Drieëntwintigste week. Vrijdag
17. Goddelijk kindschap
-Edelmoedigheid van God die ons tot zijn kinderen wilde
maken. -Consequenties van ons goddelijk kindschap; overgave aan de Heer. -«Ons
tegenover de kinderen van God gedragen als kinderen van God»: broederschap.
17.1 Als
de heilige Paulus aan Timoteüs schrijft en vertrouwvol zijn hart opent, brengt
hij in herinnering hoe de Heer hem vertrouwde en tot apostel maakte, ondanks
het feit dat hij een godslasteraar
en vervolger van de
christenen was geweest. En,
zegt hij, ik werd in rijke
overvloed de genade van onze Heer deelachtig en daarmee het geloof en de liefde
die in Christus Jezus zijn.1 Ook
wij mogen erkennen dat God zijn genade overvloedig over ons heeft uitgestort.
Nadat Hij ons geschapen had, wilde God ons de grootste waardigheid geven -zijn
kinderen te zijn en het geluk verwerven dat eigen is aan de domestici Dei, de leden
van zijn eigen gezin.2
Goddelijk kindschap komt enkel toe aan God de Zoon: Jezus Christus, eniggeboren Zoon van
God, geboren uit de Vader [...], geboren, niet geschapen, een in wezen met de
Vader.3 Maar God wilde ons door
middel van een nieuwe schepping tot zijn aangenomen kinderen maken, ons deel
doen hebben aan het kindschap van zijn enige Zoon: Hoe groot is de liefde die de Vader ons betoond heeft! Wij
worden kinderen van God genoemd, en we zijn het ook.4 God wilde zijn genade geven aan de christenen, opdat
zij zouden delen in de goddelijke natuur: Divinae consortes naturae, zegt de heilige
Petrus in een van zijn Brieven.5 In de
menselijke voortplanting behoort het eenmaal door de kinderen ontvangen leven
niet meer aan de ouders; daarentegen wordt door middel van heiligmakende genade
het leven van God zelf aan de mensen gegeven. Zonder onze menselijke natuur te
vernietigen of te vervormen, worden we toegelaten tot de intimiteit van de
Heilige Drieëenheid door het kindschap, dat in God is gegeven door de
eniggeboren Zoon van de Vader.
Ons hele leven, ons wezen en heel onze activiteit wordt
beïnvloed door ons goddelijk kindschap.6 Er
vloeien velerlei praktische consequenties uit voort -het gebed, bijvoorbeeld,
wordt een tweegesprek tussen een klein kind en zijn vader, want we ontdekken
dat God, naast zijn noodzakelijke benaming als het Opperwezen, de Schepper en
Almachtige, echt onze liefhebbende Vader is. Ons innerlijk leven is niet langer
een eenzaam gevecht tegen onze fouten of een oefening in het 'zichzelf
vervolmaken', maar eerder een zich overgeven in de sterke armen van Hem wiens
kinderen we nu echt zijn. We vatten een levendig en praktisch verlangen op om
onze Vader, God, die ons zozeer bemint, te behagen.
Alle gedoopten kunnen met recht zeggen: «God heeft zijn
genade over mij doen neerdalen»; Hij heeft ons gevoerd naar een nieuw leven in
Christus Jezus.7 Door dit leven gaan wij lijken
op Christus onze Broeder, en als zodanig zijn we kinderen van de Vader. En
juist de Heilige Geest leert ons deze schitterende werkelijkheid en
verwezenlijkt haar, zelfs zonder dat we het opmerken. Door Hem erkennen we
Jezus als de Zoon van God; we erkennen dat we zelf Gods kinderen zijn, geen
vreemden, en handelen dienovereenkomstig. De heilige Thomas van Aquino vat onze
relatie met de Heilige Drieëenheid in deze korte woorden samen: «De aanname als
kind, ofschoon gemeenschappelijk voor de gehele Drieëenheid, is eigen aan de
Vader als haar schepper; aan de Zoon, als haar voorbeeld; aan de Heilige Geest,
omdat die ons de gelijkenis van dit voorbeeld inprent».8
Deze werkelijkheid doordrenkt ons leven met standvastigheid
en geeft het een bijzondere manier om zijn uitdagingen tegemoet te treden.
«Rust in het kindschap Gods. God is een Vader -jouw Vader!- vervuld van
tederheid, van een grenzeloze liefde. -Noem Hem vaak Vader, en zeg Hem -jullie
twee alleen- dat jij Hem bemint, allermeest bemint: dat je de trots en de
kracht die eigen zijn aan het kind van Hem zijn, voelt.»9 God is de rust en de kracht die we nodig hebben.
