1 december
Tweede dag van de Noveen
van de Onbevlekte Ontvangenis
43. GOUDEN HUIS
-De heilige Maria, tempel van de levende God, verrijkt met
de gaven van de Heilige Geest. -De gaven van inzicht, kennis en wijsheid bij
Onze Lieve Vrouw. -De gaven van voorzichtigheid, vroomheid, sterkte en heilig
ontzag voor God.
43.1 Gelukkig
zijt gij, Maagd Maria. Gij hebt de Schepper van het heelal gedragen...1
In de litanie van Loreto noemen we Maria
Domus aurea, Gouden huis, ruimte van de hoogste schittering. Wanneer een
gezin een huis bewoont en dat tot een echt 'thuis' weet te maken, dan
weerspiegelt dit de karakteristieke trekken, voorliefdes en voorkeuren van de
bewoners. Huis en bewoners vormen een zekere eenheid, zoals lichaam en kleding,
kennis en handeling. In het Oude Testament was eerst het Tabernakel en later de
Tempel het Huis van God, waar Jahwe's ontmoeting met zijn volk plaatshad. Toen
Salomo het besluit genomen had de Tempel te bouwen, omschreven de profeten
nauwkeurig de edele materialen die men moest gebruiken, de overvloedige
toepassing van cederhout in het interieur, met goud bekleed... Bij de bouw van
de tempel moest het beste wat men ter beschikking had gebruikt worden, en de
beste handwerkslieden moesten eraan werken.
Toen de volheid van de tijden gekomen was en God zijn komst
in de wereld bepaald had, bereidde Hij Maria voor als het meest geëigend
schepsel waarin Hij negen maanden lang zou wonen, vanaf zijn menswording tot de
geboorte in Betlehem. In haar liet God het spoor van zijn macht en zijn liefde
na. Maria, Domus aurea, de nieuwe Tempel van God, werd met de grootst mogelijke
schoonheid bekleed. Haar Onbevlekte Ontvangenis en alle genade en gaven waarmee
God haar ziel verrijkte, waren gericht op haar goddelijk moederschap.2
Men begrijpt zeer wel, dat de aartsengel Gabriël bij de begroeting
van Maria zich vol achting en eerbied betoonde, want hij begreep hoe onmetelijk
verheven de Maagd was en hoe innig zij met God verbonden was. De aanvangsgenade
van Maria, die haar gereed maakte voor haar goddelijk moederschap, was verheven
boven die van alle apostelen, martelaren, belijders en maagden te zamen, van
hen die geleefd hadden en die nog zullen leven tot het einde der tijden, meer
dan alle heilige mensen en alle engelen die vanaf de oorsprong van de wereld
geschapen zijn.3 God bereidde een menselijk
schepsel in overeenstemming met de waardigheid van zijn Zoon.
Wanneer wij zeggen, dat Maria een 'welhaast oneindige' waardigheid bezit, dan wil men
daarmee aanduiden, dat zij het schepsel is dat de Allerheiligste Drieëenheid
het meest nabij is en een hoogst verheven, geheel eigen eer en majesteit
geniet. Zij is de eerstgeboren Dochter van de Vader, de uitverkorene, zoals zij
zo vaak in de Traditie van de Kerk genoemd is en het Tweede Vaticaans Concilie
het heeft herhaald.4 Met Jezus Christus, Gods
Zoon, bezit zij de hechte band van bloedverwantschap, waardoor zij enige
absoluut eigen betrekkingen met Hem heeft. Van de Heilige Geest is Maria Tempel
en Heiligdom.5 Wat is het een vreugde, dat we
altijd, maar heel bijzonder in deze dagen van de Noveen van de Onbevlekte
Maagd, mogen beschouwen, dat wij een Moeder hebben, die God zo nabij is, die zo
zuiver en schoon is, en ook zo dicht bij ons staat! «Hoe prettig vinden de
mensen het, herinnerd te worden aan hun verwantschap met vooraanstaande personen
uit de schrijverswereld, de politiek, het leger of de Kerk. -Zing daarom voor
de onbevlekte Maagd: Wees gegroet Maria, Dochter van God de Vader; Wees gegroet
Maria, Moeder van God de Zoon; Wees gegroet Maria, Bruid van God de Heilige
Geest. God alleen is groter dan u!»6
43.2 Maria's ziel werd op
bijzondere wijze verrijkt door de gaven van de Heilige Geest, als het ware de
kostbaarste juwelen die God aan een schepsel kan geven. Daarmee verfraaide God
in de hoogste mate de woonstede van zijn Zoon.
