22 juni. Gedachtenis
55. HH. JOHN FISHER EN THOMAS MORE, MARTELAREN
John Fisher werd in 1491 tot priester
gewijd. Hij vervulde verscheidene ambten aan de Universiteit van Cambridge,
terwijl hij tevens de geestelijke leidsman was van koningin Margareth, de
moeder van Hendrik viii. Later bezette hij de leerstoel in de theologie die de koningin aldaar
had gesticht. In het begin van 1504 werd hij benoemd tot rector van Cambridge
en aan het einde van dat jaar zou hij tot bisschop worden gewijd van Rochester,
het kleinste en armste bisdom van Engeland; twee dagen daarna nam hij bezit van
zijn post als lid van de Raad van de Koning.
Thomas More studeerde Literatuur en
Filosofie in Oxford en Rechten in New Inn. In 1504 werd hij gekozen tot parlementslid
en vervulde hij verscheidene openbare ambten, waarin hij een groot prestige
verwierf door zijn wetskennis en zijn oprechtheid. Ondanks zijn intensieve
beroepsleven vond hij altijd tijd om zich aan zijn gezin te wijden -zijn grote
liefde- en voor zijn studies van literatuur en geschiedenis; hij publiceerde
diverse boeken en essays. In 1529 werd hij benoemd tot Kanselier van Engeland,
hoewel hij de koning reeds duidelijk te verstaan had gegeven, dat hij niet kon
instemmen met de ontbinding van het huwelijk van het koninklijk echtpaar. Met
volle aandacht voor de problemen van zijn tijd wijdde hij zich aan zijn werk en
zette hij zich ijverig in om de wetten en instellingen van zijn tijd van een
christelijke inhoud te vervullen.
Beiden werden in 1535 onthoofd, omdat zij
weigerden de suprematie van Hendrik viii over de Kerk van Engeland en de nietigverklaring van het huwelijk van
de koning te erkennen.
-Een
geloofsgetuigenis tot in het martelaarschap toe. -Kracht en gebedsleven.
-Christelijke samenhang en eenheid van leven.
55.1 In 1534 werd in Engeland van alle burgers die
daartoe de wettige leeftijd
hadden bereikt, geëist dat zij de eed aflegden op de 'Act of Succession', waarin de
verbintenis van Hendrik viii
en Anna Boleyn als huwelijk werd erkend. De koning werd uitgeroepen tot Hoofd
van de Kerk van Engeland, terwijl aan de paus elk gezag werd ontzegd. John
Fisher, de bisschop van Rochester en Thomas More, de kanselier van het
koninkrijk, weigerden de eed op de 'Act' af te leggen; zij werden in april 1534
gevangen gezet en het jaar daarna onthoofd.
In een tijd waarin velen voor de wil van de
koning zwichtten, zou hun eed nagenoeg onopgemerkt zijn gebleven en zouden ze
hun leven, hun inkomen en post hebben kunnen behouden, net zoals zoveel
anderen.1 Maar beiden bleven hun geloof trouw
tot het martelaarschap toe. Zij konden op dat ogenblik hun leven geven, omdat
zij mannen waren die dag in dag uit hun roeping beleefden en dagelijks
getuigenis aflegden van hun geloof, soms in zaken die van gering of geen enkel
belang leken.
Thomas More is iemand die ons zeer nabij is,
want hij was een gewoon christen, die zijn roeping als huisvader uitstekend wist te verenigen met zijn beroep van
advocaat en later van kanselier, in een volmaakte levenseenheid. Hij
stond in de wereld zoals hij in zijn eigen huis was; hij hield van alle
menselijke werkelijkheden die het netwerk van zijn leven vormden, waar God hem
wilde. Hij beleefde tegelijkertijd zulk een grote onthechting aan de aardse
goederen en zo'n grote liefde voor het kruis, dat men kan zeggen, dat daarin
heel zijn kracht gelegen was.
Thomas More was
gewoon elke vrijdag een passage van het Lijden van onze Heer te overwegen. Wanneer
zijn kinderen of zijn vrouw zich beklaagden over de gebruikelijke
moeilijkheden en tegenslagen, dan zei hij tot hen dat zij niet moesten
verwachten «op een veren matras naar de hemel te gaan» en hij herinnerde hen
aan het lijden dat Onze Lieve Heer heeft ondergaan, en dat de knecht niet boven
de meester staat. Behalve het benutten van de tegenslagen om zich met het kruis
te vereenzelvigen deed Thomas More nog op andere wijzen boete. Op sommige dagen
droeg hij, strak op de huid en verborgen, een ruwharig hemd. Deze gewoonte
zette hij voort tijdens zijn opsluiting in de Tower van Londen, ondanks kou,
vocht en alle soorten ontberingen die hij in die lange maanden doorstond.2 Daar, in het kruis vond hij zijn kracht.
