Vierentwintigste zondag door het jaar (A)
19. GRENZELOZE VERGIFFENIS
-Altijd vergeven, direct en van ganser harte. -Als we echt
leren hoe we anderen moeten vergeven, zullen we bijna niet anders kunnen, omdat
we ons niet meer gekrenkt zullen voelen. -Het sacrament van de vergeving helpt ons
vergevingsgezind te zijn jegens de anderen.
19.1 God
vergeeft degene die vergeeft. De barmhartigheid die wij anderen betonen, is dezelfde
barmhartigheid die ons gegeven zal worden. Dit is de boodschap die wij vinden
in de lezingen van vandaag. De eerste lezing zegt: Wie wraak neemt, zal de wraak van de Heer voelen: de Heer
zal zijn zonden nooit uit het oog verliezen. Vergeef uw naaste zijn onrecht:
dan worden, wanneer gij erom bidt, uw eigen zonden kwijtgescholden. Kan een
mens, die tegenover een medemens in zijn gramschap volhardt, bij de Heer zijn
heil komen zoeken?1
De Heer heeft dit gebod vervolmaakt door het uit te breiden
tot iedereen en tot elke zonde. Door zijn dood aan het kruis heeft Christus
alle mensen tot broeders gemaakt in een nieuwe schepping. De heilige Petrus vroeg
zich hardop af of deze leer niet te streng was, toen hij Jezus vroeg hoe vaak
we elkaar moeten vergeven. De Heer antwoordde: Neen, zeg Ik u, niet tot zevenmaal toe, maar zeventigmaal
zevenmaal.2 Dit betekent 'altijd'.
Het is geen kwestie van wiskundig rekenen. Christus wil, dat wij ontdekken hoe
wij het kwaad moeten overwinnen door de kracht van zijn oneindige liefde. In
het Onze Vader heeft Christus ons geleerd te bidden: Vergeef ons onze schuld zoals ook wij aan anderen hun schuld
vergeven. Het getijdengebed van vandaag zegt, dat wanneer we het
Onze Vader bidden, wij «verenigd moeten zijn met elkaar en met Jezus Christus,
welwillend en open om elkaar te vergeven.»3 Dit
is de enige manier waarop we de grenzeloze genade van God kunnen verkrijgen.
Vergiffenis vanuit het hart vereist dikwijls oprecht geloof.
Door de diepte van hun geloof zien heiligen, die hun leven in navolging van
Christus hebben geleefd, vaak de noodzaak niet in om te vergeven, omdat ze zich
niet beledigd voelen. Zij beseffen, dat de zonde het enige echte kwaad is.
Beledigingen en laster konden hen niet raken.
Laten wij vandaag ons geweten onderzoeken om te zien of we
vasthouden aan enige wrok, hetzij echt of denkbeeldig. Kwam onze vergiffenis
prompt, oprecht, van ganser harte en zonder terughoudendheid? «Als men u
vijftigduizendmaal ergert, zo dikwijls moet u hem vergeven... uw geduld moet de
overhand hebben en de wrok doen wegslijten, voordat zij meer kwaad kan
uitlokken.»4
19.2 Dikwijls
kunnen we gekrenkt worden door de meest onbenullige dingen: misschien een
gebrek aan dankbaarheid, een scherpe opmerking op een moment van zwakte of
gewoon een keer pech hebben. Een andere keer kunnen we verstoord zijn door ernstige oorzaken, zoals kwaadsprekerij
en een verdraaide uitleg van wat wij hebben gedaan vanuit een oprecht geweten.
Hoe dan ook, als we meteen vergeven, en
alles vergeven, moeten we ons hart naar God gericht hebben. Deze
grootmoedigheid zal ons ertoe brengen om te bidden voor de mensen die ons kwaad
doen. Een klassiek werk in de geestelijke literatuur heeft het probleem aldus
gesteld: «Is het niet gebruikelijk dat de zieken met meer liefde behandeld
worden dan de gezonden? Wees dan de dokter voor je vijanden. Het goede dat je
voor hen doet, kan gedachten van liefde opwekken (Kol 3,13). Denk aan de
mogelijkheden tot volmaaktheid die je vijanden je geven... Bedenk eens dat de
haat van Herodes de onnozele kinderen tot heiligen maakte, niet de liefde die
zij van hun ouders kregen.»5
De wijze waarop wij vergeven of, indien nodig, terecht en in
alle rust opkomen voor onze eigen rechten of de rechten van hen die aan ons
toevertrouwd zijn, kan van belang zijn om degenen die onrecht begaan hebben,
nader tot God te brengen. Zo handelden ook de eerste christenen wanneer zij
laster en vervolgingen te verduren hadden. Toen hij zijn martelaarschap
tegemoet ging,, raadde de heilige Ignatius
van Antiochië de eerste christenen aan: «Zorg ervoor, dat de andere
mensen, althans door uw daden, uw onderricht ontvangen. Beantwoord hun toorn
met uw zachtmoedigheid, hun grootspraak met nederigheid. Stel tegenover hun
godslasteringen uw gebeden; tegenover hun dwalingen uw standvastigheid in het
