Dertiende week door het jaar. Dinsdag
50. Gods zwijgen
-God luistert altijd naar hen die zich tot Hem wenden om
hulp. -Vertrouwen in God. -Als God lijkt te zwijgen.
50.1 In de evangeliën zien we
Jezus zich gedragen op een manier die zowel natuurlijk als eenvoudig is. Hij
vraagt geen luidruchtige toejuichingen aan hen die Hem volgen. Hij doet
wonderen zonder ophef of vertoon, ruchtbaarheid vermijdend in zoverre Hij
daartoe in de mogelijkheid verkeert. Hij draagt de mensen die Hij heeft genezen
op, de genade die zij hebben ontvangen niet aan iedereen rond te vertellen. Hij
leert dat het Koninkrijk van God niet met dramatisch vertoon gepaard gaat. Door
de parabels van het mosterdzaadje en de gist verborgen in het deeg maakt Hij
iedereen de mysterieuze kracht duidelijk van zijn woorden. Wij zien Hem ook
zwijgend luisteren naar de verzoeken om hulp waaraan Hij later voldoet. Het
zwijgen van Jezus gedurende zijn proces voor Herodes en opnieuw voor Pilatus is
vervuld van een verheven grootsheid. Wij zien Hem tegenover een razende, opgewonden
menigte staan die er valse getuigen bij halen om te trachten Hem te betrappen
bij zijn toespraak. Wij vinden Gods zwijgen bijzonder indrukwekkend als Hij te
midden van het tumult van de kokende menigte staat die door menselijke passie
tot woede is opgehitst. Het zwijgen van Jezus is noch onverschilligheid noch
een houding van afkeuring ten opzichte van sommige arme schepsels die Hem
beledigen; Hij is vol van barmhartigheid en vergeving. Jezus Christus hoopt
altijd op onze bekering. God weet hoe te wachten. Hij heeft meer geduld dan
wij.
Zijn zwijgen op het Kruis is niet eenvoudigweg een vasthouden
aan zijn wegebbende kracht, om zijn woede beter te beheersen en een beslissende
veroordeling te uiten. Het is de altijd vergevende God die daar hangt. Hij legt
de barmhartige bedding van een nieuw en blijvend tijdperk van genade wijd open.
God luistert altijd naar hen die de beslissing nemen Hem te volgen, ook al kan
het soms schijnen dat Hij blijft zwijgen, en dat Hij niet naar ons wil
luisteren. Hij blijft altijd aandachtig en bezorgd voor de zwakheden van zijn
schepselen, maar het is zo dat Hij hen kan vergeven en hen helpt hogerop te
gaan. Indien Hij nu en dan blijft zwijgen, is het opdat ons geloof, onze hoop
en onze liefde meer volwassen zullen worden.
Wij kunnen, in het tafereel beschreven in het evangelie van
de mis van vandaag1, Jezus aanschouwen, afgemat
na een dag van intens hard werken met preken. Hij ging in een boot om met zijn
volgelingen over te steken naar de andere zijde van het meer. Toen zij enige
tijd op het water waren, stak er een zware storm op, met zo'n geweld dat de
hoger wordende golven de boot dreigden te doen zinken. Ondertussen was de Heer,
volkomen uitgeput, in slaap gevallen. Hij was zo vermoeid dat zelfs het slaan
van de golven tegen de zijkanten van de boot Hem niet wakker maakte. Op het
ogenblik van zo'n groot gevaar schijnt het bijna alsof Jezus er niet is. Het is
de enige plaats in het evangelie waar we Hem in slaap zien.
De apostelen, van wie enkelen ervaren vissers waren, beseften
direct dat hun beste krachten niet in staat zouden zijn de kop van de boot in
de wind te houden, en ze waren zich er akelig van bewust dat hun leven in
gevaar was. Dus gingen zij naar Jezus en maakten Hem wakker, roepende: Heer, red ons, wij vergaan!
Jezus trachtte hen gerust te stellen: Hij vroeg hun: Waarom zijt gij bang, kleingelovigen? Het is alsof Hij
gezegd had: Beseffen jullie niet dat Ik bij jullie ben, en dat dit jullie een
onwankelbare vastberadenheid moet geven, zelfs als jullie omringd zijn met
moeilijkheden? Dan stond Hij op, richtte zich met een
dwingend woord tot de winden en de zee, en het water werd volmaakt stil.