17.2 Als
het feit Gods kind te zijn betekent, dat we ons identificeren met zijn Zoon,
betekent het ook, dat we met de ogen van de Zoon kijken naar alle
gebeurtenissen van ons leven, deze beoordelen met zijn oordeel, en dat we
gehoorzamen als Christus, die zichzelf gehoorzaam gemaakt heeft tot de dood.10
We moeten liefhebben en vergeven zoals Hij en altijd handelen als kinderen die
weten dat ze in de aanwezigheid van hun Vader God zijn11,
altijd vol vertrouwen en kalmte, met de zekerheid dat we begrepen worden en
voortdurend aangespoord om voort te gaan in ons leven.
Wie weet dat hij een zoon van God is, kent geen angst. God
weet het best wat onze echte noden zijn; Hij is sterker dan wij en Hij is onze
Vader.12
We moeten reageren als het kind dat, in een storm, bleef spelen met de matrozen
die vreesden voor hun leven: het was de zoon van de schipper. Toen ze, eenmaal
aan wal, het kind vroegen hoe het zo rustig had kunnen blijven te midden van
die woeste zee en een doodsbange bemanning, antwoordde het: «Angst? Waarom?
Mijn vader stond aan het roer.» Als we ons proberen te identificeren met de
wil van God, is Hij het die ons met kundige hand naar een veilige haven loodst.
Ons leven is dan in goede handen, of de zeeën nu kalm zijn of dat de storm
woedt.
Als God het toestaat, kan iemand die ernstig streeft naar
heiligheid zich voelen alsof hij in moeilijkheden verdwaald is, zich hopeloos
voelen en terneergeslagen, omdat hij niet begrijpt wat er gebeurt ondanks zijn
verlangen om volledig aan God toe te behoren. «Er zijn momenten dat iemand in
verwarring is over de wil van God en roept: Heer, hoe kunt U dit willen, als
het zo slecht is, als het 'ab intrinsico' verfoeilijk is -zo luidde de klacht
van Christus' Mensheid in de Tuin van Getsemane. Er zijn momenten dat onze
zintuigen tollen en ons hart breekt. Als je ooit het gevoel hebt alsof je in
een bodemloze put valt, geef ik je een gebed dat ik vele malen herhaald heb bij
het graf van iemand die ik bemind had: 'Fiat, adimpleatur, laudetur atque in
aeternum superexaltetur iustissima atque amabilissima Voluntas Dei...'»13 «Moge de zeer rechtvaardige en beminnelijke wil van
God gedaan, vervuld, geprezen en eeuwig verheerlijkt worden boven alle dingen.
-Amen. -Amen.»14
Dan moeten we heel trouw zijn aan de wil van God, dan moeten
we volledig gehoorzaam zijn in de geestelijke leiding, ons laten helpen en
bemoedigen, of we het nu begrijpen of niet. Hij is onze Vader, en als Hij deze
situatie, deze staat van duisternis toelaat, zal Hij ook zorgen voor de nodige
genade en hulp. Als we ons overgeven in de handen van God, zonder grenzen te
stellen, zullen we onwankelbare vrede winnen. En te midden van de meest
absolute leegte zullen we de arm van God voelen -krachtig, maar vriendelijk-
die ons ondersteunt. Dan zullen we langzaam en met een zoete smaak in de mond
dat vertrouwvol gebed herhalen: «Moge de zeer rechtvaardige en beminnelijke wil
van God gedaan, vervuld, geprezen en eeuwig verheerlijkt worden...»
17.3 Gij zult mij de weg van het leven wijzen
om heel mijn vreugde te vinden bij U, bestendig geluk aan uw zijde15, verkondigt de Psalmist. Er is geen diepere vreugde
dan die van het kind van God dat zich overgeeft in de handen van zijn Vader,
zelfs als het omringd wordt door armoede en leegte, want niets is vergelijkbaar
met de oneindige rijkdom van het lidmaatschap van Gods gezin, een van zijn
kinderen te zijn. Deze bovennatuurlijke vreugde, nauw verbonden met het Kruis,
is het «grote geheim van de christenen».16 Een
kind van God verliest nooit zijn vrede, zelfs niet in het duisterste moment;
het bewustzijn van zijn goddelijk kindschap bevrijdt het van innerlijke
spanning en zet het ertoe aan vol berouw en vertrouwen terug te keren naar het
huis van zijn Vader als het uit zwakheid het verkeerde pad is opgegaan.