Wij, christenen die Christus van nabij in deze
wereld volgen, door getuigenis af te leggen, bijna altijd in stilte, vinden wij
de kracht in de onthechting aan de aardse goederen, in de dagelijkse
versterving en in het gebed?
55.2 Toen Thomas More afstand moest doen van zijn ambt
als Lord Kanselier, riep hij zijn gezin bijeen om hun de toekomst die hen
wachtte uiteen te zetten en financiële voorzieningen te treffen. «Ik heb -zo
sprak hij, zijn levensloop samenvattend- in Oxford geleefd, in het onderkomen
van de Kanselarij... en ook aan het hof van de koning, van de laagste tot de
hoogste rang. Op dit moment beschik ik over een beetje meer dan honderd pond
per jaar. Als wij samen verder willen gaan, zullen we allemaal ons steentje
moeten bijdragen; ik denk dat het voor ons het beste is om niet in één keer tot
het laagste niveau af te dalen.» En hij stelt hun een geleidelijke achteruitgang
voor, waarbij hij hen eraan herinnerde hoe men in elke hoedanigheid gelukkig
kan leven. En als zij zich zelfs niet op het laagste niveau in leven kunnen
houden, zoals in Oxford, «dan -zo zegt hij hun met vrede en goed humeur- kunnen
we nog altijd aalmoezen gaan vragen, met zakken en tassen, en erop vertrouwen
dat een of ander goed mens medelijden met ons voelt [...], maar zelfs dan zullen
we samen blijven, verenigd en gelukkig.»3 Hij
heeft nooit toegestaan dat ook maar iets de eenheid en vrede van zijn gezin
verstoorde, zelfs niet toen hij afwezig of in de gevangenis was. Hij leefde
onthecht aan de goederen, toen hij die bezat, en met grote vreugde, wanneer hij
niet beschikte over het onmisbare. Hij wist altijd op de hoogte van de
omstandigheden te blijven. Hij wist hoe een gebeurtenis gevierd moest worden,
zelfs in de gevangenis. Een biograaf uit zijn tijd vertelt dat hij zich tijdens
zijn gevangenschap in de Tower altijd eleganter kleedde op belangrijke
feestdagen, voor zover zijn schaarse garderobe dat toeliet. Hij behield altijd
zijn blijdschap en goed humeur, ook op het moment waarop hij het schavot
besteeg, want hij steunde krachtig op het gebed.
«Verleen mij, goede Heer, de genade, dat ik mij
inspan om de dingen te verkrijgen waar ik U in het gebed om vraag», zo bad hij.
Hij verwachtte niet dat God voor hem zou doen wat hij met een beetje inspanning
zelf zou kunnen bereiken. Hij werkte ijverig heel zijn leven lang en wist het
tot advocaat van groot aanzien te brengen, voordat hij tot kanselier werd benoemd;
maar hij vergat nooit de noodzaak van het gebed, ofschoon het hem niet
gemakkelijk viel, vooral in zulke dramatische omstandigheden, toen hij zijn
terechtstelling afwachtte. In die dagen schreef hij een lang gebed, waarin hij,
tussen vele vrome en ontroerende overwegingen van een man die weet dat hij gaat
sterven, uitroept: «Geef mij, Heer, een verlangen om bij U te zijn, niet om
rampzaligheden van deze arme wereld te vermijden, zelfs niet om de pijnen van
het vagevuur noch die van de hel te ontlopen, niet om de vreugde van de hemel
te bereiken, noch uit overweging van mijn eigen voordeel, doch eenvoudigweg uit
waarachtige liefde voor U.»4
De heilige Thomas More toont zich aan ons
steeds als een man van gebed; zó kon hij trouw zijn aan zijn verplichtingen als
burger en als trouwe christen in alle omstandigheden, in een volmaakte
levenseenheid. Zó moeten ook wij zijn. «Een katholiek die niet bidt?... Dat is
net zoiets als een soldaat zonder wapens.»5 Hoe
gaan wij om met de Heer? Spannen wij ons in om elke dag te groeien in innige
verbondenheid met Hem? Heeft ons gebed invloed op de rest van de dag?
