27 april. Feest
31. H. PETRUS CANISIUS, PRIESTER EN
KERKLERAAR
Petrus Canisius (Latijn voor Peter Kanis)
werd in 1521 te Nijmegen geboren. Als 14-jarige begon hij zijn studie aan de
Universiteit van Keulen, studeerde daarna theologie in Leuven. Toen hij 22 jaar
was sloot hij zich bij de Jezuïeten aan. Hij nam deel als theoloog in het
Concilie van Trente. Toen hij doceerde aan de Universiteit van Wenen ontstond
uit zijn onderricht zijn beroemde Katechismus. Wat wij op school aan
katechismusonderricht hebben ontvangen, danken wij aan dat meesterwerk van Petrus.
Hij wordt de tweede Apostel van Duitsland genoemd. Op 21 december 1597 is hij
te Freiburg in Zwitserland gestorven. In 1925 werd hij door paus Pius xi heilig
verklaard en tot kerkleraar verheven.
-De leer als vorm van apostolaat. -Vorming.
Kennis en studie van de katechismus van de Kerk. -De Heer heeft ons allen
opgedragen: Gaat en onderricht alle volkeren. Wij moeten met inzet en toewijding
de leer van de Kerk doorgeven aan onze gezinsleden, onze vrienden en collega's
enz.
31.1 Bij de viering van de driehonderdste sterfdag van de heilige Petrus
Canisius noemde Paus Leo xiii hem een «hominem sanctissimum, alterum post Bonifatium
Germaniae apostolorum» (een heilig man en de tweede apostel van
Duitsland na de heilige Bonifatius). Het werk van Petrus Canisius wordt
gekenmerkt door de vernieuwing van de universiteiten en de stichting van
scholen en seminaries, die zulk een krachtige invloed zouden uitoefenen op de
katholieke restauratie van Duitsland.
Een andere voorname taak die hij op zich heeft
genomen was de christelijke heropvoeding van het volk: het onderricht van de
christelijke leer aan de kinderen. De geleerde hoogleraar in de theologie wist
voor deze belangrijke opdracht tijd vrij te
maken. Het hoogtepunt van deze werkzaamheid was de opstelling van een
Katechismus die in 1554 werd uitgegeven en bestemd was als handboek aan de
universiteiten. In 1556 verscheen er een verkorte versie van deze katechismus,
bestemd voor het volk, waarvan talrijke uitgaven zijn gepubliceerd. Later kwam
er nog een katechismus voor de middenscholen. Niet minder opmerkelijk is zijn
werkzaamheid als prediker geweest. Daaraan hebben hele landen het te danken, dat
zij voor het katholieke geloof werden gewonnen.
Dit apostolaat van de leer, dat het leven van
Petrus Canisius kenmerkte, is heden ten dage
nog net zo dringend nodig als in zijn tijd. De heilige Pastoor van Ars
zei in een preek: «Dit waren de eerste woorden van de Heer tegen zijn
apostelen: Gaat en onderwijst...
om ons te laten zien dat onderwijs voor alles gaat.
»Hoe komt
het dat wij iets weten van godsdienst? Doordat iemand het ons geleerd
heeft. Waardoor hebben wij een afkeer van zonden? Wat geeft ons een open oog
voor het mooie van de deugden en wat legt in
ons het verlangen naar de hemel? Onderricht. Wat leert aan de vaders en moeders welke plichten ze hebben tegenover hun
kinderen en aan de kinderen welke plichten ze hebben tegenover hun ouders? Onderricht. [...] Ik voor mij geloof,
dat iemand die niet naar het Woord van God luistert zoals hij zou
moeten, niet gered kan worden. Maar voor iemand die ooit iets geleerd heeft, is
er altijd een bron. Hij kan op het slechtste pad raken; er is altijd nog hoop
dat hij vroeg of laat terugkomt bij de goede God, al was het pas op zijn
sterfbed. Terwijl iemand die nooit iets gehoord heeft, lijkt op een ernstig
zieke, op iemand die op sterven ligt en niet meer bij bewustzijn is: hij weet
niet hoe erg zonden zijn en kent ook de waarde van de deugden niet; hij is als
een vod dat door de modder wordt gesleurd».1 Ondanks twintig eeuwen van vooruitgang kent
de mensheid nog altijd lichamelijk en moreel lijden, maar vóór alles lijdt zij
aan het grote gebrek aan de leer van Christus, die onfeilbaar door het leergezag van de Kerk wordt behoed. De
woorden van de Heer zijn nog steeds woorden van eeuwig leven: zij leren
de mens te vluchten voor de zonde, het gewone leven, de vreugden, mislukkingen
en ziekte te heiligen..., en zij openen de weg naar de redding. Dààraan heeft de
wereld het meest behoefte.