«Goddelijk kindschap is ook het fundament van de christelijke
broederschap, die de menselijke band van solidariteit ver te boven gaat.»17 Wanneer we weten dat we zonen en dochters van de
ene Vader zijn, voelen we ons broeders en zusters van andere christenen, die
God onze Vader met ons wilde samenbrengen door de bovennatuurlijke band van de
naastenliefde. Onze broederschap moet talloze malen blijken in ons dagelijks
leven -wederzijds respect, kiesheid in de omgang met anderen, een geest van
dienstbaarheid en wederzijdse hulp op de weg naar God. In het evangelie van
vandaag vraagt God, dat zijn eigen mensen zich een helder beeld vormen van hun
broeders. Waarom kijkt ge naar de
splinter in het oog van uw broeder en waarom slaat ge geen acht op de balk in
uw eigen oog? [...] Haal eerst die balk uit uw eigen oog; dan zult ge scherp
genoeg zien om de splinter te kunnen verwijderen die in het oog van uw broeder
zit.18 De Meester nodigt ons uit
naar anderen te kijken zonder de vooroordelen die voortkomen uit onze eigen
gebreken, of uit de trots die ertoe neigt de zwakheden van anderen te vergroten
en die van onszelf te verkleinen. «De Heer spoort ons aan diep vanuit ons hart,
met een andere blik naar anderen te kijken [...] Daartoe is het noodzakelijk de
balk uit ons eigen oog te verwijderen. Soms houden we ons bezig met de in
vergelijking onbeduidende taak om de splinters uit de ogen van alle anderen te
halen, maar we moeten juist onze manier om naar anderen te kijken radicaal
veranderen»19, hen beschouwen als onze broeders,
voor wie God een bijzondere liefde voelt. «In uw denken moeten de anderen -en
vooral die uit uw directe omgeving- dat zijn, wat ze echt zijn: kinderen Gods,
uitgerust met heel de waardigheid die deze verheven titel met zich meebrengt.
»Tegenover de kinderen Gods moeten wij ons als kinderen Gods
gedragen: met een offervaardige liefde, die elke dag blijkt uit talloze kleine
bewijzen van medeleven, stille offervaardigheid, discrete overgave van
zichzelf. Dat is de bonus odor
Christi, de goede geur van Christus, die de medemensen over onze
eerste broeders in het geloof deed opmerken: Ziet, hoe zij elkaar liefhebben!»20
Ons tegenover de kinderen van God gedragen als kinderen van
God, naar de mensen kijken, zoals Christus naar hen keek, met liefde en begrip;
naar hen die dichtbij zijn en hen die zich afgewend lijken te hebben.
Broederschap immers strekt zich uit over alle mensen, want allen zijn kinderen
van God -zijn schepselen- en allen zijn ook geroepen tot de intimiteit van het
huis van de Vader. Diezelfde broederschap zal ons brengen tot een breed opgezet
apostolaat, zonder ook maar één middel om zielen dichter bij God te brengen
onbeproefd te laten.
Als we de brede weg van het goddelijk kindschap volgen,
zullen we met kalmte en vrede door het leven gaan, weldoende rond gaan als Jezus Christus, die
het Voorbeeld is waaraan we onszelf voortdurend moeten spiegelen, waarvan we
leren hoe we kinderen van God moeten zijn en ons als zodanig gedragen. De
heilige Maagd, Moeder van God en Moeder van ons allen, zal ons leren onszelf
aan God over te geven als de kleine en behoeftige kinderen die we zijn. Als we
haar aanroepen, zal Maria ons nooit in de steek laten.
-1. Eerste lezing, oneven jaren, 1 Tim 1,12-14. -2. Ef 2,19. -3. Concilie
van Nicea, DS 125. -4. 1 Joh
3,1. -5. 2 Pt 1,4.
-6. Vgl. F. Ocáriz, El sentido de la filiación divina,
Pamplona 1982, bl. 178. -7. Gal
3,28. -8. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae, III,
q23, a2, ad 3. -9. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 331. -10. Vgl. Fil 2,8. -11. Vgl. María C. Calzona, Filiación divina y vida christiana en medio del mundo,
Pamplona 1987, bl. 304. -12. Vgl. V.
Lehodey, Heilige overgave,
Westmalle 1946. -13. Verzoek om
Zaligverklaring en Heiligverklaring van de Dienaar Gods, Josemaría Escrivá, priester, stichter van het Opus Dei, Artikelen van de Postulator,
Rome 1979, 45,2. -14. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 691. -15. Tussenzang, oneven jaren, Ps 15,11. -16. Vgl. G.K. Chesterton, Orthodoxie, Bilthoven 1970. -17. María C. Calzona, o.c., bl. 303. -18. Lc 6,41-42. -19. A.G. Dorronsoro, Dios y la gente, Madrid 1974, bl. 134-135.
-20. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 36.
-21. Vlg. Hnd 10,38.
|