Door de gave van inzicht, die zij méér dan welk ander
schepsel bezat, leerde zij, met een zuiver geloof dat geheel op het gezag van
God berustte, dat haar maagdelijkheid Hem uiterst welgevallig was. Haar blik
drong ten diepste door in de verborgen betekenis van de Schriften, en zij
begreep aanstonds, dat de groet van de engel strikt messiaans was en dat de
Allerheiligste Drieëenheid haar had aangewezen als Moeder van de zo lang
verwachte Messias. Later zal haar alles geleidelijk verhelderd worden: de vervulling
van de goddelijke heilsbeloften zullen bevestigd worden en zij zal begrijpen,
dat «zij haar geloofsgehoorzaamheid moet beleven in lijden aan de zijde van de
lijdende Heiland en dat haar moederschap duister en smartelijk zal zijn.»7
Deze gave van inzicht is nauw verenigd met de zuiverheid van
de ziel. Daarom wordt deze verbonden met de zaligspreking van de zuiveren van
hart, die God zullen zien.8
Maria's ziel, de Allerzuiverste, was met name verlicht om Gods wil in alle
gebeurtenissen te zien. Niemand weet beter dan zij wat God van ieder mens
verwacht; daarom is zij onze machtigste bondgenote in onze smeekbeden tot God
te midden van onze noden.
De gave van kennis verruimde de geloofsblik van Maria nog
verder. Door deze gave beschouwde de Maagd in de dagelijkse werkelijkheden Gods
sporen in de wereld als wegen naar de Schepper, beoordeelde zij correct de
relatie die alle dingen en gebeurtenissen hebben ten aanzien van het heil.
Onder invloed van deze gave spraken voor Maria alle dingen van God, leidde
alles haar tot God.9 Bovendien begreep zij meer
dan iemand anders de afschuwelijke werkelijkheid van de zonde; daarom leed zij
als geen ander schepsel onder de zonden van de mensen. Ten nauwste verenigd met
het lijden van haar Zoon, leed zij met Hem «toen Hij aan het kruis stierf en
heeft zij aldus op volstrekt enige wijze aan het werk van de Heiland meegewerkt
om het bovennatuurlijk leven van de zielen te herstellen.»10
De gave van wijsheid vervolmaakte bij de Maagd de deugd van
liefde, en bracht haar tot de kennis, vol smaak en ervaring van het goddelijke;
in haar binnenste zag en genoot zij de mysteries die met name op de Messias,
haar Zoon, betrekking hadden. Zij bezat een liefdevolle wijsheid, oneindig
verheven boven die welke men in de diepzinnigste theologische tractaten kan
verkrijgen. Zij zag, beschouwde, beminde, ordende alles overeenkomstig deze
goddelijke ervaring; zij oordeelde met het krachtige en liefdevolle licht dat
haar hart vervulde. Zij was altijd overladen met dit bovennatuurlijke licht en
deze liefde. Als wij in deze dagen indringend tot haar bidden, zal zij dit voor
ons verkrijgen, want «onder de gaven van de Heilige Geest is er één die wij,
christenen, mijns inziens bijzonder nodig hebben: de gave der wijsheid. Deze
doet ons God kennen en smaken. Daardoor zijn we in staat de situatie waarin we
ons bevinden en de gebeurtenissen in ons leven naar waarheid te beoordelen.»11
43.3 De gave van raad
vervolmaakte de deugd van voorzichtigheid van de Maagd en deed haar aanstonds
Gods wil ontdekken in de gewone omstandigheden van het leven. Onder invloed van
deze gave handelde de heilige Maagd steeds ongedwongen en als het ware op bevel
van God.12 Onze Lieve Vrouw liet zich gewillig
leiden in de grootse dingen die God van haar vroeg en in de details van iedere
dag.
In het evangelie zien we hoe onze moeder Maria voortdurend door
dit licht van de Heilige Geest werd bewogen. Hoewel zij het grootste gedeelte
van haar aards bestaan teruggetrokken in Nazaret doorbracht, reisde zij met spoed 13 naar haar
nicht Elisabet om bij haar te zijn, toen haar aanwezigheid daar noodzakelijk was.