De leerlingen waren overmand door verbazing, door vrede en door vreugde. Zij
konden opnieuw voor zichzelf zien dat wandelen met Christus veilig wandelen is,
ook al blijft Hij zwijgen en schijnt Hij er in het geheel niet te zijn. En zij
zeiden: Wat voor iemand is dat toch, dat zelfs de winden en
de zee Hem gehoorzamen? Het was hun Heer en hun God. Naderhand, toen de
Heilige Geest op de dag van Pinksteren in hun zielen neerdaalde, beseften zij
dat zij vaak zouden moeten leven te midden van turbulente tijden en dat Jezus
altijd in Zijn boot zou zijn -de boot van Petrus, de Kerk. Nu en dan zou Hij
schijnbaar slapen en zwijgen, en zo ogenschijnlijk afwezig zijn, maar altijd
zou Hij zo aandachtig voor hen zijn als ooit tevoren, en tegelijkertijd net zo
machtig. Hij zou ze nooit aan hun lot overlaten. Zij begrepen het goed, want
spoedig daarna, bij het begin van hun apostolische opdracht, zagen zij zich van
alle kanten door vervolgingen overvallen, en voelden ze de bitterheid verkeerd
begrepen te worden door de heidense maatschappij in wier midden zij hun
activiteit uitoefenden. Niettemin, de Meester gaf hun kracht, hield hun het
hoofd boven water, en bemoedigde hen om nog meer apostolische ondernemingen te
beginnen. Hij doet hetzelfde nu voor ons, zoals Hij toen deed voor Zijn eerste
volgelingen.
50.2 De Heer slapend terwijl zijn
leerlingen, uit alle macht vechtend, zich door de storm bijna overweldigd
voelden, is dikwijls vergeleken geweest met het zwijgen van God bij ons
ploeteren. Het zal er herhaaldelijk naar uitzien alsof God geen acht slaat op,
en inderdaad niet bezorgd is over de moeilijkheden die mensen en Kerk zelf
bedreigen. Als de orkaan woedt en we ons bewust worden in gevaarlijke
toestanden te verkeren; wanneer al onze pogingen niets schijnen uit te halen,
moeten we het voorbeeld van de apostelen volgen, ons naar Jezus keren en al
onze hoop op Hem stellen: Red ons, Heer, wij vergaan.
Dan ervaren we de werkzaamheid van zijn onuitputtelijke kracht en zullen we met
vertrouwen en kalmte worden vervuld.
Waarom zijt gij bang, kleingelovigen?
zegt Hij tot zijn volgelingen, als Hij hen door vrees ziet overweldigd,
overtuigd dat zij zinken. Waarom zijn jullie bevreesd als Ik bij jullie ben?
Hij is de zekerheid van alle zekerheden. Het is voor ons voldoende met Hem in
Zijn boot te zijn, waar Hij ons kan zien, om al de angsten die we hebben en de
moeilijkheden die we kunnen tegenkomen, te overwinnen; wanneer we overstelpt
worden met povere resultaten en met zorg, met beproevingen, met bekoringen en
met een gevoel van niet begrepen te worden.
Een gebrek aan vertrouwvolle zekerheid komt slechts tevoorschijn
als ons geloof zwak is. Juist op die ogenblikken vergeten we misschien dat, hoe
groter de moeilijkheid is des te krachtiger de hulp van God zal zijn. Dit zal
altijd het geval zijn als we ernaar streven ten volle onze roeping als christen
te beleven, wat de situatie ook zijn mag: in ons gezinsleven, in ons dagelijks
werk, in het doen van ons apostolaat.
Jezus wil ons vervuld zien met zijn vrede en rust, te allen
tijde en onder alle omstandigheden. Weest niet bang, Ik ben
het, zegt Hij tegen zijn volgelingen die doodsbang zijn voor de hoge golven.
Bij een andere gelegenheid zegt Hij: Tot U, die Mijn
vrienden zijt, zeg Ik: Vreest niet.2
Vanaf het moment van zijn komst in de wereld toonde Hij hoe zijn
tegenwoordigheid onder de mensen er uit zou zien. De boodschap van de
Menswording begint juist met deze woorden: Vrees niet,
Maria.3 En de engel van de Heer moest
tegen Jozef zeggen: Jozef, zoon van David, wees niet
bevreesd.4 Tegen de herders zal de engel
nogmaals zeggen: Vreest niet.5 Wij moeten voor niets bang zijn. Zelfs de 'heilige
vrees' voor God is een vorm van liefde; het is vroomheid en niets anders als de
vrees Hem te verliezen.
