Zevende zondag door het jaar (A)
52. GOEDE OMGANG MET IEDEREEN
-Wij moeten de liefde beleven bij elke
gelegenheid, in elke omstandigheid. Begrip voor wie zich vergist, maar
vastberadenheid met betrekking tot de waarheid en het goede. -Naastenliefde
jegens mensen die ons niet waarderen, jegens mensen die kwaadspreken of
lasteren, jegens mensen die ons niet welgezind zijn-, jegens allen. Voor hen
bidden. -Liefde leidt tot doorleefde vriendschap, met een diep christelijke
betekenis.
52.1 Gij hebt gehoord dat er gezegd is: oog om oog,
tand om tand. Maar ik zeg u [...] als iemand u voor het gerecht wil dagen en uw
onderkleed afnemen, laat hem dan ook het bovenkleed. Als iemand u vordert één
mijl met hem te gaan, ga er dan twee met hem.1 Dit zijn woorden
van Jezus uit het evangelie van de mis van vandaag die ons aanzetten de liefde
in ons leven een plaats te geven die de grenzen van de mensen overstijgt. Het
spreekt voor zich, dat wij in de omgang met anderen niet naïef kunnen zijn en
dat gerechtigheid -ook als het gaat om het opkomen voor eigen rechten- en
verstandigheid beleefd moeten worden, maar zich opofferen of ergens van afzien
voor het welzijn van anderen mogen wij nooit als overdrijving beschouwen. Zo
lijken wij op Christus die, met zijn dood aan het kruis, ons een voorbeeld van
liefde gaf, dat elke menselijke maat te boven ging.
De mens heeft niets dat zo goddelijk -zozeer
van Christus- is, als de zachtmoedigheid en het geduld om het goede te doen.2 «Laten wij -geeft
de heilige Johannes Chrysostomus ons als raad- die deugden nastreven die ons
heil ten goede komen, maar daarnaast vooral ook de naaste. [...] Op deze aarde leeft niemand alleen voor zichzelf; de
kunstenaar, de soldaat, de arbeider, de handelaar, allen zonder uitzondering
dragen bij aan het algemeen welzijn en het voordeel van de naaste. Met hoeveel
meer recht nog in het geestelijke, want daar wordt het echte leven geleefd. Wie
alleen voor zichzelf leeft en de anderen minacht, is een nutteloos wezen, geen
mens, hij behoort niet tot onze stam.»3
De veelvuldige oproepen van de Heer -in het
bijzonder zijn nieuwe gebod4- om op elk moment te leven vanuit de liefde, dienen ons aan te sporen
Hem met concrete daden van nabij te volgen, door de gelegenheid te zoeken
nuttig te zijn, door onze blijdschap te delen met de mensen aan onze zijde,
door te beseffen, dat wij nooit voldoende voortgang boeken in het beoefenen van
de deugd der liefde. In het merendeel van de gevallen zal dat alleen in kleine
details tot uiting komen, in zoiets gewoons als een glimlach, een bemoedigend
woord, een vriendelijk gebaar... Dat zijn grote dingen in de ogen van God en zij
zullen ons dichter bij hem brengen. Laten wij gelijktijdig in ons gebed al die
aspecten overwegen waarin wij, als wij niet oppassen, makkelijk tekort kunnen
schieten in de naastenliefde: overhaaste oordelen, afbrekende kritiek, gebrek
aan mededogen omdat we te veel met onze eigen ambities bezig zijn, vergeetachtigheid...
Oog om oog en tand om tand is geen christelijke norm, maar voortdurend het goede doen, ook al
verwerven wij er hier op aarde geen enkel menselijk voordeel bij, is dat wel.
Ons hart zal er altijd door verrijkt worden.
