Zevende zondag door het jaar (C)
54. GROOTMOEDIGHEID
-Een heilig leven gaat altijd gepaard aan de
instelling om grote dingen voor de Heer en de mensen te doen. -Grootmoedigheid uit zich
op vele manieren. -Grootmoedigheid: vrucht van innerlijk leven.
54.1 De eerste lezing van de mis van vandaag laat ons zien hoe David vlucht
voor Saul door de woestijn van Zif.1 Een keer 's nachts lag de koning te
slapen met zijn manschappen om zich heen. David ging naar het kampement met
zijn trouwste vriend, Abisai. Zij zagen Saul slapend. Zijn lans stond bij zijn hoofdeinde in de grond
gestoken; Abner en zijn mannen lagen in een kring om hem heen. Abisai zei tegen David: Nu
levert God uw vijand aan u over. Laat mij hem met zijn eigen lans aan de grond
priemen! Een stoot! Meer is niet nodig! De dood van
de koning was stellig de snelste manier om zich in een keer van alle gevaar te
bevrijden en de troon te bestijgen. David koos echter voor de tweede keer2 de langere weg en
gaf er de voorkeur aan Saul het leven te laten. Hier en in veel andere gevallen
laat David zien, dat hij een man is met een grote ziel. Met deze geesteshouding
kon hij eerst de bewondering en later de vriendschap winnen van zijn bitterste
vijand en het volk. Hij won echter vooral de vriendschap met God.
Het evangelie van de Mis3 spoort ons ook
aan grootmoedig te zijn, groot van hart te zijn, zoals Christus. Het houdt ons
voor te zegenen wie over ons kwaadspreken, te bidden voor wie ons beledigen-,
het goede te doen zonder er iets voor terug te verwachten, barmhartig te zijn zoals de Vader barmhartig is, allen te vergeven, grootmoedig te zijn zonder berekening en zonder
maat. Tot slot zegt de Heer ons: Geeft,
en u zal gegeven worden; een goede, gestampte, geschudde en overlopende maat
zal men u in de schoot storten. De maat die gij gebruikt, zal men ook voor u
gebruiken, luidt zijn waarschuwing.
De deugd van grootmoedigheid hangt nauw samen
met die van sterkte. Zij bestaat in de gesteldheid van de ziel grootse dingen
te willen doen.4 Thomas noemt de grootmoedigheid «de sier
van alle deugden».5 Deze geneigdheid
grootse dingen tot stand te brengen voor God en voor anderen, is de
noodzakelijke gezel van een heilig leven. Het ernstig streven te strijden voor
de heiligheid is al een eerste blijk van grootmoedigheid. De grootmoedige stelt
zich hoge idealen. Hij laat zich niet afschrikken door hinderpalen, kritiek of
minachting, wanneer hij deze moet verduren voor een verheven zaak. Hij laat
zich niet intimideren door wat anderen denken of door een vijandige omgeving.
Hij hecht weinig of geen waarde aan achterklap en geroddel. Hij is meer
geïnteresseerd in de waarheid dan in opvattingen die vaak onwaarheden of halve
waarheden bevatten.6
De heiligen waren altijd groot van ziel -'magna
anima'- bij het opzetten en realiseren van de apostolaatswerken die zij
aanpakten en in hun beoordeling van en omgang met de anderen die zij altijd
zagen als kinderen van God die tot grote idealen geroepen waren. Wij moeten
niet klein van ziel of kleinhartig -'pusillus animus'-, kortzichtig en benard
zijn. «Grootmoedigheid, groot van gemoed, van geest, een ziel die open staat,
met plaats voor velen. De kracht waardoor we uit onszelf kunnen treden,
waardoor we iets waardevols kunnen doen, voor het welzijn van allen. In
grootmoedigheid is geen spoor van enghartigheid; nog minder van krenterigheid,
egoïstische berekening of zelfzuchtig geharrewar. Grootmoedigheid wijdt zonder
terughoudendheid haar krachten aan wat de moeite waard is. Daardoor is ze in
staat zichzelf te onderwerpen. Grootmoedigheid is geen geven: zich geven. En zo
begrijpt de mens dat het grootste bewijs van grootmoedigheid is zichzelf aan
God geven.»7 Geen groter blijk van grootmoedigheid is er dan dit: de overgave aan
Christus, zonder beperking, zonder voorwaarde.