Zij neemt in het evangelie een bescheiden plaats in, maar zij is bij de
leerlingen, wanneer dezen haar na Jezus' dood nodig hebben, en nadien wacht zij
met hen samen de komst van de Heilige Geest af. Maria staat onder het kruis,
maar zij gaat niet met de andere heilige vrouwen naar het graf: in het
binnenste van haar ziel weet zij, dat ze daar het allergeliefst Lichaam van
haar Zoon niet zullen aantreffen, omdat Hij reeds verrezen is. Onze Lieve Vrouw
gaf zich over aan de kleine taken van een moeder die voor haar gezin zorgt, en
eerder dan iemand anders bemerkt zij op de bruiloft van Kana, dat er gebrek aan
wijn was: door haar beschouwend leven zit zij in over de kleine dingen die
rondom haar gebeuren. Zij is de Moeder van Goede Raad,
die ons zal helpen om in de duizend en één kleine gebeurtenissen van iedere dag
Gods wil te ontdekken en te ondersteunen.
De gave van godsvrucht verleende de Maagd een soort kinderlijk
instinct, dat in diepe mate al haar betrekkingen met Jezus raakte: in het
gebed, in het smeekuur, in de manier waarop zij aan de verschillende, lang niet
altijd aangename gebeurtenissen het hoofd bood...
Maria voelde zich altijd Dochter van God, en dit diepe gevoel
groeide voortdurend in haar, tot aan het einde van haar sterfelijk leven.
Tegelijkertijd echter voelde zij zich Moeder van God en Moeder van de mensen.
Kindschap en moederschap waren diepgaand doordrenkt van godsvrucht. Zij zal ons
altijd liefhebben, omdat wij haar kinderen zijn. En de moeder is haar zieke
kind, dat haar het meest nodig heeft, nog méér nabij.
De goddelijke genade werd op uiterst overvloedige wijze over
Onze Lieve Vrouw uitgestort en zij vond een uitzonderlijke medewerking en
gewilligheid, alleen háár eigen: zij beleefde heldhaftig de trouw aan de kleine
plichten van alledag en in de grote beproevingen. God bepaalde voor haar een
eenvoudig leven, zoals de overige vrouwen van haar land en tijd; eveneens
doorstond zij de grootste smarten die een schepsel ooit heeft kunnen ondergaan,
met uitzondering van haar Zoon, die de man van smarten
was, aangekondigd door de profeet Jesaja.14 Door
de gave van sterkte, die zij in de hoogste mate ontving, kon zij geduldig de
dagelijkse tegenslagen, de veranderingen van plannen dragen... Zij trotseerde
de moeilijkheden stilzwijgend, maar ook kordaat en krachtig. Uit deze sterkte
stond zij voor het kruis.15 De christelijke
godsvrucht roept haar, onder verering van deze houding van lijden en sterkte,
aan als Koningin van de martelaars, Troosteres van de
bedroefden...
Ten slotte omgaf de Heilige Geest haar met het heilige ontzag
voor God, die bij Maria slechts een kinderlijke eerbied was van de allerhoogste
vertrouwdheid met de Heer en die haar voortdurend tot een diepe houding van
aanbidding bracht tegenover de oneindigheid van God, van wie zij alles had
ontvangen. Daarom noemt zij zichzelf de Dienstmaagd des Heren. En
tegelijkertijd wist zij zeer wel, dat zij de Moeder van Jezus was, de Moeder
van God, en ook onze Moeder.
-1. Vgl. Gemeenschappelijke van de
Maagd Maria, II, Introïtus. -2. Vgl. H. Thomas van
Aquino, Summa Theologiae, III q27 a5
ad 2. -3. Vgl. R. Garrigou-Lagrange o.p., De Moeder van de Verlosser. -4. Vgl. Vaticanum ii, Dogm. const. Lumen
gentium, 53. -5. Vgl. Johannes Paulus ii, Enc.
Redemptoris Mater, 25-III-1987, 9. -6. H. Jozefmaria Escrivá, De Weg, 496. -7. Johannes Paulus ii, o.c., 16.
-8. Vgl. Mt 5,8. -9. Vgl. J. Polo,
María y la Santísima Trinidad, Madrid 1987, bl. 29.
-10. Vaticanum ii, o.c.,
61. -11. H. Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 133.
-12. Vgl. J. Polo, o.c., bl.
39. -13. Lc 1,39. -14. Jes
53,3. -15. Vgl. Joh 19,25.