Boeken over RK geloof en leven
Boeken & DVD's Voor eenheid van geloof en leven 
Home Best verkocht Alle titels Aanbiedingen Bestellijst Help Contact
pijl
Categorie
Kort Bestek
Andere pockets
Arco Reeks
Van Jozefmaria Escrivá
Spreken met God
Andere Boeken
Over Jozefmaria Escrivá
Voor kinderen
Jade Reeks
Theologie/ATRIUM
Video / DVD
Navarre bible

Zoek cadeau
tot € 5,-
van € 5,- tot € 10,-
van € 10,- tot € 20,-
vanaf € 20,-

Zoeken


Meditaties
Uit Spreken met God


Betaal snel & veilig met
Meditaties Uit de serie Spreken met God

Zevende zondag door het jaar (A)

52. GOEDE OMGANG MET IEDEREEN

-Wij moeten de liefde beleven bij elke gelegenheid, in elke omstandigheid. Begrip voor wie zich vergist, maar vastberadenheid met betrekking tot de waarheid en het goede. -Naastenliefde jegens mensen die ons niet waarderen, jegens mensen die kwaadspreken of lasteren, jegens mensen die ons niet welgezind zijn-, jegens allen. Voor hen bidden. -Liefde leidt tot doorleefde vriendschap, met een diep christelijke betekenis.

52.1 Gij hebt gehoord dat er gezegd is: oog om oog, tand om tand. Maar ik zeg u [...] als iemand u voor het gerecht wil dagen en uw onderkleed afnemen, laat hem dan ook het bovenkleed. Als iemand u vordert één mijl met hem te gaan, ga er dan twee met hem.1 Dit zijn woorden van Jezus uit het evangelie van de mis van vandaag die ons aanzetten de liefde in ons leven een plaats te geven die de grenzen van de mensen overstijgt. Het spreekt voor zich, dat wij in de omgang met anderen niet naïef kunnen zijn en dat gerechtigheid -ook als het gaat om het opkomen voor eigen rechten- en verstandigheid beleefd moeten worden, maar zich opofferen of ergens van afzien voor het welzijn van anderen mogen wij nooit als overdrijving beschouwen. Zo lijken wij op Christus die, met zijn dood aan het kruis, ons een voorbeeld van liefde gaf, dat elke menselijke maat te boven ging.

De mens heeft niets dat zo goddelijk -zozeer van Christus- is, als de zachtmoedigheid en het geduld om het goede te doen.2 «Laten wij -geeft de heilige Johannes Chrysostomus ons als raad- die deugden nastreven die ons heil ten goede komen, maar daarnaast vooral ook de naaste. [...] Op deze aarde leeft niemand alleen voor zichzelf; de kunstenaar, de soldaat, de arbeider, de handelaar, allen zonder uitzondering dragen bij aan het algemeen welzijn en het voordeel van de naaste. Met hoeveel meer recht nog in het geestelijke, want daar wordt het echte leven geleefd. Wie alleen voor zichzelf leeft en de anderen minacht, is een nutteloos wezen, geen mens, hij behoort niet tot onze stam.»3

De veelvuldige oproepen van de Heer -in het bijzonder zijn nieuwe gebod4- om op elk moment te leven vanuit de liefde, dienen ons aan te sporen Hem met concrete daden van nabij te volgen, door de gelegenheid te zoeken nuttig te zijn, door onze blijdschap te delen met de mensen aan onze zijde, door te beseffen, dat wij nooit voldoende voortgang boeken in het beoefenen van de deugd der liefde. In het merendeel van de gevallen zal dat alleen in kleine details tot uiting komen, in zoiets gewoons als een glimlach, een bemoedigend woord, een vriendelijk gebaar... Dat zijn grote dingen in de ogen van God en zij zullen ons dichter bij hem brengen. Laten wij gelijktijdig in ons gebed al die aspecten overwegen waarin wij, als wij niet oppassen, makkelijk tekort kunnen schieten in de naastenliefde: overhaaste oordelen, afbrekende kritiek, gebrek aan mededogen omdat we te veel met onze eigen ambities bezig zijn, vergeetachtigheid... Oog om oog en tand om tand is geen christelijke norm, maar voortdurend het goede doen, ook al verwerven wij er hier op aarde geen enkel menselijk voordeel bij, is dat wel. Ons hart zal er altijd door verrijkt worden.