Volledig vertrouwen in God, het gebruik van elk middel nodig
in iedere situatie, geeft een onvergelijkbare geestkracht en een bijzonder
soort kalmte aan de christen, wat hem ook moge overkomen en welke tegenspoed
hij ook onder ogen moet zien. De veelvuldige overweging van ons goddelijk
kindschap, elke dag, brengt ons ertoe met God te spreken, niet alsof wij met
iemand die ver weg is zouden spreken, die net zo onverschillig als ver weg is,
die koel is en geen aandacht heeft voor ons, maar in het bewustzijn dat we met
een Vader aan het spreken zijn, die geïnteresseerd is in elke stap door zijn
kinderen gedaan. Wij zullen ertoe komen Hem te zien als de Vriend die ons nooit
teleurstelt, die altijd bereid is te helpen en, zo nodig, te vergeven. Dichtbij
Hem zullen wij leren begrijpen dat elke tegenslag en alle moeilijkheden ons
mensen voordelen brengen als we weten hoe ze met geloof te aanvaarden, als we
Hem niet de rug toekeren. «Gelukkige tegenspoed van deze wereld! Armoede, tranen,
haat, onrecht, schande. Alles zul je vermogen in Hem, die je kracht zal geven.»6 En de heilige Theresia heeft, met de welbeproefde
ervaring van de heilige, voor ons geschreven: «Als je op Hem vertrouwt en een
bemoedigend hart bezit -want Zijn Majesteit houdt zeer van mensen met zulk een
instelling- wees dan niet bevreesd, dat het je aan iets zal ontbreken.»7 De Heer zorgt voor wie Hem toebehoren, zelfs wanneer Hij
schijnt te slapen.
50.3 Sommigen die Christus
schijnen te volgen zolang alles gebeurt op de manier die zij wensen, wenden
zich van Hem af juist wanneer zij de grootste behoefte aan Hem hebben: wanneer
hun kind, hun man, hun vrouw, hun broer, hun zus ziek wordt; in tijden van
financiële spanning; wanneer zij getroffen worden door laster of smaad en
sommigen van hun vrienden hun de rug toekeren, of als zij in hun eigen inwendig
leven die aangename gevoelens missen die op andere momenten gemaakt hebben dat
overgave en apostolaat relatief gemakkelijk schenen. Misschien moet het
verdwijnen van zulke gevoelens plaats maken voor droogte en droefheid als een
zeer bijzondere genade van God, een genade die hun intenties en harten zuivert.
Het kan dan gebeuren dat ze denken dat God niet langer naar hen luistert, of
dat Hij blijft zwijgen, alsof Hij onverschillig was met betrekking tot hun hachelijke
toestand of ten opzichte van hun zorgen. Het is juist dán dat we tegen Jezus
moeten zeggen, en zelfs met meer nadruk: Heer, red ons, we
vergaan! Hij laat nooit na te reageren. Hij heeft altijd aandacht voor
ons. Misschien wacht Hij op ons; dat wij met meer nadruk en oprechtheid van
bedoeling bidden, en dat wij ons nog vollediger overgeven aan zijn sterke
armen.
Bij elke tegenslag, in tijden van moeilijkheden en bekoring,
moeten we ons onmiddellijk tot Jezus wenden. «Zoek zijn aangezicht, dat altijd
werkelijk en lijfelijk tegenwoordig is in zijn Kerk. Doe ten minste zoals de
leerlingen gedaan hebben. Zij hadden maar weinig geloof, ze waren bevreesd, ze
hadden geen groot vertrouwen en vrede, maar zij weken althans niet van Christus
[...]. Wijk niet van Hem af, maar kom, als je in moeilijkheden zit, naar Hem
toe, elke dag, en vraag Hem ernstig en volhardend om die gunsten die Hij alleen
kan schenken. En zoals Hij bij die gelegenheid waarover het evangelie spreekt,
de leerlingen weliswaar berispte maar toch deed wat zij Hem vroegen, zo moet je
vertrouwen op zijn grote genade. Ook al moet Hij heel wat onstandvastigheid in
ons vaststellen, die er eigenlijk niet zou moeten zijn, toch zal Hij de stormen
en de zee berispen en zeggen: Zwijg stil, en het zal
heel stil worden.»8 Onze ziel zal tot rust
komen, zelfs te midden van rampspoed.
Met de nieuwe vrede die de Heer aan onze harten schenkt zullen
we met vertrouwen op weg gaan om opnieuw te strijden in uitwendige en inwendige
veldslagen voor vrede. We zullen met vreugde die ergernissen, die in
werkelijkheid dienen om ons te zuiveren, aanvaarden; en we zullen meer één met
Hem zijn. In zulke omstandigheden moeten wij ook niet vergeten dat God een
engel naast ons heeft geplaatst om op ons te passen, om ons te helpen en om
onze gebeden des te gemakkelijker in zijn tegenwoordigheid ten uitvoer te
brengen. «Wanneer u iets nodig hebt of met moeilijkheden te kampen krijgt, roep
dan uw engelbewaarder aan en vraag hem de zaak met Jezus uit te zoeken of de
bijzondere dienst die u verlangt, te vervullen.»9
-1. Mt 8,23-27. -2. Lc 12,4. -3 Lc 1,30. -4. Mt 1,20. -5. Lc 2,10. -6 H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 717. -7. H. Theresia van Ávila, De
Kloosterstichtingen, 27,12. -8. Kard. J.H. Newman,
Preek op de vierde zondag na Driekoningen, 30
januari 1848. -9. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 931.
|