geloof; tegenover hun wreedheid uw zachtzinnigheid. En doe geen enkele moeite u
te gedragen zoals zij. Laten wij door onze welwillendheid laten zien, dat wij
hun broeders zijn. Beijveren wij ons, navolgers van de Heer te zijn.»6
De Heer staat klaar om alles van iedereen te vergeven. De
heilige Paulus behandelt dit thema in zijn brief aan de Tessalonicenzen: Zorg dat niemand kwaad met kwaad vergeldt. Streef steeds naar wat goed is voor
elkaar en voor allen.7 Aan de
Kolossenzen schrijft hij: Verdraagt elkander en vergeeft elkander, als de een tegen de ander een grief
heeft. Zoals de Heer u vergeven heeft, zo moet ook gij vergeven.8 Als wij werkelijk leren hoe wij anderen moeten
vergeven, zullen wij het bijna onnodig vinden om het te doen, omdat we ons niet
langer beledigd voelen. Wij volgen niet de weg van Christus als onze liefde
bekoelt ten opzichte van iemand in de familie, op de werkplek, op school. Bij
deze gelegenheden, waarbij het moeilijk is om te vergeven, moeten we de woorden
van de Heer op Calvarië herhalen: Vader
vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen.9 Maar in de meeste gevallen is het genoeg, dat we
glimlachen of een groet beantwoorden, of een kleine dienst bewijzen om de
vriendschap weer aan te knopen of de verloren vrede te herstellen. De kleine
onenigheden van iedere dag moeten er niet toe leiden dat wij onze blijdschap
verliezen die in ons leven normaal en diepgeworteld moet zijn. In dit opzicht
kunnen we niet toestaan dat onze trots, onze lichtgeraaktheid, het van ons
winnen.
19.3 De
Heer geeft aan Petrus een makkelijk te onthouden uitleg over het wezen van
christelijke vergeving met de parabel van de twee schuldenaars. De ene
schuldenaar was tienduizend talenten schuldig terwijl de andere honderd
denariën schuldig was. Het verschil in waarde is enorm. Zesduizend denariën
hadden de waarde van een talent. Deze schriftlezing vertelt ons dat Gods
barmhartigheid onmetelijk veel groter is dan de onze. Echte barmhartigheid
behoort bij die nederigen die begrijpen hoeveel aan hen vergeven is. «Zoals de
Heer altijd klaar staat om ons te vergeven, zo ook moeten wij klaar staan om
elkaar te vergeven. En hoe groot is de behoefte aan vergeving in onze huidige
wereld, jazeker in onze gemeenschappen en families, in ons eigen hart! Daarom
is het speciale sacrament van de Kerk voor vergeving, het sacrament van de
biecht, zo'n kostbare gave van de Heer.
»In het sacrament van de verzoening verleent God zijn
vergeving aan ons op een zeer persoonlijke wijze. Door de bediening van de
priester komen wij, met de last van de zonde, naar onze Redder, die ons
liefheeft. Wij belijden dat wij gezondigd hebben tegen God en onze naaste. We tonen
ons berouw en vragen om vergeving van de Heer. Dan, door de priester, horen wij
Christus tegen ons zeggen: Uw
zonden zijn u vergeven (Mc 2,5); Ga heen en zondig van nu af niet meer (Joh
8,11). Kunnen we Hem ook niet horen zeggen tegen ons, nu wij vervuld zijn van
zijn reddende genade: 'Breid deze zelfde vergevingsgezindheid en barmhartigheid
uit naar anderen: zeventigmaal zeven keer.'»10
De biecht is een prachtige school voor liefde en edelmoedigheid. Het sacrament
vernieuwt de ziel en verlevendigt haar mogelijkheden om te vergeven.11 «De Kerk moet Gods barmhartigheid in haar volle
waarheid belijden en verklaren, zoals het aan ons is overgeleverd door de
openbaring.»12 Dat is de taak voor iedere
christen. Het lijkt vooral dringend nodig in onze tijd.
Laten wij Onze Lieve Vrouw vragen om een hart grootmoedig
zoals het hare. Zij kan ons helpen om ons tobben over teleurstellingen en
onrecht te vermijden. Bovendien moeten wij voortdurend groeien in een geest van
eerherstel aan het goddelijk Hart van haar Zoon.
-1. Sir
27,33; 28,1-9. -2. Vgl. Mt
18,21-35. -3. Getijdenboek,
Voorbeden tweede vespers. -4. H. Johannes van Avila, Preek 25, voor de 25e zondag na
Pinksteren. -5. F. de
Osuna, Ley del amor santo,
40-43. -6. H. Ignatius van Antiochië, Brief aan de Efeziërs,
10,1-31; vgl. Apostolische Vaders,
Hilversum 1941, bl. 104. -7. 1 Tes
5,15. -8. Kol 3,13.
-9. Lc 23,34. -10. Johannes Paulus ii, Angelus, 16 september
1984. -11. Vgl. F. Sopena, La confesión, Madrid 1957,
bl. 132. -12. Johannes Paulus ii, Enc.
Dives in misericordia,
30 november 1980, 13.
|