht van ons dat wij ons
inspannen, als teken van onze vrijheid.»6
De graad van inspanning die de Heer zijn leerlingen vraagt om
zich in een moeilijke situatie staande te houden, zal van tijd tot tijd
wisselen, maar de hulpmiddelen zijn de gehele geschiedenis door, voor iedereen
dezelfde: bid intenser; wees eerlijker en nederiger in de geestelijke
begeleiding; ontvlucht gevaarlijke gelegenheden; gehoorzamen meteen en met een
deemoedig hart; gebruik maken van de menselijke middelen die we ter beschikking
hebben -hoe klein ook- samen met het gebed... Mét Christus zullen we uit iedere
strijd als overwinnaar te voorschijn komen, maar we moeten volledig op Hem
vertrouwen. «Bid zelfverzekerd met de psalmist: Gij zijt mijn toevlucht en mijn sterkte, mijn vertrouwen
stel ik in U. -Ik garandeer je, dat Hij je zal behoeden voor de
hinderlagen van de 'duivel van het middaguur' -bij bekoringen en... bij
valpartijen-, wanneer leeftijd en deugden in jou gerijpt zouden moeten zijn,
wanneer jij uit ervaring zou moeten weten, dat Hij alleen jouw Sterkte is.»7
37.3 Petrus bleef overeind -zelfs in de grootste moeilijkheden- zolang hij
op het bovennatuurlijke gericht bleef, met geloof en vertrouwen op de Heer.
Later, om overeind te kunnen blijven, om Gods hulp te ontvangen, moest hij
meewerken want «als wij niet meewerken, houdt de goddelijke hulp óók op.»8 Het was de Heer die hem hielp om verder te gaan.
Petrus had zijn geloof en vertrouwen in Jezus teruggevonden.
Hij klom met hem in de boot en op dat moment ging de wind liggen en de zee
evenals de harten van de leerlingen werden weer rustig. Zij erkenden Hem als
hun Heer en God. Die zich in de boot bevonden, aanbaden Hem met de woorden: Waarlijk, Gij zijt de Zoon van
God.
De ervaring van onze persoonlijke zwakheid dient hiertoe dat
wij Jezus, die ons zijn hand reikt en ons hart binnenkomt, zullen vinden en die
ons diepe vrede geeft bij welke beproeving dan ook. Wij moeten leren dat we
nooit bang hoeven te zijn voor God, die zich aanwezig toont in gewone dingen,
zowel in het lichamelijke als in het geestelijke lijden dat we in ons leven
kunnen ondervinden. Wees
gerust. Ik ben het. Vrees niet. God zal ons altijd helpen en aan
iedere nood komt Hij tegemoet. Hij komt -soms op verborgen en geheimzinnige
wijze- op de geschikte tijd. En wanneer wij ons, om welke reden dan ook, in een
moeilijke situatie bevinden -met tegenwind- komt Hij heel dicht bij ons. Soms
lijkt Hij ons voorbij te willen gaan, zodat we Hem toeroepen maar dan zal Hij
ons onmiddellijk terzijde staaan. Op tijden waarin we beseffen dat we aan het
zinken zijn, moeten we met Petrus herhalen: Heer, red mij! Wij moeten niet twijfelen aan
zijn Liefde noch aan zijn genadevolle hand. Wij moeten niet vergeten dat God
«niet het onmogelijke verlangt. Integendeel, als Hij ons een verzoek doet,
vraagt Hij ons dat we doen wat we kunnen en dat we bij datgene wat we niet
kunnen zijn hulp vragen om het uit te voeren.»9
Wat een zekerheid geeft de Heer ons! «Hij heeft ons zijn
bescherming gegarandeerd. Ik ben niet afhankelijk van mijn eigen kracht. In
mijn handen heb ik zijn geschreven woord. Dit is mijn kracht, mijn zekerheid,
mijn rustige haven. Al staat de wereld op zijn kop, ik lees het geschreven
woord dat ik bij me draag, want dat is mijn burcht, mijn verdediging. En wat
zegt dit woord tot mij? Ik
ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereld, zegt het.
Christus is met mij. Waarom zou ik bang zijn? Laat de golven van de zee en de
woede van de machthebbers maar op me afkomen. Dat weegt niet meer dan een
spinnenweb.»10 Laten we zijn hand niet loslaten.
Hij laat de onze niet los.
Wij beëindigen ons gebed met Onze Lieve Vrouw te vragen voor
ons te bemiddelen. Zij zal ons helpen met vertrouwen het liturgisch gebed te
bidden: Heer, toon ons
opnieuw de wonderen van uw liefde.11
Dat ons leven stevig gegrondvest mag zijn in uw liefde.
-1. 1
Kon 19,11-13. -2. Mt 14,22-33. -3. Vgl.
H. Theresia van Ávila, Het boek van haar leven, 11,4. -4. Idem, De kloosterstichtingen, 27,12. -5. G. Chevrot, Simon Petrus. -6.
H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 17.
-7. Idem, De Smidse, 307. -8. H. Johannes Chrysostomus, Homilieën over Matteüs,
50,2. -9. H. Augustinus, Over natuur en genade,
43. -10. H. Johannes Chrysostomus, Homilie voor het vertrek naar de
woestijn. -11. Getijdenboek, Zondag van de 3e week;
slotgebeden van de Vespers.
|