Vierentwintigste week. Zaterdag
27. Goede grond
-Harten die bij gebrek aan berouw versteend zijn, zijn niet
in staat het goddelijke woord te ontvangen. -De noodzaak van gebed en offer om
de genade in de ziel vrucht te doen voortbrengen. -Geduld en volharding:
opnieuw beginnen met nederigheid.
27.1 Een grote menigte verzamelde zich en de
mensen stroomden uit de steden naar Jezus toe.1 Jezus maakte gebruik van deze gelegenheid om de
mensen te onderrichten over de geheimzinnige inwerking van de genade in de
ziel. Daar zijn gehoor grotendeels uit boeren bestond, gebruikte Jezus een
parabel uit het boerenbestaan. Een
zaaier ging uit om zaad te zaaien... De zaaier is Christus zelf.
Hij werkt voortdurend om zijn Koninkrijk van vrede en liefde onder de mensen te
verbreiden. Bij deze poging is Hij afhankelijk van de vrijheid en het
persoonlijk antwoord van iedere persoon. God
kan men vinden in mensen in de meest verschillende omstandigheden, even
verschillend als de soorten grond op een boerderij. En bij het zaaien viel een gedeelte op de weg; het werd
vertrapt en de vogels uit de lucht aten het op. Het zaad ging
volkomen verloren zonder dat het vrucht gedragen had. Later legde Jezus de
parabel aan zijn leerlingen uit, alsook de reden voor het teloor gaan: Maar dan komt de duivel en rooft het
woord uit hun hart weg. Harten die versteend zijn door gebrek aan berouw over de eigen zonden, zijn niet
in staat het goddelijk woord te ontvangen. Deze slechte grond staat voor
het «hart dat gewend is aan verkeerde gedachten, het is zo 'verdord' dat het
geen zaad kan ontvangen en doen groeien.»2 De
duivel vindt in deze soort zielen een bron van weerstand tegen Gods reddende
genade.
Een persoon daarentegen die reageert op onvolmaaktheden en
zwaktes met oprecht berouw, trekt goddelijk medelijden naar zich toe. Echte
nederigheid staat God toe zijn zaad te zaaien en het overvloedig vrucht te
laten dragen. Daarom moeten wij deze parabel gebruiken om ons geweten te
onderzoeken omtrent de dagelijkse zonden, zelfs in de minst ernstige zaken.
Gaan we regelmatig biechten met een oprecht verlangen naar goddelijke hulp?
Laten wij Jezus vragen ons te helpen de zonde te vermijden en
afstand te bewaren tot alles wat ons van zijn vriendschap kan scheiden. «Jij
bent op voet van grote intimiteit gekomen met deze, onze God die zo dicht bij
jou is, zo binnen in je ziel..., maar zorg jij, dat die intimiteit vermeerdert,
inniger wordt? Vermijd jij, dat zij overspoeld wordt door onbeduidendheden die
die vriendschap kunnen vertroebelen? -Wees dapper. Aarzel niet korte metten te
maken met alles wat, al was het maar lichtelijk, Hem die zoveel van je houdt,
zou bedroeven.»3
27.2 Een ander gedeelte viel op de rotsgrond;
het schoot wel op maar droogde uit, omdat het geen vocht had. Dit
duidt op degenen die, als zij het
woord horen, het met vreugde ontvangen; maar zij hebben geen wortels, ze
geloven voor enige tijd maar haken af in een tijd van beproeving.
Op het uur der waarheid bezwijken zij omdat hun loyaliteit aan Christus slechts
wortelt in gevoel en niet in gebed. Daardoor zijn zij niet in staat zonder
schade door moeilijke tijden heen te komen of in de beproevingen van het leven
en in perioden van geestelijke dorheid stand te houden. «Veel mensen zijn blij
met wat zij horen en besluiten oprecht het goede na te streven. Maar wanneer
tegenslag en lijden komen, worden zij snel ontrouw aan hun goede inzet.»4 Hoeveel goede besluiten zijn de grond in geboord,
toen de weg van het innerlijk leven niet meer vlak en makkelijk begaanbaar was.
Deze mensen waren meer op zoek naar zichzelf dan naar God. Zoals de heilige
Augustinus onder de aandacht bracht: «Sommigen handelen om de ene reden.
Anderen om een andere. Feit is dat weinigen Jezus zoeken om Jezus zelf.»5 Jezus zoeken is: zijn voetstappen volgen waarheen
zij ook voeren, ongeacht of het pad vlak en gemakkelijk is of steil en
moeilijk. Het belangrijkste is het hebben van een vastberaden verlangen bij
Christus te komen, Jezus zoeken om Jezus zelf. We kunnen dit alleen volbrengen
als we trouw zijn in ons dagelijks gebed, of dit ons nu makkelijk afgaat of
eerder een offer is.
