9 juli. Feest
2. HH. MARTELAREN VAN GORCUM
Op 9 juli 1572 werden bij Brielle negentien priesters en
kloosterlingen, voor het merendeel inwoners van Gorcum (Gorinchem), gedood
vanwege hun getuigenis omtrent de werkelijke tegenwoordigheid van het Lichaam
van Christus in de Eucharistie en omtrent het gezag van de paus als zichtbaar
hoofd van de Kerk. Ten prooi aan bespotting en mishandeling hielden zij moedig
stand. Ten slotte werden zij door ophanging om het leven gebracht. Om hun
geloof met ere in de geschiedenis van de kerk van Nederland vermeld, werden zij
in 1867 door paus Pius ix heilig verklaard.
-Het geloof is onze grootste schat. Laten we het dan ook
altijd onverschrokken verdedigen. -Een christen mag zich niet laten beïnvloeden
door menselijke overwegingen. -In onze tijd moeten we sterk zijn in het geloof,
mensen van gebed zijn en de deugd van sterkte beoefenen.
2.1 In het treurige jaar 1572,
waarin ook de martelaren van Alkmaar en vele anderen hun katholiek geloof met
de dood bezegelden, werden in Gorcum drie wereldgeestelijken, één
regulier-kanunnik van Sint Augustinus en elf minderbroeders gevangengenomen en
schandelijk mishandeld door de Watergeuzen, ofschoon dezen bij de inname van de
stad vrijheid van godsdienst hadden gewaarborgd. Na negen dagen en nachten van
pijn en hoon werden de slachtoffers, bij wie intussen nog een dominicaan was gevoegd,
's nachts (5-6 juli) in een schuit naar Den Briel vervoerd, waar zij op bevel
van Lumey in een vuile kerker werden opgesloten. Zij vonden er nog twee
lotgenoten (van wie er echter later een afviel) en weldra werden nog twee
norbertijnen aan het getal toegevoegd. Niettegenstaande een bevel van Willem
van Oranje om priesters en monniken ongemoeid te laten, werden zij onder tergende
mishandeling opgehangen. Deze martelaren van Gorcum stierven omwille van hun
geloof in de eucharistie en hun trouw aan de paus, ten tijde van een
afschuwelijke kerkvervolging in de Nederlanden.
«Het martelaarschap is het meest verheven getuigenis dat men
van de waarheid van het geloof kan geven; het betekent een getuigenis dat reikt
tot in de dood. De martelaar getuigt voor Christus, gestorven en verrezen, met
Wie hij door de liefde verbonden is. Hij getuigt van de waarheid van het
christelijk geloof en de christelijke leer. Hij trotseert de dood in de houding
van sterkte. De Kerk heeft met de grootste zorg de herinneringen opgetekend en
bewaard van hen die tot het uiterste zijn gegaan om van hun geloof te getuigen.
Het zijn de handelingen van de martelaren. Ze vormen het archief van de
waarheid, geschreven met letters van bloed.»1.
Het geloof is de grootste schat die de Heer ons heeft
gegeven. We moeten het daarom met al onze krachten verdedigen, zo nodig zelfs
met ons leven, zoals de martelaren van Gorcum ons leren. Dat zal echter niet zo
vaak voorkomen. Gewoonlijk zullen we niet met het martelaarschap te maken
krijgen. Wel zullen we daarentegen gewoonlijk het geloof moeten verdedigen in
ons dagelijkse leven.
Tegenwoordig vervolgt men de christenen niet meer openlijk
met doodsbedreigingen. De vervolging in onze dagen is subtieler. We zouden die
'de vervolging van het etiket opplakken' kunnen noemen. In de arbeidssfeer, in
de pers tracht men alwie zijn geloof wil beleven het etiket van conservatief,
achterlijk, middeleeuws op te plakken. Tegenover zulk een vervolging zouden we
vol schrik kunnen reageren: uit menselijke overwegingen proberen we dan ons
geloof verborgen te houden of het in ieder geval niet te verdedigen. Wij dienen
echter moedig te reageren, met de trots van de kinderen Gods, met een gezond
'meerwaardigheidscomplex'. «Wie in de weer is voor God, dient een
meerwaardigheidscomplex te hebben, heb ik je al eerder gezegd. Maar, vroeg jij
me, is dat geen blijk van hoogmoed? -Neen. Het is een gevolg van de nederigheid,
van een nederigheid die je doet zeggen: Heer, Gij zijt die Gij zijt. Ik ben
daar de ontkenning van. Gij hebt alles volmaakt: de macht, de kracht, de
liefde, de glorie, de wijsheid, de heerschappij, de waardigheid... Als ik mij
verenig met U, als een kind dat zich nestelt in de sterke armen van zijn vader
of in de heerlijke schoot van zijn moeder, zal ik de warmte van uw
goddelijkheid voelen, zal ik de lichten van uw wijsheid ervaren, zal ik uw
kracht door mijn aders voelen.»2
«De heilige Petrus schrijft: Door die
heerlijkheid en macht heeft Hij verheven, onschatbare beloften voor ons
gerealiseerd, opdat gij zoudt ontkomen aan het bederf van de zelfzucht dat de
wereld heeft aangetast, en deel krijgen aan Gods eigen wezen.3 Deze vergoddelijking betekent geenszins dat wij
ophouden menselijk te zijn... Wij blijven mensen, ja, maar vol afschuw van de
doodzonde. Mensen die de dagelijkse zonden verfoeien en die, ook al ondervinden
zij elke dag hun zwakheden, eveneens de sterkte van God kennen.