54.2 De grootheid van de ziel blijkt ook uit
de bereidheid het grote en het kleine, mensen die ons al dan niet nabij zijn te
vergeven. Het ligt niet in de aard van de christen door de wereld te trekken
met een lijst van grieven in zijn hart8, met wrok en
met herinneringen die de ziel benarden en haar afhouden van de menselijke en
goddelijke idealen waartoe de Heer ons roept. Zoals de Heer altijd bereid is
iedereen alles te vergeven, zo moet ons vermogen tot vergeven geen beperkingen
hebben; niet qua aantal keren, niet vanwege de omvang van de belediging, niet
vanwege de personen van wie het veronderstelde onrecht afkomstig is; «niets
doet ons zozeer op God gelijken als onze bereidheid te vergeven».9 Op het kruis volbracht Jezus wat Hij onderricht had: Vader, vergeef het hun, vroeg Hij. En daarbij verontschuldigde Hij hen: want zij weten niet,
wat zij doen.10 Het zijn
woorden die de zielegrootheid van zijn Allerheiligste Mensheid tonen. En in het
evangelie van de mis van vandaag lezen wij: Bemint uw vijanden. - bidt voor hen die u
mishandelen.11 Deze
zielegrootheid vraagt Jezus altijd van de zijnen. De eerste martelaar, de
heilige Stefanus, stierf terwijl hij bad om vergeving voor zijn moordenaars.12 Zouden wij dan niet in staat zijn de kleine dingen van elke dag te
vergeven? En als wij ooit eens het slachtoffer zijn van verdachtmakingen,
laster, zouden wij dan die gelegenheid niet kunnen aanwenden om iets veel
waardevollers te offeren? Zou het niet nog beter zijn, als wij niet eens aan
vergeven toekwamen, omdat wij ons, in navolging van de heiligen, niet beledigd
voelen?
Wat betreft de dingen die de moeite waard zijn:
edelmoedige idealen, apostolaat, en, bovenal, God, levert de grootmoedige zijn
bijdrage -geld, energie, tijd- zonder terughoudendheid. Hij kent en begrijpt de
woorden van de Heer goed: Geeft en u
zal gegeven worden: een goede, gestampte, geschudde en overlopende maat zal men
u in de
schoot storten. De maat die gij gebruikt, zal men ook voor u gebruiken.13 Wij moeten ons afvragen, of wij met gulle hand geven. Sterker nog, of
wij onszelf geven, dat wil zeggen, of wij met kloeke en snelle pas de weg -de
persoonlijke roeping- volgen, die tot de Heer leidt.
Anderzijds kan het maken van grootse plannen
voor het welzijn van de mensen, voor het lenigen van de nood van velen of voor
het brengen van eer aan God, soms leiden tot het uitgeven van grote sommen geld
of het ter beschikking stellen van goederen voor die grote werken.14 En wie grootmoedig is, weet dat te doen zonder vrees. Met de deugd van
de verstandigheid beoordeelt hij alle omstandigheden, maar zonder angst. De
grote kathedralen zijn een voorbeeld van tijden waarin heel wat minder
menselijke en economische middelen ter beschikking stonden, maar waarin het
geloof misschien veel levender was. Vanaf de eerste tijden zorgde de Kerk met
bijzondere overgave dat «de gewijde voorwerpen met waardigheid en schoonheid
een bijdrage zouden leveren aan de pracht van de eredienst».15 En goede christenen zijn vaak gul geweest met iets dat zij het
waardevolst achtten, om de heilige Maagd te eren of voor de eredienst-, en zijn
zo vrijgevig geweest voor de zaken van God en om de nood hun meest behoeftige
broeders en zusters te lenigen. Zij zijn actief geweest op het gebied van
onderwijs, cultuur, maatschappelijk werk, gezondheidszorg.
In een samenleving die geen halt toeroept aan
overdadige en onnodige uitgaven zien wij toch vaak, dat het bestaan van
apostolaatswerken en van de mensen die er hun hele leven aan gewijd hebben,
niet zelden het voorwerp zijn van bezuinigingen en reorganisaties wegens gebrek
aan middelen. De zielegrootheid die de Heer van de zijnen vraagt, zal ons er
niet alleen toe brengen vrijgeviger te zijn met onze tijd en onze geldelijke
middelen, maar zal anderen ook aanzetten -ieder naar zijn eigen mogelijkheden-
mee te helpen voor het welzijn van zijn medemens. Vrijgevigheid voert altijd
dichter naar God. Daarom is bij tal van gelegenheden de beste dienst die wij onze vrienden
kunnen bewijzen: hun vrijgevigheid aanmoedigen. Deze deugd verruimt het hart,
verjongt het, laat het meer liefhebben.