Weer een ander
gedeelte viel tussen de distels, maar tegelijkertijd schoten de distels op en
verstikten het. Dit staat voor de mensen die, nadat ze het woord
van God gehoord hebben, verstikt worden door de zorgen, de rijkdom en de genoegens van het leven.
Het is onmogelijk Christus te volgen, tenzij wij een leven van versterving
leiden. Als wij dit niet doen, zal de aantrekkingskracht van de wereld
geleidelijk aan de zaken van God overwinnen. Uiteindelijk geeft de ziel de
geestelijke strijd op ten gunste van wereldse zaken. De heilige Basilius
schreef: «Wees niet verbaasd dat Jezus de wereldse genoegens 'doornen' noemt.
Waar de doornen ons ook maar raken, zij maken onze handen altijd aan het
bloeden. Evenzo beschadigen de wereldse genoegens de voeten, de handen, hoofd
en ogen... Wanneer iemand zijn zinnen gezet heeft op tijdelijke zaken, verdooft
hij de scherpte van zijn waarneming en verzwakt hij de rede...»6
Gebed en versterving bereiden de ziel voor om het goddelijke
zaad te ontvangen en dan vrucht te dragen. Zonder deze middelen blijft het
leven onvruchtbaar. «Het systeem, de methode, het proces, de enige methode
waarbij wij het leven -een overvloedig leven, rijk aan bovennatuurlijk
vruchten- behouden, is het volgen van de raad van de Heilige Geest die ons
bereikt middels de Handelingen van de Apostelen: omnes erant perseverantes unanimiter in oratione
-allen volhardden eensgezind in gebed. -Zonder gebed, niets!»7 Alle wegen die leiden tot God, gaan via gebed en
onthechting.
27.3 «Jezus
beschrijft eerst de omstandigheden die tot mislukking leiden voordat Hij verder
gaat met de belofte van de goede grond. Hij staat zichzelf niet toe, hoe dan
ook, teleurgesteld te zijn, maar koestert de hoop dat iedereen ooit goede grond
mag worden.»8 En een gedeelte viel op goede aarde en schoot op en bracht
honderdvoudige vruchten voort... Dit zijn zij die het woord dat zij
hoorden, in een goed en eerlijk hart bewaren en vrucht voortbrengen door hun
standvastigheid.
Iedereen is in staat overvloedige vruchten aan de Heer te
geven, ongeacht zijn verleden. God zaait altijd het zaad van zijn genade. «Het
belangrijkste is niet te worden als een plat getreden pad, als rotsige bodem,
als doornen... We moeten vruchtbare bodem worden... Het hart mag geen makkelijke
prooi zijn voor vogels en voorbijgangers. Het moet genoeg aarde beschikbaar
hebben om het zaad te laten wortelen. De zon van menselijke hartstocht en een
losbandig leven mogen de zaailingen van goddelijke belofte niet verschroeien.»9
Er zijn drie voorwaarden die vervuld moeten zijn om goede
grond te worden: luisteren met een rouwmoedig hart, ijverig zijn in gebed en
versterving en tenslotte bereid zijn telkens weer opnieuw te beginnen en vol te
houden met de innerlijke strijd. We moeten ons niet laten ontmoedigen als de
vruchten van onze strijd niet meteen duidelijk zijn, zelfs na heel wat jaren
van inspanning.
Ik zal u een
nieuw hart geven en een nieuwe geest in u uitstorten; Ik zal het stenen hart
uit uw lichaam verwijderen en u een hart van vlees geven.10 Deze zin komt uit het getijdengebed van vandaag.
Wanneer wij bereid zijn onze levenswandel te veranderen, is de Heer meer dan
bereid ons te veranderen in goede grond. Hij zal dit bewerken in de meest
verborgen plaatsen van ons wezen. De genade van God is almachtig. Van
doorslaggevende betekenis is het om zich telkens weer naar God te wenden. De
heilige Augustinus leert ons: «God is een landbouwer, en als Hij de mens
verlaat, wordt de mens een woestijn. De mens is ook een landbouwer en als hij
God verlaat, verandert hij zichzelf eveneens in een woestijn.»11 Laten wij besluiten ons nooit van de Heer af te
wenden. We moeten gedurende de dag vele malen tot zijn liefdevol Hart onze
toevlucht nemen.
-1. Lc
8,4-15. -2. H. Gregorius de Grote, Preken over de evangeliën,
in loc. -3. Zalige Josemaría Escriva, De Smidse, 417. -4. H. Gregorius de Grote, o.c., 15,2. -5. H. Augustinus,
Commentaren op het
evangelie van Johannes, 25,10. -6. H. Basilius, Homilieën op het Lucasevangelie,
3,12. -7. Zalige Josemaría Escriva, o.c., 297. -8. H. Johannes
Chrysostomus, Homilieën
over Matteus, 44. -9. H. Augustinus,
Preek 101,
3. -10. Getijdenboek,
Lauden, Ez 36,26.
-11. H. Augustinus, Commentaar op de Psalmen 145,11.
|