»Zodoende zal niets ons kunnen tegenhouden: noch het menselijk
opzicht, noch de hartstochten, noch dit vlees dat in opstand komt omdat wij
armzalig zijn, noch de hoogmoed, noch... de eenzaamheid.
»Een christen is nooit alleen. Als je je verlaten voelt, dan
is het omdat je niet wilt kijken naar die Christus die zo dichtbij langs
komt... wellicht met het Kruis.»4
2.2 Heel het leven van Jezus is
vervuld van eenheid en kracht. Nooit zien we Hem aarzelen, besluiteloos en nog
minder terugdeinzen. Van ons, die Hem volgen, vraagt Hij deze krachtige wil in
iedere omstandigheid. Iemand die zich door menselijke overwegingen laat leiden,
heeft slechts een oppervlakkige vorming gehad, zonder heldere maatstaven,
zonder diepe overtuiging; hij is iemand met een zwak karakter. Menselijke
overwegingen zijn het gevolg van het feit, dat men de mening van anderen hoger
acht dan het oordeel van God, en dat men geen acht slaat op de woorden van
Jezus: Als iemand zich schaamt over Mij en mijn woorden ten
overstaan van dit overspelig en zondig geslacht, zal ook de Mensenzoon zich
over hem schamen, wanneer Hij, vergezeld van de heilige engelen, komt in de
heerlijkheid van zijn Vader.5 Menselijke
overwegingen worden geruggesteund door de gemakzucht om zich geen onaangename
dingen op de hals te halen, want het is natuurlijk veel gemakkelijker de stroom
te volgen; of ook uit vrees om bijvoorbeeld een openbare post in gevaar te
brengen; of om zich niet te willen onderscheiden van de overigen, om anoniem te
blijven. Wie de Heer volgt, mag niet vergeten dat hij moet zijn zoals de andere
goede christenen en dat hij innig betrokken is bij Christus en zijn leer.
Natuurlijk probeert iedereen handelingen te vermijden die hem
een zekere verachting of spot opleveren van vrienden, medewerknemers,
collega's..., of alleen maar het ongemak, dat tegen de stroom ingaan met zich
meebrengt. Maar even zeker is, dat de liefde voor Christus, aan wie wij zoveel
te danken hebben, ons helpt deze neiging te overwinnen, om de vrijheid van de kinderen Gods te herkrijgen, die ons ertoe
brengt ons soepel en eenvoudig als goede christenen in de meest ongunstige
situaties te bewegen. Vaak zal zo'n vastberaden handelen, openlijk en
onbevreesd, een grote apostolische werkkracht bezitten. Daarentegen «schrik je
als je denkt aan het onheil dat wij kunnen aanrichten als we ons laten
meeslepen door de vrees of de schaamte dat we er in het dagelijks leven voor
moeten uitkomen dat wij christenen zijn.»6
De martelaren van Gorcum leren ons, door hun leven, dat we
ons niet moeten laten leiden door menselijke overwegingen, dat we niet beducht
moeten zijn voor de openbare mening, dat we zelfs ons leven moeten geven door
-ook in het openbaar- vast te houden aan onze godsdienstige overtuigingen.
Ten tijde van Jezus vervielen de farizeeën in de bekoring
meer met het oog op de mensen dan op God gericht te leven; zij hadden alle
aandacht voor de uiterlijke schijn, voor wat de anderen konden zien, en zij
veronachtzaamden het diepe, dat God ook zag: in deze bekoring zijn vele mensen
vervallen en ook wij kunnen erdoor verleid worden.
Het blikveld en het oordeel van de mensen zijn echter oppervlakkig
en gaan voorbij, maar God ziet het ware en zijn oordeel duurt tot in eeuwigheid
voort. In ons handelen dienen we steeds voor ogen te houden, dat al onze werken
de eeuwigheid voor ogen hebben, ook al zullen ze soms door onze omgeving niet
begrepen of verkeerd uitgelegd worden.
Om menselijke overwegingen te overwinnen moeten we God voor
ogen houden, oprechte bedoelingen koesteren, om ons zó meer te richten op Gods
oordeel dan op de mening van de mensen. Dat bewoog ook sint Paulus, toen hij
tot de Galaten zei: Tracht ik nu de mensen te winnen of
God? Zoek ik soms de gunst van de mensen? Als ik nog de gunst van de mensen
zocht, zou ik geen dienaar van Christus zijn.7
2.3 Vanzelfsprekend verschilt
onze tijd van die van de martelaren van Gorcum. Wij hoeven het geloof niet
openlijk en expliciet te belijden, behalve in bepaalde omstandigheden, met name
dan wanneer niet belijden daadwerkelijk een ontkenning van het geloof inhoudt.