Liefde brengt ons tot begrip, vergeving, tot functioneren tussen anderen op een wijze dat «ook tot hen die op sociaal, politiek en ook godsdienstig gebied anders denken en handelen dan wij, respect en liefde zich moeten uitstrekken. Hoe meer en hoe dieper begrip wij in menselijk­heid en christelijke liefde van hun ideeën krijgen, des te makkelijker zullen wij met hen een dialoog kunnen aangaan. Deze liefde en welwillendheid moeten ons natuurlijk niet onverschillig maken voor de waarheid en het goede. Meer nog, juist de liefde drijft de leerlingen van Christus ertoe om de heilzame waarheid aan alle mensen bekend te maken. Maar men dient een onderscheid te maken tussen de dwaling, die altijd te verwerpen is, en de dwalende, die steeds de waardigheid van het persoon-zijn behoudt, ook wanneer hij zich laat verleiden tot valse of minder juiste religieuze opvattingen.»5 «Een leerling van Christus zal nooit iemand slecht behandelen. Hij noemt een dwaling dwaling; maar vol genegenheid moet hij degene die dwaalt weer in het goede spoor zetten. Anders kan hij hem niet helpen, kan hij hem niet heiligen.»6 Dat toch is het grootste blijk van liefde, genegenheid en naastenliefde.

52.2 Het voorschrift van de liefde omvat niet alleen diegenen die ons beminnen en het beste met ons voor hebben, maar allen zonder uitzondering. Gij hebt gehoord dat er gezegd is: Gij zult uw naaste beminnen en uw vijand haten. Maar ik zeg u: Bemint uw vijanden en bidt voor wie u vervolgen (Mt 5,44).

Als dat ons ooit overkomt, moeten wij ook de naastenliefde beoefenen jegens hen die ons kwaad doen, hen die ons zwart maken en in onze eer aantasten, hen die ons rechtstreeks willen benadelen. De Heer geeft ons het voorbeeld aan het kruis7, en dezelfde weg als de Meester zullen zijn leerlingen volgen.8 Hij onderricht ons geen persoonlijke vijanden te hebben -zoals de heiligen in alle tijden op heldhaftige wijze getuigd hebben- en de zonde te beschouwen als het enige echte kwaad. Naastenliefde zal zich op verschillende wijzen uiten zonder onverenigbaar te zijn met verstandigheid en een terecht opkomen voor de eigen zaak, met het verkondigen van de waarheid in geval van zwartmakerij, en met de standvastigheid in de verdediging van zijn eigen of andermans goed of rechtmatige belangen, en de rechten van de Kerk. De christen dient echter altijd een groot hart te hebben, als het gaat om het respecteren van allen, ook van hen die openlijk vijanden zijn, «niet omdat zij broeders zijn -stelt de heilige Augustinus- maar opdat zij het worden; om altijd met broederliefde voort te gaan naar hem die reeds broeder is en naar hem die zich voordoet als vijand, opdat het moment komt dat hij broeder zal zijn.»9

Deze wijze van optreden, die een diep gebedsleven veronderstelt, onderscheidt ons duidelijk van de heidenen en van hen die niet als leerlingen van Jezus willen leven. Want als gij bemint die u beminnen, wat voor recht op loon hebt gij dan? Doen de tollenaars niet hetzelfde? En als gij alleen uw broeders groet, wat voor buitengewoons doet gij dan? Doen de heidenen dat ook niet? Het christengeloof vraagt niet alleen een eerlijk menselijk gedrag, maar ook heldhaftige deugdbeoefening, die in het dagelijks leven moet blijken.

Wij zullen de naastenliefde ook, met de hulp van de genade, in praktijk brengen jegens hen die zich niet gedragen als kinderen van God, hen die Hem beledigen. «Geen enkele zondaar [immers] is, als zodanig, beminnenswaardig; maar iedere mens is, als mens, voorwerp van Gods liefde.»10 Zij allen blijven kind van God en behouden de mogelijkheid zich te bekeren en de eeuwige heerlijkheid te bereiken. Naastenliefde zal ons aanzetten tot gebed, tot het goede voorbeeld, tot apostolaat, tot broederlijk vermaan, in het vertrouwen, dat iedereen in staat is zijn fouten te herstellen. Als de beledigingen, scheldpartijen, kwaadsprekerijen uitermate kwetsend zijn, zullen wij de hulp inroepen van Onze Lieve Vrouw; hoe vaak waren onze gedachten niet bij haar aan de voet van het kruis, waar zij van heel dichtbij alle onrecht voelde dat haar Zoon werd aangedaan. En een groot deel van die beledigingen, laten wij dat niet vergeten, kwam van ons. Wij moeten ze het meest betreuren omdat wij God ermee beledigd hebben en om de schade die wij anderen ermee aangedaan kunnen hebben. Zij moeten ons aanzetten God eerherstel te brengen en goed te maken wat binnen onze mogelijkheden ligt.