«Mensen willen de boodschap van God horen, ook
al lijkt dat uiterlijk niet zo. Sommigen hebben misschien de leer van Christus
vergeten. Anderen hebben -buiten hun schuld-
Hem nooit leren kennen en beschouwen de godsdienst als iets dat er niet
voor hen is. Maar wij moeten zelf overtuigd zijn van een realiteit die altijd
geldt: vroeg of laat zal de ziel zich overgeven, zullen de gebruikelijke
verklaringen hem niet meer voldoen, zullen de leugens van de valse profeten hem
niet meer tevreden stellen. En ook als ze het nog niet zullen willen toegeven,
zullen ze zich van hun onrust willen ontdoen, hun honger naar waarheid willen
stillen: met wat de Heer leert»2. In onze handen
ligt thans deze schat van de leer, die we nú, te pas en te onpas3,
moeten doorgeven met alle middelen die ons ter beschikking staan.
31.2 Als wij de leer van Jezus Christus willen bekend maken, zullen wij die zelf moeten bezitten, in
ons verstand én in ons hart: wij moeten de leer overwegen en liefhebben.
Alle christenen, ieder naar gelang de gaven die hij heeft ontvangen -talenten, studie, omstandigheden...-
moeten zich moeite geven de leer te verwerven. Soms zal die vorming beginnen met het terdege kennen van de
katechismus, de boeken «die trouw zijn aan de wezenlijke inhoud van de
Openbaring, die wat de methode betreft bij de tijd gebracht zijn, en waarmee de
christelijke generaties van de nieuwe tijd tot een krachtig geloof kunnen
worden opgevoed»4, waarover Johannes Paulus ii spreekt. Het geloofsleven van de doorsnee christen
leidt dikwijls tot een onophoudelijke stroom van verwerven en doorgeven van het
geloof:
Zelf heb ik immers... de overlevering ontvangen
die ik u op mijn beurt heb doorgegeven5, zei de heilige Paulus aan de christenen van
Korinte. Het geloof van de Kerk is een levend geloof, want het wordt
voortdurend ontvangen en doorgegeven. Christus geeft het aan de apostelen,
dezen aan hun opvolgers. De geloofsleer wordt «ontvangen en doorgegeven» door de huismoeder, de student, de
ondernemer, door het winkelmeisje... Wat zou de Heer geweldige luidsprekers hebben, wanneer wij,
christenen, allemaal -ieder op zijn plaats- besloten zijn heilsleer te verkondigen,
zoals onze broeders in het geloof hebben gedaan! Gaat en onderricht..., zegt
dezelfde Christus tot ons allen. Het gaat daarbij om de spontane verbreiding
van de leer, heel vaak op informele wijze, maar wel buitengewoon doeltreffend, zoals de eerste christenen dat
hebben gedaan: van gezin tot gezin, temidden van onze metgezellen op het
werk, onder buren, onder de leraren op school; in de buurt waar we wonen, op de
markt, op straat.
«Geloof me, het apostolaat, de catechese,
dienen in de regel te werken als het systeem
van de haarvaten: één voor één. Iedere gelovige geeft zijn geloof door
aan iemand in zijn omgeving. -Voor ons, als kinderen van God, zijn alle zielen
van belang, omdat elke ziel voor ons belangrijk is.»6
Wanneer thans met alle mogelijke middelen en op
zoveel plaatsen de leer van de Kerk wordt
aangevallen, moeten wij, christenen, het vaste besluit nemen om alle middelen aan te wenden om de leer van Jezus
Christus diepgaand te leren kennen, om te gaan beseffen wat dit
onderricht voor het leven van mens en samenleving inhoudt. God met daden
liefhebben betekent in vele gevallen, dat we de gepaste tijd aan deze vorming
moeten wijden: de bestudering van de leer
van Jezus Christus. Petrus Canisius heeft in de xvie eeuw de gelovigen trachten te behoeden voor het
verlies van het geloof; op dezelfde wijze heeft de Kerk, in haar ijver om de
opdracht van Jezus Christus -alle volkeren te onderrichten- ten uitvoer te
brengen, zich thans zeer ingespannen om ons een goede katechismus te bieden. Johannes Paulus ii zegt hierover: «De Katechismus
van de Katholieke Kerk... is een uiteenzetting van het geloof van de Kerk en van
de katholieke leer, bevestigd of verlicht door de heilige Schrift, de
apostolische Overlevering en het kerkelijk leergezag.»7
Wij zouden deze dagen van rust en wat meer vrije tijd kunnen benutten om onze
kennis van het geloof te verdiepen.