We leven in een tijd waarin structuren die tot een tiental jaren geleden
bestonden, zijn neergehaald. Noch discipline of gezag, noch wet of norm bestaan
in de praktijk nog, en zeden en gewoonten bevorderen het verlies van het
geloof, in plaats van het daarvoor te behoeden. De ons omringende wereld is
zozeer vervuld van dwalingen en leugens, die geheel tegenstrijdig zijn met het
geloof in Jezus Christus, dat niet weinig katholieken in twijfel verkeren en
niet precies meer weten wat zij moeten geloven, wat goed is of wat kwaad is,
wat God beveelt of wat Hij verbiedt.
Vandaag de dag is het steeds gemakkelijker om comfortabel
middelmatig te zijn, niet warm en niet koud. Daarentegen wordt het steeds
duidelijker hoe nodig het is om positie te kiezen, niet met de mond, maar
volledig, op vitale wijze: met Hem of tegen Hem, en dan elke keuze met al zijn
gevolgen te aanvaarden. Het is thans noodzakelijk de deugd van sterkte te
beleven, ook al maken we thans niet zulke tijden door als de martelaren van
Gorcum, toen de katholieken blootstonden aan vervolging en smaad, toen zij als
vijanden werden beschouwd, die heldhaftig moesten leven in een vijandige
omgeving en erop voorbereid moesten zijn, dat zij openlijk voor hun geloof
moesten uitkomen... en zelfs hun leven ervoor geven, want het enige alternatief
was geloofsverzaking.
De tijden waarin wij leven zijn verschillend. Het geloof
wordt niet beschermd, maar bedreigd, en we moeten het strijdend behouden. Maar
het wordt niet bedreigd door fysiek geweld van buitenaf. Het gevaar dat boven
de katholieken hangt is subtieler en krachtiger, omdat het van binnenuit komt.
Voorheen kon een katholiek nagenoeg zeker ervan zijn, dat hij in prediking en
katechese niet de geringste bewering hoorde die niet in overeenstemming was met
het leergezag van de Kerk. Tegenwoordig gebeurt het openlijk en duidelijk
waarneembaar, dat de gelovigen tijdens de prediking, soms zelfs tijdens de
zondagspreken, niet slechts menselijke doctrines krijgen ingeprent die niets
van doen hebben met de Openbaring, doch ook dwaalleringen en zelfs beweringen
die tegen het katholieke geloof ingaan.
Daarom kan men heden ten dage, steeds minder, zonder gevaar
te lopen een passief lid in de Kerk zijn. Om geen passieve leden te zijn is het
nodig: Ten eerste, zuiverheid van de leer. Wij moeten goed weten wat Christus
heeft geopenbaard. Wij mogen paus Johannes Paulus ii uiterst dankbaar zijn voor de
publicatie van de Katechismus van de Katholieke Kerk, die ons de mogelijkheid
verschaft de ware leer van de Kerk te leren kennen. Een goed katholiek moet
tijd weten te vinden om deze katechismus, in de mate van zijn mogelijkheden, te
bestuderen en te overwegen.
Ten tweede: het leven. Innerlijk leven, dat wil zeggen al het
nodige doen opdat de genade -goddelijk leven- ons vervult en de drijfveer wordt
van onze handelingen. En dat houdt in, dat we op het gebed moeten steunen.
Inwendig gebed, dagelijks, op vaste tijden: want als we niet met Jezus Christus
omgaan, als we niet dagelijks met Hem spreken, als we de poort niet openen
opdat Hij ons kan beïnvloeden, dan kunnen we Hem niet leren kennen en beminnen.
«Als je niet regelmatig met Christus omgaat in het gebed en in het Brood, hoe
wil je Hem dan aan anderen meedelen?»8
En ten derde: dapperheid, moed, sterk zijn in het beleven van
ons geloof. Dat wil zeggen, dat we bereid moeten zijn ons niet te laten
beïnvloeden door welke bewering, mening, stelling of theorie ook die niet in
overeenstemming is met het katholieke geloof dat we hebben ontvangen, want we
kunnen zonder meer zeker ervan zijn dat elke bewering die tegen de
geloofswaarheden ingaat vals is.9
Bidden wij op voorspraak van de heilige martelaren van Gorcum
tot onze moeder de Maagd Maria, dat zij ons de standvastigheid mag geven die
zij bezat onder het Kruis, bij haar Zoon, toen de omstandigheden zo vijandig en
smartvol waren.
-1. Katechismus Van De Katholieke
Kerk, 2472-2474. -2. Zalige J. Escrivá, De Smidse, 342. -3. 2 Pe 1,4.
-4. Idem, De Kruisweg,
6,3. -5. Mc 8,38. -6. Idem, De Voor, 36. -7. Gal 1,10. -8. Idem, De Weg, 105. -9. Vgl. F. Suárez,
La paz os dejo, bl. 218-220.