3 mei. Feest
34. HH. FILIPPUS EN JAKOBUS, APOSTELEN
Filippus was, net als Petrus en Andreas,
afkomstig uit Betsaida. Hij was aanvankelijk een leerling van Johannes de
Doper, maar volgde daarna Jezus, die hem riep om deel uit te maken van de
Twaalf. Hij was de apostel die aan Natanaël aankondigde, dat hij de Messias had
ontmoet. Door de heilige Johannes weten wij, dat Filippus aanwezig was op de
bruiloft van Kana, waar Jezus zijn eerste wonder verrichtte. Uit het verhaal
van de broodvermenigvuldiging kan men afleiden, dat Filippus degene was die met
de voedselvoorziening was belast: hij rekent aanstonds uit hoeveel geld nodig
is -ongeveer 200 denariën- om de honger van de daar verzamelde menigte te
stillen. Hij bemiddelt samen met Andreas in de episode van de Griekse pelgrims,
vrome heidenen die Jezus verlangden te zien. Het is eveneens Filippus die in de
zaal van het Laatste Avondmaal de Heer vraagt hem de Vader te tonen. Door de
traditie wordt hij beschouwd als de evangelisator van Frygië (Klein-Azië), waar
hij als martelaar de kruisdood stierf.
Jakobus, een familielid van de Heer, wordt
'de mindere' genoemd, om hem te onderscheiden van de broer van Johannes. Hij
was de eerste bisschop van Jeruzalem en ontplooide een sterke
evangelisatie-activiteit onder de Joden van die stad. De traditie beeldt hem af
als een streng man, veeleisend voor zichzelf en vol van goedheid jegens de
anderen. Hij was een zuil van de jonge Kerk, samen met Petrus en Johannes. Hij
stierf als martelaar in Jeruzalem rond het jaar 62. Hij is de schrijver van een
van de katholieke brieven.
-De roeping van deze apostelen. -Jezus was
altijd dicht bij zijn leerlingen, en is nu dicht bij ons. -Dezelfde boodschap
verbreiden die de apostelen predikten. Altijd rekenen op de bovennatuurlijke
middelen bij elk apostolaat.
34.1 Onder de mannen van Galilea aan wie het onmetelijke geluk ten deel viel door Jezus uitverkoren te worden om deel uit te
gaan maken van zijn meest getrouwen behoren Filippus, de zoon van Alfeüs, en
Jakobus de Mindere.
Jakobus werd geboren te Kana in Galilea, in de
buurt van Nazaret, en hij was verwant met de
Heer. Het evangelie vertelt ons niet wanneer Jezus hem geroepen heeft.
De heilige Schrift benadrukt, dat Jakobus een vooraanstaande plaats innam in de
kerk van Jeruzalem.1
Jakobus had het voorrecht, dat de Heer hem
persoonlijk verscheen, zoals we lezen in de eerste lezing van de heilige mis.2
Filippus was geboortig van Betsaida, de
vaderstad van Petrus en Andreas3; het was een
kleine stad dicht bij het Meer van Genesaret. Hoogstwaarschijnlijk was Filippus
reeds bevriend met deze twee broers. Op een
dag ontmoette Filippus, aan de oever van de Jordaan, Jezus die in het
gezelschap van zijn eerste leerlingen op weg was naar Galilea. De Meester sprak
tot hem: Volg Mij.4 Dat was het woord dat Jezus gebruikte om zijn
leerlingen te roepen, zoals ook de rabbijnen
tot hun volgelingen spraken. Filippus volgde
Hem aanstonds. En hij maakte Christus, die zojuist het middelpunt van
zijn leven was geworden, meteen bekend aan zijn vrienden. Filippus ontmoette Natanaël en zei hem: Degene over wie
Mozes in de Wet geschreven heeft en ook de profeten, Hem hebben wij gevonden:
Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazaret.5
En tegenover de twijfels die Natanaël laat blijken, verschaft Filippus hem het
krachtigste argument: Kom dan
kijken. En hij ging naar Christus en bleef voor altijd bij Hem.