Liefde brengt ons tot begrip, vergeving, tot
functioneren tussen anderen op een wijze dat «ook tot hen die op sociaal, politiek en ook godsdienstig gebied
anders denken en handelen dan wij, respect en liefde zich moeten
uitstrekken. Hoe meer en hoe dieper begrip wij in menselijkheid en
christelijke liefde van hun ideeën krijgen, des te makkelijker zullen wij met
hen een dialoog kunnen aangaan. Deze liefde
en welwillendheid moeten ons natuurlijk niet onverschillig maken voor de
waarheid en het goede. Meer nog, juist de liefde drijft de leerlingen van
Christus ertoe om de heilzame waarheid aan alle mensen bekend te maken. Maar men dient een onderscheid te maken tussen de dwaling, die altijd te
verwerpen is, en de dwalende, die steeds de waardigheid van het persoon-zijn
behoudt, ook wanneer hij zich laat verleiden tot valse of minder juiste
religieuze opvattingen.»5 «Een leerling van Christus zal
nooit iemand slecht behandelen. Hij noemt een dwaling dwaling; maar vol
genegenheid moet hij degene die dwaalt weer in het goede spoor zetten.
Anders kan hij hem niet helpen, kan hij hem
niet heiligen.»6 Dat toch is het grootste blijk van liefde, genegenheid en
naastenliefde.
52.2 Het voorschrift van de liefde omvat niet alleen diegenen die ons
beminnen en het beste met ons voor hebben, maar allen zonder uitzondering. Gij hebt gehoord dat er gezegd is: Gij zult uw
naaste beminnen en uw vijand haten. Maar ik zeg u: Bemint uw vijanden en bidt
voor wie u vervolgen (Mt 5,44).
Als dat ons ooit overkomt, moeten wij ook de
naastenliefde beoefenen jegens hen die ons kwaad doen, hen die ons zwart maken
en in onze eer aantasten, hen die ons rechtstreeks willen benadelen. De Heer
geeft ons het voorbeeld aan het kruis7, en dezelfde weg als de Meester zullen
zijn leerlingen volgen.8 Hij onderricht ons geen persoonlijke vijanden te hebben -zoals de
heiligen in alle tijden op heldhaftige wijze getuigd hebben- en de zonde te
beschouwen als het enige echte kwaad. Naastenliefde zal zich op verschillende
wijzen uiten zonder onverenigbaar te zijn met verstandigheid en een terecht
opkomen voor de eigen zaak, met het verkondigen van de waarheid in geval van
zwartmakerij, en met de standvastigheid in de verdediging van zijn eigen of
andermans goed of rechtmatige belangen, en de rechten van de Kerk. De christen
dient echter altijd een groot hart te hebben, als het gaat om het respecteren
van allen, ook van hen die openlijk vijanden zijn, «niet omdat zij broeders
zijn -stelt de heilige Augustinus- maar opdat zij het worden; om altijd met
broederliefde voort te gaan naar hem die reeds broeder is en naar hem die zich
voordoet als vijand, opdat het moment komt dat hij broeder zal zijn.»9
Deze wijze van optreden, die een diep
gebedsleven veronderstelt, onderscheidt ons duidelijk van de heidenen en van
hen die niet als leerlingen van Jezus willen leven. Want als gij bemint die u beminnen, wat voor recht op loon hebt gij
dan? Doen de tollenaars niet hetzelfde? En als gij alleen uw broeders groet,
wat voor buitengewoons doet gij dan? Doen de heidenen dat ook niet? Het christengeloof vraagt niet alleen een eerlijk menselijk gedrag,
maar ook heldhaftige deugdbeoefening, die in het dagelijks leven moet blijken.
Wij zullen de naastenliefde ook, met de hulp
van de genade, in praktijk brengen jegens hen die zich niet gedragen als
kinderen van God, hen die Hem beledigen. «Geen enkele zondaar [immers] is, als
zodanig, beminnenswaardig; maar iedere mens is, als mens, voorwerp van Gods
liefde.»10 Zij allen blijven kind van God en behouden de mogelijkheid zich te
bekeren en de eeuwige heerlijkheid te bereiken. Naastenliefde zal ons aanzetten
tot gebed, tot het goede voorbeeld, tot apostolaat, tot broederlijk vermaan, in
het vertrouwen, dat iedereen in staat is zijn fouten te herstellen. Als de
beledigingen, scheldpartijen, kwaadsprekerijen uitermate kwetsend zijn, zullen
wij de hulp inroepen van Onze Lieve Vrouw; hoe vaak waren onze gedachten niet
bij haar aan de voet van het kruis, waar zij van heel dichtbij alle onrecht
voelde dat haar Zoon werd aangedaan. En een groot deel van die beledigingen, laten
wij dat niet vergeten, kwam van ons. Wij moeten ze het meest betreuren omdat
wij God ermee beledigd hebben en om de schade die wij anderen ermee aangedaan
kunnen hebben. Zij moeten ons aanzetten God eerherstel te brengen en goed te
maken wat binnen onze mogelijkheden ligt.
