26 januari. Gedachtenis
13. HH. TITUS EN TIMOTEüS,
BISSCHOPPEN
Leerlingen en medewerkers van sint Paulus,
respectievelijk bisschop van Efese en Kreta. Tot hen zijn de zogeheten
'pastorale brieven' van de apostel gericht.
Timoteüs werd geboren te Lystra in
Klein-Azië, uit een joodse moeder en heidense vader. Hij werd bekeerd op de
eerste reis van sint Paulus naar genoemde stad. Hij valt op door de trouw
waarmee hij de apostel heeft gevolgd; hij moet nog heel jong geweest zijn, toen
sint Paulus de christenen van Korinthe vroeg hem met respect te behandelen, en
hij was nog tamelijk jong, toen hij tot bisschop van Efese werd benoemd.
Volgens de traditie is hij in deze stad als martelaar gestorven.
Titus was een van Paulus' meest geliefde
leerlingen. Als zoon van heidense ouders werd hij -zo is zeker- door de apostel
zelf bekeerd. Hij woonde met deze en met Barnabas het Concilie van Jeruzalem
bij. In de 'Brieven' van sint Paulus wordt hij geschilderd als een man die zich
sterk maakte tegen de dwaalleraren en de verschillende vormen van dwaalleer die
toen reeds begonnen op te komen. Hij stierf, bijna honderd jaar oud, rond het
jaar 105.
-De goede leer bewaren. -De waarheden van het
geloof diepgaand kennen. -De door de Kerk bewaakte Blijde Boodschap verbreiden.
13.1 Titus en Timoteüs waren leerlingen en medewerkers van sint Paulus.
Timoteüs begeleidde de apostel in vele van diens missionaire taken zoals een zoon zijn vader.1 Sint Paulus koesterde altijd een bijzondere
genegenheid tot hem. Tijdens zijn laatste reis door Klein-Azië belastte hij hem
met de leiding over de Kerk van Efese, terwijl hij aan Titus de Kerk van Kreta
toevertrouwde. Vanuit de gevangenis in Rome schrijft hij hen beiden en beveelt
hij hun de zorg over de hun toevertrouwde
kudde aan, evenals de taak de ontvangen leer te bewaren en het
christelijk leven van de gelovigen te bevorderen, want dit werd bedreigd door
de heidense omgeving en de ketterse doctrines van enkele dwaalleraren. In de
eerste plaats moeten zij de schat van het geloof2
die hun was toevertrouwd, ongeschonden bewaren en zich met ijver wijden aan het
onderricht van de leer3, in het besef dat de
Kerk pilaar en fundament is van de waarheid4; daarom dienen zij krachtig de dwalingen te
verwerpen en degenen die deze verkondigen te weerleggen.5
Vanaf het begin heeft de Kerk ervoor gezorgd,
dat de vorming in de leer van haar kinderen zich richt op de fundamentele
inhoud, helder uiteengezet, met vermijding van
tijdverlies en mogelijke verwarring die zouden kunnen ontstaan, wanneer
men zich zou wijden aan het onderrichten van theorieën die nog nauwelijks
bewezen waren of slechts de marge van het geloof betroffen. Bij mijn vertrek naar Macedonië
-schrijft de apostel aan Timoteüs- heb ik u verzocht in Efese te blijven; gij zoudt bepaalde mensen
verbieden afwijkende leerstukken te verkondigen en zich bezig te houden met
eindeloze mythen en genealogieën, zaken die alleen maar leiden tot haarkloverijen
en niets bijdragen tot het geloof waarop Gods leiding berust.6 Paus Johannes Paulus ii
wijst, in zijn toelichting op deze passage van de heilige Schrift, allen die
zich wijden aan de vorming van anderen erop «af te zien van het stichten van
verwarring in de geest van de kinderen en de opgroeiende jeugd door in dit
stadium van hun katechese vreemde theorieën, zinloze problemen of onvruchtbare
discussies op te werpen...»7
Degenen die zich
opwerpen als leermeesters, maar niet de geloofswaarheden
doch eigen theorieën onderrichten, die
twijfel of verwarring zaaien, zijn een groot gevaar voor de gelovigen.
Met de bedoeling de inhoud van het geloof aan 'de moderne wereld' aan te passen
om zó het geloof bevattelijker te maken, wijzigen zij niet alleen de wijze van uitleg, maar de wezenlijke inhoud van
het geloof; aldus onderrichten zij niet meer de geopenbaarde waarheid.