Jezus stelt nooit teleur. Het apostolaat zal er
altijd in bestaan om onze verwanten, vrienden en bekenden bij Jezus te brengen,
de weg te banen, de hindernissen uit de weg te ruimen, opdat zij Jezus kunnen
zien, die ons heeft geroepen en die weet door te dringen in de ziel van degenen
die tot Hem naderen, zoals gebeurde met Natanaël, die eveneens een van de
Twaalf zou worden, ondanks zijn eerste schijnbare ongeloof en gebrek aan de
juiste gesteldheid om de boodschap van zijn vriend te aanvaarden: Uit Nazaret, kan daar iets goeds vandaan
komen?, had hij geantwoord op de uitnodiging van Filippus. Hoe
vaak hebben ook wij niet gezegd tegen hen die wij zo graag tot God willen
brengen: 'Kom dan kijken!' En niemand die tot Jezus naderde, is teleurgesteld.
Thans zijn Filippus en Jakobus onze
voorsprekers bij Jezus. Wij bevelen hun heel bijzonder het apostolaat aan, dat
wij onder onze vrienden en verwanten beoefenen.
34.2 In het evangelie van de heilige mis6
lezen wij hoe Jezus tijdens het Laatste Avondmaal zijn
leerlingen onderricht, dat er in de hemel
een plaats voor hen bereid is om voor altijd bij Hem te zijn en dat zij
de weg reeds kennen... Het gesprek gaat verder: de leerlingen stellen vragen en
de Meester antwoordt. Dan komt Filippus tussenbeide met een verzoek, dat allen
ongebruikelijk zullen hebben gevonden: Heer, toon ons de Vader; dat is ons genoeg. En Jezus antwoordt hem met een liefdevol verwijt: Ik ben al zo lang bij u en gij
kent Mij nog niet, Filippus? Wie Mij ziet, ziet de Vader. Hoe kunt ge dan zeggen: Toon ons de Vader? Hoe vaak zal Jezus ons wellicht niet hetzelfde verwijt als aan Filippus hebben kunnen maken? Ik ben
toch zo dikwijls bij je geweest en je bent je daarvan niet bewust geweest! En
de Heer zou ons de ene na de andere gelegenheid kunnen opsommen, moeilijke
omstandigheden waarin wij ons misschien eenzaam voelden en we niet kalm en
helder waren, omdat we ons kindschap Gods, Gods nabijheid niet voelden. Wat
doet ons vandaag het antwoord van Jezus aan die apostel dan goed! Want in hem
zijn ook wij afgebeeld.
Jezus openbaart de Vader; de allerheiligste
mensheid van Christus is de weg om God de Vader, God de Zoon en God de Heilige
Geest te leren kennen en met Hen om te gaan. Het aanschouwen van Jezus is de
normale weg om tot de Heilige Drieëenheid te komen. In Jezus hebben wij de
hoogste openbaring van God aan de mensen. «Hij vervult de openbaring, brengt
haar tot voltooiing en bekrachtigt haar met
goddelijk getuigenis door geheel zijn tegenwoordigheid en verschijning,
door woorden en werken, door tekenen en
wonderen, vooral echter door zijn dood en glorievolle opstanding uit de
doden en tenslotte door de zending van de Geest der waarheid; de openbaring
namelijk, dat God met ons is om ons te bevrijden uit de duisternis van zonde en dood en ons op te wekken
tot het eeuwige leven.»7 Hij vervult ons
leven volledig. «Hij is voldoende voor jou -zegt de heilige Augustinus-; buiten
Hem is er niets. Filippus wist dat zeer wel, toen hij tot Hem sprak: Heer, toon ons de
Vader; dat is ons genoeg.»8 Leven wij in
deze overtuiging?