31.3 «Het optreden van Christus -zegt de H. Jozefmaria Escrivá- blijft niet
beperkt tot alleen maar woorden en oppervlakkige gebaren.
Jezus neemt de mens serieus en wil hem de goddelijke zin van het leven ontsluiten.
Jezus weet de eisen, ieder individueel met
zijn plichten te confronteren, hen die Hem horen uit hun gemakzucht en conformisme wakker te schudden om hen tot de
kennis van de driewerf heilige God te
voeren. Hij ontfermt zich over de hongerenden en lijdenden, maar vooral
over de onwetenden. Toen Jezus aan land ging, zag
Hij dan ook een grote menigte. Hij voelde medelijden met hen, want zij waren
als schapen zonder herder, en Hij begon hen uitvoerig te onderrichten (Mc 6,34).»
Ook wij kunnen niet onverschillig en passief
blijven toekijken bij zoveel onwetendheid, want de Heer heeft ons tot zout der aarde (Mt 5,13) en licht der wereld (Mt 5,14) gemaakt. Iedere
christen moet delen in de opdracht tot christelijke vorming. Niemand mag zich
aan deze dringende taak onttrekken.
Het gaat er niet om negatieve campagnes te
voeren of anti-wat-dan-ook te zijn. Integendeel: we moeten op een positieve
manier leven, vol optimisme, jeugdig, blij en met innerlijke vrede; met begrip
staan tegenover allen: tegenover degenen die Christus volgen en tegenover hen
die Hem in de steek laten of Hem niet kennen.
Maar begrip houdt niet in dat we ons afzijdig
moeten houden, houdt geen onverschilligheid
in, maar actief-zijn»9, initiatief nemen, het verlangen koesteren om allen
bekend te maken met het beminnelijke gelaat van de Heer. We zullen bemerken hoe omvangrijk de opdracht is om
de leer van Jezus Christus te
verbreiden; daarom moeten we in de eerste
plaats de Heer bidden om vermeerdering van ons geloof: fac me tibi semper magis credere, geef
mij altijd meer in U te geloven, zo smeken we in het 'Adoro te
devote', de eucharistische hymne van de heilige Thomas van Aquino. En eveneens met de woorden van deze hymne kunnen we
eraan toevoegen: ik geloof al wat
Gods Zoon verkondigd heeft, niets is meer waar dan het Woord der Waarheid zelf.
Slechts door een krachtig geloof kunnen wij
goede werktuigen van de Heer zijn. Alleen Gods genade kan onze wil ertoe
bewegen de geloofswaarheden te aanvaarden.
Wanneer wij dan ook iemand tot de christelijke waarheid willen brengen,
zullen we dit apostolaat vergezeld moeten doen gaan van een nederig en volhardend
gebed, en naast gebed boetedoening: een versterving, misschien in kleine dingen
betreffende werk of gezinsleven, maar wel bovennatuurlijk en concreet.
Tegenover de moeilijkheden die we tegenkomen, zullen we met optimisme worden
vervuld als we bedenken, dat de genade van de Heer de meest verstokte harten
kan beroeren, dat de bovennatuurlijke hulp des te groter is, naarmate de
moeilijkheden groter zijn, want -zo zegt sint Paulus- waar de zonde heeft
gewoekerd, werd de genade mateloos.10 Jezus,
leer ons U bekend te maken!
Ook nu dolen de menigten verloren rond en
hebben zij U nodig; zij zijn onwetend en zo dikwijls zonder licht en onbekend
met de weg. Heilige Petrus Canisius, wees onze voorspreker, opdat wij de leer
van Jezus Christus weten te verbreiden, zoals Gij dat deed. Heilige Maria, help
ons, opdat wij geen gelegenheid voorbij laten gaan om uw Zoon Jezus Christus
bekend te maken; leid ons, opdat wij vele anderen kunnen begeesteren in deze
edele taak van de verbreiding van de Waarheid.
-1. H. Jean-Baptiste Marie
Vianney, Over God en
over ons, Oegsgeest, bl. 46.
-2. Zalige Josemaria
Escriva, Vrienden
van God, 260. -3. Vgl. 2 Tim 4,2. -4. Johannes Paulus ii, Apost. exhort. Katechese geven, 16 oktober 1979, 50. -5. 1 Kor 11,23. -6. Zalige Josemaria Escriva, De Voor, 943. -7. Johannes Paulus ii, Apost. const. Fidei depositum, 11 oktober 1992. -8. Zalige Josemaria Escriva, 109. -9. Idem, De Voor, 864. -10. Rom 5,20.