54.3 De heilige Theresia van Avila wees er met nadruk op, dat het goed is
geen beperkingen op te leggen aan onze verlangens, want «zijne Majesteit is de
vriend van geestdriftige zielen», die zich grote doelen stellen, zoals ook de
heiligen deden die als heilige niet zo'n verheven plaats verworven zouden
hebben, als zij niet de duidelijke bedoeling hadden gehad zich -altijd rekenend
op de hulp van God- op het hoge te richten. En zij treurde over die goede
zielen die, ondanks een leven van gebed, «als een lelijke pad» aan de grond
verkleefd bleven in plaats van op te vliegen naar God, tevreden «met het vangen
van hagedisjes».16
«Laat niet toe, dat men uw ziel en geestdrift
ontneemt, waardoor vele weldaden verloren zouden kunnen gaan- laat uw ziel niet
in de hoek drukken, waar zij in plaats van naar de heiligheid te streven veel
andere tamelijke onvolmaaktheden tevoorschijn zal brengen.»17 Kleinmoedigheid,
die de opgang in de omgang met God belemmert, is «een ondeugd -door een tekort
tegengesteld aan de grootmoedigheid en zo aan de sterkte- waardoor men weigert
datgene te ondernemen, waarvoor men objectief de krachten heeft».18 Kleinmoedigheid
blijkt ook uit een beperkte kijk op de anderen en op wat zij uiteindelijk met
goddelijke hulp zouden kunnen worden, ook al zouden het nog zulke grote
zondaars geweest zijn. De kleinmoedige is een mens met beperkte horizonten,
berustend in een gemakkelijk leven: hij heeft geen hoogstaande aspiraties. En
zolang hij dit gebrek niet overwint, zal hij zich nooit aan God durven binden
in een vast leefplan, of in het vooruit helpen van apostolische werken, of in
een zelfovergave: alles is voor hem ongrijpbaar groot, omdat hij zelf zo
benepen is.
Grootmoedigheid is een vrucht van de omgang met
Jezus Christus. Aan een rijk en kritisch innerlijk leven, vol liefde, paart
zich altijd de bereidheid, in de eigen omgeving, grote dingen aan te pakken
voor God. Deze deugd steunt op de nederigheid en brengt met zich «een sterke en
onblusbare hoop, een bijna uitdagend vertrouwen en de volmaakte kalmte van een
onbevreesd hart» dat «door niets geknecht wordt-: en alleen de slaaf van God
is».19
De grootmoedige durft het grote aan omdat hij weet dat de gave van de genade de
mens verheft tot grote dingen die zijn natuur te boven gaan.20 Zijn handelen
verkrijgt dan een goddelijke daadkracht. Hij steunt op God, die de macht heeft
voor Abraham zelfs uit stenen kinderen te verwekken.21 Hij is niet bang
in het apostolaat, omdat hij zich bewust is dat de Heilige Geest zich van het
woord van de mens als werktuig bedient, maar Hij alleen vervolmaakt het werk.22 Hij heeft de
zekerheid, dat alle daadkracht zetelt in God, die de wasdom geeft23: daarin ligt het zelfvertrouwen van de
grootmoedige.
De heilige Maagd Maria zal ons deze
zielegrootheid geven die zij heeft in haar betrekking tot God en met zijn
kinderen de mensen. Geef, en u zal gegeven worden. Laten wij
niet benard en benepen blijven. Jezus is aanwezig in ons leven.
-1. 1 Sam 26,2;7-9;12-13 en 22-23. -2.
Vgl. 1 Sam 2 4,1 e.v. -3. Lc 6,27-38. -4. H. Thomas van
Aquino, Summa
Theologiae, II-II, q129, a1. -5. Ibidem, II-II, q129,
a4. -6. R. Garrigou-Lagrange o.p., Het zieleleven van den christen, I, bl. 218 (Heemstede 1947). -7. H.
Jozefmaria Escrivá, Vrienden
van God, 80. -8. Vgl. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 738. -9. H. Johannes Chrysostomus, Homilieën over Matteüs,
19,7. -10. Lc 23,34. -11. Lc 6,27-28. -12. Vgl. Hnd 7,60. -13. Vgl. Lc 6,38. -14. Vgl. H. Thomas van
Aquino, Summa
Theologiae II-II, q134. -15. Vaticanum ii, Const.
Sacrosanctum concilium, 122. -16. H. Theresia van
Avila, Het
boek van haar leven,13,2-3. -17. Idem, De weg der volmaaktheid,
72,1. -18. Theologisch Woordenboek, deel II (Roermond 1957). -19. J.
Pieper, Von
Sin der Tapferkeit. -20. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae II-II,
q171, a2. -21. Vgl. Mt 3,9. -22. Vgl. H. Thomas van
Aquino, Summa
Theologiae II-II, q177, a1. -23. 1 Cor 3,7.
|