55.3 «Give me thy grace, good Lord, to set the world at nought...Geef mij uw
genade, goede Heer, om de wereld te minachten, om mijn geest stevig met U
verbonden te houden en niet afhankelijk te zijn van de wisselende meningen van
de anderen... Opdat ik met vreugde aan God denk, en vol tederheid zijn hulp
afsmeek. Opdat ik op Gods kracht steun en mij ijverig inspan om Hem te
beminnen... Om Hem onophoudelijk dank te zeggen voor zijn weldaden; om de tijd
die ik verloren heb af te lossen...»6 Zo schreef
de heilige in de kantlijnen van het Getijdenboek dat hij in de Tower van Londen
bezat. Het waren die dagen waarin hij zich wijdde aan het overwegen van
Christus' Lijden en aldus zijn eigen dood voorbereidde in vereniging met die
welke Christus aan het kruis had ondergaan.
Maar de heilige Thomas leefde niet alleen in
die verheven ogenblikken met het gezicht tot God gericht. Zijn liefde voor God
was dagelijks tot uiting gekomen in zijn gezinsleven, eenvoudig en minzaam, in
de uitoefening van zijn beroep als advocaat, in het hoogste ambt van Engeland,
als Lord Kanselier. In het vervullen van de plichten van alledag, soms
belangrijk, andere keren minder voornaam, heiligde hij zichzelf en hielp hij
anderen God te ontmoeten. Als een van de vele voorbeelden van een doeltreffend
apostolaat heeft hij ons het apostolaat nagelaten dat hij volbracht heeft bij
zijn schoonzoon, die in de Lutherse ketterij was vervallen: «Ik heb geduld
gehad met je man -zei hij tot zijn dochter Margareth-, ik heb met hem
geredeneerd en gediscussieerd over die godsdienstkwesties. Ik heb hem bovendien
mijn armzalige vaderlijke raad gegeven, maar ik zie dat het allemaal niets
heeft geholpen om hem weer tot de schaapskooi te brengen. Daarom, Meg, ga ik
niet meer verder met hem redetwisten, maar ik geef hem helemaal over in Gods
handen en ik zal voor hem bidden.»7 De woorden
en gebeden van Thomas More hadden effect, en de echtgenoot van zijn dochter
keerde terug tot de volheid van het geloof, was een voorbeeldig christen en had
veel te lijden omwille van het consequent beleven van zijn katholieke geloof.
De heilige Thomas More staat onder ons als een
levend voorbeeld voor ons gedrag als christenen. Hij is «vruchtbaar zaad van
vrede en vreugde, zoals zijn leven op aarde dat was te midden van zijn gezin en
vrienden, bij de rechtbank, op zijn leerstoel, aan het hof, aan de ambassades,
in het parlement en de regering.
«Hij is ook de stilzwijgende patroon van
Engeland, die zijn bloed heeft vergoten ter verdediging van de eenheid van de Kerk en de geestelijke macht van de
Plaatsbekleder van Christus. En aangezien het bloed van de christenen
ontkiemend zaad is, zal het bloed van Thomas More langzaam maar zeker de zielen doordringen en doordrenken van hen
die tot hem naderen, aangetrokken door zijn prestige, zachtmoedigheid en
sterkte. More zal de stille apostel zijn van de terugkeer van heel een volk tot
het geloof.»8
Tot John Fisher en Thomas More bidden wij
vandaag, dat wij hen weten na te volgen in hun christelijke samenhang om in
alle omstandigheden van ons bestaan te leven zoals de Heer van ons verwacht, in
het groot en in het klein. Wij bidden met de woorden van de liturgie van dit
feest: God, Gij toont ons in het
martelaarschap de hoogste uiting van het ware geloof. Geef dat wij worden
gesteund door de voorspraak van de heilige John Fisher en Thomas More om het
geloof dat wij met de mond belijden, te bevestigen met het getuigenis van ons
leven.9
-1. Vgl. A. Prévost, Thomas More
et la crise de la pensée européenne. -2. Vgl. T.J. McGovern, Thomas More: The making of a
Saint.
-3. Roper's Life of More,
geciteerd door T.J.
McGovern, o.c. -4.
H. Thomas More, Letters from the Tower. -5. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 453. -6. H. Thomas More, o.c -7. N. Haspsfield, Sir Thomas More, Londen 1963, bl. 102; A. Vázquez de Prada, Sir Tomás Moro, Rialp, 3e ed., Madrid 1975, bl. 284-285. -8. A. Vázquez de Prada, o.c., bl. 15-16. -9. Gebed van de mis.