Ook vandaag de dag is er te midden van het
koren een overvloedig zaaiveld van kaf, van dwaalleer. Radio, televisie,
literatuur, lezingen... zijn machtige middelen van maatschappelijke verspreiding en communicatie, ten goede maar ook
ten kwade: tegelijk met goede boodschappen verspreiden
zij dwalingen die meer of minder rechtstreeks de katholieke leer over geloof en
zeden raken. Wij, christenen, mogen ons niet immuun beschouwen voor het
besmettingsgevaar van deze enorme epidemie waaraan we lijden. De leermeesters
van de dwaling zijn in aantal toegenomen in verhouding tot die eerste tijd,
waarin sint Paulus deze krachtige aanbevelingen schrijft. Zijn waarschuwingen
van toen zijn nog altijd volledig actueel. Paulus vi
sprak van «een genadeloze en wereldomvattende aardbeving»8: 'aardbeving', omdat hij ondermijnt; 'genadeloos',
omdat hij tot op de fundamenten gaat; 'wereldomvattend', omdat we hem overal
tegenkomen.9
In de wetenschap dat het geloof een enorm grote
schat is, dienen wij alle benodigde middelen aan te wenden om dit geloof in ons
en de anderen te bewaren en om het met een bijzonder
verantwoordelijkheidsgevoel te onderrichten aan hen met wie wij op enigerlei
wijze belast zijn. In nederigheid wetend, dat ook wij besmet kunnen raken,
zullen wij voorzichtig zijn, zullen we geen boek kopen of lezen, enkel en
alleen vanwege het feit dat het in de mode is; we zullen inlichtingen en raad
vragen omtrent schouwspelen, televisieprogramma's, lectuur enz. Het geloof is
het meest waard van alles.
13.2 Bewaar de
u toevertrouwde schat met de hulp van de Heilige Geest die in ons woont.10
In het Romeins
Recht was het 'depositum' die bezittingen die aan iemand
werden overgedragen met de verplichting ze te behoeden om ze ongeschonden
terug te geven, wanneer degene die ze in bewaring had gegeven ze terugvorderde.11 Sint Paulus past dezelfde term toe op de inhoud van
de openbaring, en zó is dit begrip in de katholieke traditie opgenomen. Dit
geheel van waarheden, dat aan iedere generatie wordt overgereikt en die het op
haar beurt doorgeeft aan de volgende, is niet de vrucht -we hebben dit al vaak
overwogen- van menselijk verstand of overdenking, maar komt van God. Daarom
kunnen tot degenen die niet trouw zijn in hun onderricht, de woorden gericht
worden die de profeet Jeremia Jahwe in de mond legt: Mijn volk heeft dubbel misdreven: Mij hebben ze verlaten, de
bron van levend water, en ze hebben regenbakken gehouwen, vol barsten, die geen
water houden.12 Wie het leergezag
van de Kerk terzijde schuift kan alleen maar leerstukken van mensen
onderrichten, en deze zijn niet slechts ijdel en leeg, maar ook schadelijk
-soms zelfs vernietigend- voor het geloof en het heil. De ware verkondiger van
het evangelie is degene die «zelfs ten koste van zelfverloochening en
opofferingen altijd de waarheid zoekt die hij aan de anderen moet doorgeven.
