14 februari. Feest
18. HH. CYRILLUS EN METHODIUS,
PATRONEN EN BEKEERDERS VAN EUROPA
Cyrillus en Methodius waren de jongste en
oudste uit een gezin van zeven broers en zussen. Zij werden geboren in
Thessalonika (Griekenland) en waren de zoons van een hoge ambtenaar van het
Byzantijns bestuur. Cyrillus ontving in Constantinopel een gedegen vorming en
bracht het tot hoogleraar aan de keizerlijke universiteit. Methodius was
aanvankelijk gouverneur en leidde een bewogen leven in de politiek, maar trad
later in het klooster van Bytinië. Beiden wijdden hun leven aan de prediking van
het evangelie onder de Slavische volkeren. Om dit werk te vergemakkelijken,
begon Cyrillus, een deskundige op taalkundig gebied, aan de ontzaglijke taak
een alfabet op te stellen om de klanken van de Slavische taal, die nog geen
lettertekens kende, schriftelijk weer te geven. Hij vertaalde de voornaamste
teksten van de heilige Schrift en van de liturgie; jaren later heeft Methodius
het werk van zijn broer voltooid.
Cyrillus stierf in Rome op 14 februari 869
en werd begraven bij de relikwieën van de heilige Clemens, die hij naar de
Eeuwige Stad had overgebracht. Methodius overleed op 6 april 885. Zijn lichaam
werd later naar Rome overgebracht en rust daar bij dat van zijn broer. Johannes
Paulus ii riep hen, samen met de heilige Benedictus, uit tot patronen van Europa
vanwege hun evangelisatiewerk onder de Slavische volkeren.
-De evangelisatie van
de Slavische volkeren. -Een nieuw heidendom moet met een nieuwe evangelisatie
worden beantwoord. -De christelijke gewoontes van het dagelijkse leven
bevorderen en doorgeven.
18.1 Cyrillus en Methodius wijdden hun leven aan de
bekering van het Slavische volk en vervulden dit
missiewerk «in vereniging met zowel de Kerk van Constantinopel die hen had
uitgezonden, als met de zetel van Rome die hen bevestigde. Aldus toonden zij de
eenheid van de Kerk.»1
De paus heeft
herhaalde malen de christelijke fundamenten van het
bestaan van Europa in herinnering geroepen:
«de Europese identiteit is niet te begrijpen zonder het christendom»,
«en juist daarin liggen die gemeenschappelijke wortels waaruit de beschaving
van het continent gerijpt is, zijn cultuur, zijn dynamiek, zijn werkzaamheid, zijn mogelijkheden tot opbouwende verbreiding ook
over de andere werelddelen; kortom, alles wat zijn glorie vormt.»2 De naam Europa zelf komt pas later op en heeft
zuiver geografische betekenis, terwijl men om de culturele eenheid -die
dezelfde fundamenten heeft- aan te duiden de naam 'christenheid' of iets
gelijkends gebruikte.3
Als een gebouw slechte fundamenten heeft, kan
het heel gemakkelijk instorten. Daarom richt de paus, tegen de voortdurende achteruitgang van het geloof, die
beklemmende oproep tot allen en tot ieder afzonderlijk om te komen tot
een nieuwe evangelisatie van Europa. «De Kerk van vandaag -zo zei hij tot jonge
bedevaartgangers in Santiago de Compostela- bereidt zich voor op een nieuwe
kerstening; zij ziet dit als een uitdaging, waarop zij gepast moet antwoorden,
zoals in vroegere tijden.»4 Dit zijn woorden die
tot ons gericht zijn.
In sommige
gevallen zal men het christendom opnieuw moeten vestigen,
zoals de heilige Cyrillus en Methodius hebben gedaan onder de Slavische
volkeren, want op sommige plaatsen lijkt het alsof het heidendom op een meer
absolute wijze heerst dan onder de primitieve volkeren, want deze hebben ten
minste een godsdienstige overtuiging
bewaard. Dit is een taak die ons allen aangaat; wij moeten beginnen met
het opnieuw kerstenen van onze eigen
omgeving en zijn zeden; in de eerste plaats, degenen die ons het meest
nabij staan: laten we over God spreken, helder en zonder aanzien des persoons,
als het enige dat zin kan geven aan de mens en de maatschappij; laten we
onderrichten dat elke menselijke onderneming die niet de Schepper voor ogen
houdt, tot mislukking gedoemd is; laten we meehelpen met de opdracht van de
Kerk de katechismus te onderwijzen; laten we stoutmoedig onze vrienden
uitnodigen zich christelijk te laten vormen, zonder daarbij ooit iemand als
verloren of onverbeterlijk te beschouwen; laten we voor anderen de weg vergemakkelijken
die tot de ontmoeting met Christus leidt door middel van de biecht...