52.3 Het hart van de christen moet groot zijn. Het spreekt voor zich, dat zijn liefde geordend dient te zijn en, als gevolg daarvan, allereerst gericht dient te zijn op de mensen die het meest nabij zijn, op de personen die, door Gods wil, in zijn nabijheid verkeren. Onze waardering en genegenheid kunnen trouwens nooit exclusief zijn, of beperkt tot een kleine kring. De Heer wil geen apostolaat met zulke beperkte horizonten.

De vereniging met God waarvan wij willen dat die door onze inspanning en door zijn genade vruchten zal dragen in ons gedrag, moet ons ertoe brengen de menselijk aantrekkelijke kant van het apostolaat te laten zien. De hou­ding van de christen, diens vriendelijke omgang met allen, dient te lijken op een genereuze schat aan bovennatuurlijke tederheid en menselijke hartelijkheid, door de neiging tot egocentrisme, tot zich volledig in beslag laten nemen door zijn eigen zaken, te overwinnen.

In ons persoonlijk gebed vragen wij de Heer dat Hij ons hart verruimt; dat Hij ons helpt onze vriendschap oprecht aan te bieden aan veel mensen; dat Hij ons aanzet apostolaat te bedrijven onder iedereen, ook al wordt dat niet beantwoord, ook al moeten wij ons eigen ik vaak wegcijferen, afzien van het eigen standpunt of de persoonlijke smaak. Trouwe vriendschap betekent ook een positieve poging -die wij zullen handhaven door de voortdurende omgang met God- «om de opvattingen van onze vrienden te begrijpen, ook al is het verre van ons die te delen of te aanvaarden»11, omdat deze onverenigbaar zijn met onze opvattingen als christen.

De Heer blijft onze beledigingen steeds, elke keer als wij ons gedreven door zijn genade tot Hem wenden, verge­ven; Hij heeft een eindeloos geduld met onze kleinzieligheden en vergissingen. Daarom vraagt Hij ons -zoals Hij ons in het 'Onze Vader' expliciet geleerd heeft- geduld te hebben in situaties en omstandigheden die het moeilijk maken bekenden of vrienden, die wij zo tegenkomen, dichter bij God te brengen. Gebrek aan vorming, onbekend­heid met de leer, kennelijke gebreken, ook een klaarblijkelijke onverschilligheid, moeten ons niet verwijderen van deze mensen. Zij moeten voor ons juist positieve, drin­gende oproepen zijn, lichten die duiden op een zeer grote behoefte aan geestelijke hulp. Zij moeten de prikkel zijn om onze belangstelling voor hen, voor iedereen, te intensiveren. Nooit een reden om hen links te laten liggen.

Laten wij het concrete voornemen maken onze familieleden, vrienden en bekenden die dit het meest nodig hebben, nabij te zijn. En laten wij de heilige Maagd Maria de genade vragen om daarmee te beginnen.

-1. Mt 5,38-48. -2. H. Gregorius van Nazianze, Gebed 17, 9. -3. H. Johannes Chrysostomus, Homilieën over Matteüs, 77,6. -4. Vgl. Joh 13,34-35 en 15,12. -5. Vaticanum ii, Past. const. Gau­dium et spes, 28. -6. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 9. -7. Vgl. Lc 23,34. -8. Vgl. Hnd 7,60. -9. H. Augustinus, Commentaar op de eerste brief van Johannes, 4,10,7. -10. Idem, Over de christelijke leer, 1,27. -11. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 746.




Catalogus 2012
Aanbiedingen
De avonturen van Josemaría
van € 12,00 voor € 5,00
De heilige Jozefmaria Escrivá
van € 9,50 voor € 5,00
Meer aanbiedingen ...
Best verkocht
1 Kinderen van God
2 Korte Geschiedenis van de Katholieke Kerk
3 De Bijbel leren kennen
4 De Katholieke Kerk verkennen
Meer over best verkocht ...
Snel zoeken
Sitemaps: xml  html    ©De Boog 08 feb 2012