Hij verkoopt of verbergt de waarheid nooit om de mensen te behagen, om
bewondering te wekken, om origineel te lijken of om op te vallen.»13
Binnen de waarheden die de geloofsschat vormen,
heeft de Kerk met alle zorg gewezen op de dogmatische definities. Vele daarvan
werden opgesteld of nader geduid tegenover aanvallen van de vijanden van het
geloof, in tijden van duisternis, of om de vroomheid van de gelovigen te
vermeerderen. In gesprekken met de katholieke professoren en studenten van de
universiteit van Oxford zette R. Knox uiteen, dat deze waarheden voor ons, die
onze levensweg gaan, moeten zijn wat voor zeelieden de boeien bij de uitmonding
van een rivier zijn. Boeien geven de grenzen aan, waarbinnen men veilig en
onbevreesd kan varen; daarbuiten bestaat altijd het gevaar dat men op een
zandbank stuit en aan de grond loopt. Zolang men binnen de genoemde, zo
duidelijk afgebakende weg loopt betreffende zaken van geloof en moraal, kan men
rustig en vlot voortgaan. Maar zich buiten de bakens begeven staat gelijk aan
schipbreuk lijden. Wanneer wij deze waarheden ontmoeten, zal ons denken, verre
van zich beperkt te voelen, met grotere zekerheid voortgaan, omdat de waarheid
duidelijker is geworden.14
Sinds de oudste tijden heeft de Kerk, op
moederlijke wijze, getracht de geloofswaarheden samen te vatten in kleine
'katechismussen', waarin zij helder en ondubbelzinnig de schat van de goddelijke
openbaring -door de eeuwen heen door het leergezag uitgelegd- binnen ieders
bereik heeft gebracht. Katechese, een werk van barmhartigheid dat steeds meer
nodig is, is een van de voornaamste opdrachten van de Kerk; hieraan dienen wij
allen, overeenkomstig onze mogelijkheden, deel te nemen. Ook voor onszelf, als
de kindertijd of wellicht de puberteitsjaren al voorbij zijn, kan een opnieuw
doornemen van de waarheden die in de katechismus
zijn vervat en eenvoudig worden uitgelegd, tot grote hulp zijn. Maar
het is niet voldoende deze basisgedachten
die wij ooit hebben geleerd, in herinnering te roepen: «langzamerhand
-bemerkt Johannes Paulus ii- groeien
we in jaren en cultuur, doemen er nieuwe problemen en nieuwe eisen van
helderheid en zekerheid voor ons bewustzijn op. Het is derhalve noodzakelijk op
verantwoorde wijze te zoeken naar de beweegredenen van het eigen christelijk
geloof. Als men zich niet persoonlijk bewust wordt en men geen juist begrip
heeft van hetgeen men dient te geloven noch van de redenen van het geloof, kan
alles op elk willekeurig ogenblik op fatale wijze ineenstorten...»15 Zonder trouw aan de leer kan men niet trouw zijn
aan de Meester, en naarmate we meer en meer doordringen in de kennis van God,
worden vroomheid en omgang met Christus vergemakkelijkt.
13.3 Attende tibi et doctrinae... Blijf voortdurend zorg besteden
aan uzelf en aan uw onderricht. Zodoende redt gij uzelf en hen die naar u
luisteren16 -zo raadt
sint Paulus Timoteüs aan. Wij moeten de middelen tot vorming die binnen ons bereik
liggen, zo goed mogelijk benutten: de bestudering van theologische werken die
ons worden aanbevolen door iemand die deskundig is en ons goed kent, het
deelnemen aan retraites; het lezen van geestelijke lectuur... Het gaat erom, dat
we een goede leerstellige vorming krijgen, naar gelang onze eigen
omstandigheden, om God beter te leren kennen, om Hem bekend te maken, om de
besmetting te voorkomen van zoveel valse leerstukken die iedere dag op velerlei
wijzen tot ons komen.
De leer schenkt ons licht voor het leven, en
het christelijke leven maakt het hart gereed om door te dringen in de kennis
van God. De Heer vraagt voortdurend een antwoord van ons verstand op al die
waarheden die Hij ons in zijn eeuwige liefde heeft geopenbaard. Het betreft
hier geen theoretische kennis: zij moet zich ontvouwen in de totaliteit van het
bestaan, om ons in staat te stellen in alles te handelen overeenkomstig de wil
van de Heer. We moeten leven volgens het geloof dat we belijden: door ons
kinderen van God te weten in alle omstandigheden, door te rekenen op een
engelbewaarder, met wie God ons heeft willen beschermen, altijd bemoedigd door
de bovennatuurlijke hulp die alle overige christenen ons verlenen... Door zulk
een geloofsleven zullen wij, bijna onbewust, vele anderen de geest van Christus
doen kennen.
-1. Fil 2,22. -2. 1 Tim 6,20. -3. 1 Tim 6,16. -4. 1 Tim 3,15.
-5. 1 Tim 1,13.
-6. 1 Tim
1,3-4. -7. Johannes
Paulus ii, Apost.
exhort. Catechesi tradendae,
16-X-1979, 61. -8. Vgl. Paulus vi,
Apost. exhort. Petrum et Paulum,
22-II-1967. -9. Vgl. P. Rodríguez, Fe y vida de fe, EUNSA,
Pamplona 1974, bl. 151. -10. 2 Tim
1,14.
-11. Vgl. The Navarre Bible,
noot bij 1 Tim
6,20. -12. Jer 2,13.
-13. Paulus vi,
Apost. exhort. Evangelii
nuntiandi, 8-XII-1975, 78.
-14. Vgl. R.A. Knox, The hidden stream. -15. Johannes
Paulus ii, Toespraak 24-III-1979. -16. 1 Tim 4,16.