18.2 Het christendom heeft Europa zijn wezen gegeven en gevormd tot de eenheid, waarin een veelheid van
volkeren en rassen, van culturen en zeer verschillende afkomst is
samengesmolten; zij hebben zich er in de loop der tijd gevestigd en een
samenleving op basis van gelijke christelijke beginselen gesmeed. De bekering
van Europa was geen onderneming van korte tijdsduur, maar heeft zich over meer
dan duizend jaar uitgestrekt. «Het was een onderneming met vooruitgang en
achteruitgang, met triomfen en schijnbare mislukkingen, waaraan elk volk met
het beste van zijn aard en gestalte heeft bijgedragen; een onderneming waarin
Gods voorzienigheid zoals steeds rekening wilde houden met de medewerking van de
mens. Vóór alles was de bekering van Europa een godsdienstig gebeuren en
tegelijkertijd de wezenlijke factor in de vorming van de westerse beschaving.»5
Ook nu nog is de ziel van Europa op zeer
wezenlijke punten één, want zij heeft, behalve de gemeenschappelijke oorsprong,
gelijke christelijke en menselijke waarden, op zijn minst in de onderlaag van
vele van zijn wetten en zeden. Zij bewaart waarden die zij aan het christendom
te danken heeft, zoals de waardigheid van de menselijke persoon, het gevoel voor
gerechtigheid en vrijheid, de werkzaamheid, de ondernemingsgeest, de liefde
voor het gezin, het respect voor het leven, verdraagzaamheid en het verlangen
naar samenwerking en vrede -dit alles zijn tekens die haar kenmerken.6
Tegelijkertijd treffen we een Europa aan,
waarin de bekoring van het atheïsme en scepticisme steeds heviger wordt; een
Europa, waarin een pijnlijke morele onzekerheid wortel schiet, gepaard gaande
met het uiteenvallen van het gezin en ontaarding van de zeden.7 Niet weinig volkeren hebben in hun wetgeving wetten
aangenomen, die zelfs niet menselijk zijn, zoals de abortuswet, die de
beschaving doet terugglijden naar tijden van barbarij en verloedering. Maar
'een nieuw heidendom' in gedachten en gewoonten 'wordt beantwoord met een nieuwe
evangelisatie'. Een eigenschap van het christendom is altijd geweest het kwaad
te verstikken in een overvloed van het goede. En juist dat vraagt de Heer van
ons: dat wij dit ten uitvoer brengen bij die mensen -weinig of veel, jong of
oud- die wij kunnen bereiken.
Laten we die vurige woorden van de paus in
Santiago de Compostela, tijdens zijn eerste
bezoek aan Spanje, weer overwegen: «Ik, bisschop van Rome en herder van
de wereldkerk, werp jou, o oud Europa, vanuit Santiago een kreet toe vol
liefde: ontmoet jezelf weer! Wees jezelf! Ontdek je oorsprong! Laat je wortels
opleven! Doe die authentieke waarden herleven die jouw geschiedenis zo roemvol
en je aanwezigheid in de andere werelddelen zo weldadig hebben gemaakt.»8
God wil zich nu van ons bedienen om de
maatschappij vanaf haar eigen fundamenten opnieuw te kerstenen, zoals de eerste
christenen hebben gedaan en daarna zoveel geslachten dit hebben voortgezet.
Zonder onze plaats in het beroep en gezin op te geven! Hoeveel goed kunnen we
wel niet doen! Daartoe moeten we een leven leiden van levend geloof, iedere dag
nauwgezet ervoor zorgen dat we tijd inruimen voor het gebed, «waarbij we
persoonlijk omgaan met Hem van wie wij weten dat Hij ons bemint.»9 Al ons doen en laten moet zijn middelpunt en wortel
hebben in de heilige mis; we moeten onze toevlucht weten te zoeken in het
sacrament van boete en vergeving, waar de ziel wordt gereinigd, verjongd en
vervuld van vreugde.
18.3 Toen Paulus en zijn directe medewerkers door Frygië en de streek van Galatië trokken, dreef de Heilige Geest hen voort en
liet hen niet halt houden in de steden onderweg. Ten slotte kreeg Paulus in
Troas een visioen: een Macedoniër kwam te voet naar hem toe en smeekte hem: Steek over naar Macedonië en kom
ons te hulp.10 Het
was een klemmende oproep en dankzij deze smeekbede nam de evangelisatie van
Europa een aanvang. Deze zelfde oproep moeten wij vernemen van mensen die ons
omringen en die soms de beginselen van het geloof vergeten zijn of hieromtrent
in verwarring verkeren. Ook zij zeggen tot ons: 'Kom en help ons'.