52.3 Het hart van de christen moet groot zijn. Het spreekt voor zich, dat
zijn liefde geordend dient te zijn en, als gevolg daarvan, allereerst gericht
dient te zijn op de mensen die het meest nabij zijn, op de personen die, door
Gods wil, in zijn nabijheid verkeren. Onze waardering en genegenheid kunnen
trouwens nooit exclusief zijn, of beperkt tot een kleine kring. De Heer wil
geen apostolaat met zulke beperkte horizonten.
De vereniging met
God waarvan wij willen dat die door onze inspanning en
door zijn genade vruchten zal dragen in ons gedrag, moet ons ertoe brengen de
menselijk aantrekkelijke kant van het apostolaat te laten zien. De houding van de christen, diens vriendelijke
omgang met allen, dient te lijken op een genereuze schat aan bovennatuurlijke tederheid en menselijke
hartelijkheid, door de neiging tot egocentrisme, tot zich volledig in
beslag laten nemen door zijn eigen zaken, te overwinnen.
In ons persoonlijk
gebed vragen wij de Heer dat Hij ons hart verruimt; dat
Hij ons helpt onze vriendschap oprecht aan te bieden aan veel mensen; dat Hij
ons aanzet apostolaat te bedrijven onder iedereen, ook al wordt dat niet
beantwoord, ook al moeten wij ons eigen ik vaak wegcijferen, afzien van het
eigen standpunt of de persoonlijke smaak. Trouwe vriendschap betekent ook een
positieve poging -die wij zullen handhaven door de voortdurende omgang met God-
«om de opvattingen van onze vrienden te begrijpen, ook al is het verre van ons
die te delen of te aanvaarden»11, omdat deze onverenigbaar zijn met onze opvattingen als christen.
De Heer blijft onze beledigingen steeds, elke
keer als wij ons gedreven door zijn genade
tot Hem wenden, vergeven; Hij heeft een eindeloos geduld met onze
kleinzieligheden en vergissingen. Daarom vraagt Hij ons -zoals Hij ons in het 'Onze
Vader' expliciet geleerd heeft- geduld te hebben in situaties en omstandigheden
die het moeilijk maken bekenden of vrienden, die wij zo tegenkomen, dichter bij God te brengen. Gebrek aan vorming,
onbekendheid met de leer, kennelijke gebreken, ook een klaarblijkelijke
onverschilligheid, moeten ons niet verwijderen van deze mensen. Zij moeten voor ons juist positieve, dringende
oproepen zijn, lichten die duiden op een zeer grote behoefte aan geestelijke
hulp. Zij moeten de prikkel zijn om onze belangstelling voor hen, voor
iedereen, te intensiveren. Nooit een reden om hen links te laten liggen.
Laten wij het concrete voornemen maken onze familieleden,
vrienden en bekenden die dit het meest nodig hebben, nabij te zijn. En laten
wij de heilige Maagd Maria de genade vragen om daarmee te beginnen.
-1. Mt 5,38-48. -2. H. Gregorius van Nazianze, Gebed 17, 9. -3. H. Johannes Chrysostomus, Homilieën over Matteüs, 77,6. -4. Vgl. Joh 13,34-35 en 15,12. -5. Vaticanum ii, Past. const. Gaudium
et spes, 28. -6. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God,
9. -7. Vgl. Lc 23,34. -8. Vgl. Hnd 7,60. -9. H. Augustinus, Commentaar op de eerste
brief van Johannes, 4,10,7. -10. Idem, Over de christelijke leer, 1,27. -11. H. Jozefmaria
Escrivá, De Voor, 746.
|