34.3 Wij lezen in de eerste lezing van de heilige mis van deze twee
apostelen de woorden van de heilige Paulus tot de eerste christenen van
Korinte: In de
eerste plaats dan heb ik u overgeleverd wat ik ook zelf als overlevering heb
ontvangen, namelijk dat Christus gestorven is voor onze zonden, volgens de
Schriften, en dat Hij begraven is, en dat Hij is opgestaan op de derde dag,
volgens de Schriften, en dat Hij is verschenen
aan Kefas...9 Paulus had van de apostelen een goddelijke boodschap ontvangen, die
hij op zijn beurt overlevert. Het was ook de erfenis van Filippus en Jakobus,
die hun leven hebben gegeven als getuigenis van deze waarheid. Zij weten, zoals
de apostel van de heidenen, wat de kern van hun prediking moet zijn: Jezus
Christus, de Weg naar de Vader. Dat is de Blijde Boodschap die van geslacht tot
geslacht wordt overgeleverd: De dag heft zijn roep tot de dag, de nacht aan de nacht zegt
de mare10 zo lezen we in de Tussenzang. Wij hebben geen nieuwe dingen bekend te
maken. Het is dezelfde Blijde Boodschap: dat Christus voor onze zonden
gestorven is..., dat Hij verrezen is..., dat Hij aan onze zijde leeft..., dat Hij ons
liefheeft zoals nooit iemand zal kunnen liefhebben..., dat Hij ons bestemd heeft
voor een gelukzalig leven in eeuwigheid, bij Hem..., die wij van aangezicht tot
aangezicht zullen zien.
Ons apostolaat is: naar alle windrichtingen en
op alle mogelijke manieren dezelfde leer verkondigen die de apostelen predikten:
dat Jezus leeft en dat alleen Hij de verlangens van het menselijk verstand en
hart tot rust kan brengen, dat men alleen bij Christus gelukkig kan zijn, want
Hij openbaart de Vader... Net zoals wij, ondervonden de apostelen moeilijkheden
en hindernissen bij de verbreiding van het koninkrijk van Christus; als zij
gunstiger gelegenheden hadden afgewacht, zou die boodschap, die zin aan ons
bestaan geeft, waarschijnlijk niet tot ons zijn gekomen. Mogelijkerwijs hebben
de apostelen, en met name Filippus, tegenover het gebrek aan middelen en het
verzet van de heidenen, zich die dag herinnerd, toen zij zich geplaatst zagen
voor de grote opdracht om een menigte mensen te eten te geven zonder dat zij voedsel hadden of mogelijkheden dat te
verkrijgen.11 Jezus zag die grote menigte
die naar Hem toe kwam en Hij sprak tot
Filippus: Hoe moeten wij brood
kopen om deze
mensen te laten eten? En Filippus sloeg aan het rekenen en
antwoordde de Meester: Wil ieder
ook maar een klein stukje krijgen, dan is voor tweehonderd denariën brood nog
te weinig. Hij heeft de berekeningen gemaakt en de middelen die
zij bezitten zijn bij lange na niet voldoende om in de behoeften te voorzien.
Jezus is ontroerd
en wordt andermaal vervuld van medelijden tegenover die
menigte die zozeer begrip en vertroosting behoeft. Bovendien echter wil Hij,
dat zijn leerlingen niet vergeten dat Hij altijd aan hun zijde staat. Ik ben met u alle dagen12, zal Hij tot hen zeggen op het einde van zijn leven
hier op aarde. Ik ben al zo lang
bij u en gij kent Mij nog niet? God is de onmisbare op te tellen
post waarmee we rekening moeten houden, opdat de berekeningen kloppen. In ons persoonlijk apostolaat bij
vrienden, verwanten, bekenden, klanten..., moeten we rekening houden met
de tweehonderd denariën, de altijd ontoereikende menselijke middelen, en wij
mogen niet vergeten, dat Jezus immer tegenwoordig is met zijn macht en
medelijden. Ook nu staat Hij aan onze zijde. Hoe groter de nood in het apostolaat
en de persoonlijke moeilijkheden zijn, des te groter zal de hulp zijn die Jezus
ons verleent. Laten wij altijd tot Hem gaan.
De Maagd Maria, onze Moeder, zal door haar
machtige voorspraak bij God steeds de weg vergemakkelijken.
-1. Gal 1,18-19; Hnd 12,17; Hnd 21,15-18; Gal 2,9. -2. 2 Kor 15,7. -3. Joh 1,44. -4. Joh 1,43. -5. Joh 1,45. -6. Joh 14,6-14. -7. Vaticanum ii, Dogm. const. Dei Verbum,
4. -8. H. Augustinus, Preek 334,4. -9. 1 Kor 15,3-5. -10. Tussenzang. Ps 18,3. -11. Vgl. Joh 6,4 vv. -12. Vgl. Mt 28,20.