Waarschijnlijk zal
de Heer niet van ons vragen, dat wij daartoe naar verre
oorden gaan, want de omgeving waar wij dagelijks verkeren, is de plaats waar
wij deze nieuwe kerstening volgens de wil van de Heer ten uitvoer brengen, met
geloof en optimisme, zonder halt te houden voor moeilijkheden, want «als de
hindernissen groot zijn, is ook de
goddelijke genade overvloediger: Hij zal de hindernissen uit de weg
ruimen door zich van ieder van ons als een hefboom te bedienen.»11 We moeten alle omstandigheden die we iedere dag tegenkomen benutten: de geboorte
of het overlijden van een familielid of bekende, ziekte, familiefeesten, de kleine aanleidingen tot vreugde die wij
kunnen gebruiken om ze een bovennatuurlijke zin te geven, tijd vrij
maken om geloofsonderricht te geven; we zullen altijd gelegenheid hebben een
goed boek aan te raden, dat iemand dichter tot God brengt, of iemand in een
moeilijk ogenblik raad geven...; we kunnen de mogelijkheid opperen een nieuw
huis dat men gaat bewonen te laten inzegenen;
we moeten leren de hulp in te roepen van de engelbewaarder in kleine of grote noden die zich voordoen; we kunnen voorbeeld geven door te bidden vóór de
maaltijd en na het eten te danken
voor het voedsel dat we ontvangen hebben; we kunnen voorstellen in huis
een beeld van Maria te plaatsen als teken dat daar iemand woont die gelooft en
de Moeder Gods liefheeft... Het zijn kleine gewoonten die we van andere
christengeneraties geërfd hebben en die we moeten doorgeven, want daarin krijgt
een geloofsleven vorm en wordt het in praktijk gebracht. God toont zich
dagelijks op duizend kleine ogenblikken, in een groet, als we ons dagelijks
werk opdragen als een God welgevallige offergave, in de regeling van de vakantie
of onze ontspanning... Het geloof doordringt
alles, verrijkt en brengt op bovennatuurlijk niveau. En tegelijkertijd maakt
het alles menselijker.
De vaste
overtuiging dat de christelijke roeping zelf ons ertoe
aanzet Christus bekend te maken is een stap voorwaarts
in de onderneming die de paus van ons allen vraagt. Indien iedere
christen consequent in zijn geloof was, zouden wij spoedig de wereld
veranderen: we zouden haar hebben veranderd
in een meer menselijke plaats, waar het samenleven met elkaar
gemakkelijker en aangenamer zou zijn, omdat het dichter bij God stond. Laten we
met deze taak beginnen bij onszelf en anderen ertoe bewegen deze eveneens voort
te zetten. Zo zal het apostolaat als de steen zijn die in het meer viel en een
golf veroorzaakte, en die weer een andere golf...12,
zonder einde. Bidden wij de Heer, met de woorden van de liturgie van deze Mis,
dat Hij ons, op voorspraak van de heilige broeders Cyrillus en Methodius, de genade verleent om ons hart
ontvankelijk te maken voor de verkondiging van uw leer en ons vormt tot een
volk, dat eensgezind volhardt in het ware geloof en in de rechtzinnige
belijdenis.13
Tot de heilige Maria, Mater Ecclesiae et Regina mundi, bidden wij om
«een verjongde Kerk, hecht in eenheid, hernieuwd in de ijver tot heiligheid en
de apostolische ijver van al haar leden»14,
opdat Jezus moge heersen in alle harten en alle werkzaamheden van de mensen.
-1. Johannes Paulus ii, Apost.
const. Egregiae virtutis, 31-XII-1980. -2. Idem, Toespraak in Santiago de Compostela, 9-XI-1982, 2. -3. Vgl. L. Suárez, Raíces cristianas de Europa, Palabra, 2a ed.,
Madrid 1986, bl. 6 vv. -4. Johannes Paulus ii, Toespraak in Santiago de Compostela, 19-VIII-1989. -5. J. Orlandis, La
conversión de Europa al cristianismo, Rialp, Madrid 1988, bl. 11 vv. -7. Vgl. Johannes Paulus ii, Toespraak in Santiago de Compostela, 9-XI-1982, 4.
-7. Idem, Toespraak 6-XI-1981. -8. Idem, Toespraak in Santiago de Compostela, 9-XI-1982. -9. H. Theresia van
Avila, Het boek van haar leven, 8,2. -10. Hnd 16,9. -11. A. del Portillo, Pastorale brief,
25-XII-1985, 10. -12. Vgl. H.
Jozefmaria Escrivá, De Weg,
831. -13. Altaarmissaal, Gebed van de mis. -14. A. del Portillo, o.c.,
12.