Derde vrijdag na
Pinksteren. Hoogfeest (1)
49. HEILIG HART VAN JEZUS
De verering van het Heilig Hart bestond als
privé-devotie reeds in de Middeleeuwen; het liturgisch feest dateert van 1675,
als gevolg van de verschijningen van de Heer aan de heilige Margaretha-Maria
Alacoque. In deze openbaringen vernam de heilige op bijzonder diepgaande wijze
hoezeer eerherstel nodig is voor de zonden van ieder afzonderlijk en van allen
en dat we Christus' liefde dienen te beantwoorden. De Heer vroeg haar de
praktijk van veelvuldig te communie gaan te verbreiden, met name op de eerste
vrijdag van elke maand, in de zin van eerherstel; ook vroeg Hij, dat op «de
eerste vrijdag na het octaaf van Sacramentsdag» «een apart feest aan de
verheerlijking van zijn Hart» gewijd zou worden. Het feest werd voor de eerste
maal gevierd op 21 juni 1686. Pius ix verbreidde het over heel de Kerk. Pius ix verleende
het in 1928 de luister die het thans kent.
Onder het symbool van het menselijk hart
van Jezus overweegt men vóór alles de oneindige liefde van Christus voor ieder
mens; daar ontspringt de eredienst aan het Heilig Hart «uit de bronnen zelf van
het katholieke dogma», zoals paus Johannes Paulus ii uiteengezet
heeft in zijn overvloedige katechese van dit zo troostvolle mysterie.
-Oorsprong en betekenis van het feest. -Jezus'
liefde voor ieder van ons. -Eerherstellende liefde.
49.1 De
gedachten van zijn hart gelden alle geslachten: Hij zal hen redden van de dood,
Hij zal hun voedsel geven, als zij honger hebben1, zo lezen we aan
het begin van de heilige mis.
Het hoogfeest dat wij vandaag vieren, heeft een
tweevoudig karakter: van dankzegging voor de wonderen van Gods liefde voor ons,
en van eerherstel, aangezien deze liefde dikwijls slecht of weinig wordt
beantwoord2, ook door ons die zoveel redenen tot
beminnen en danken hebben. Altijd is de
overweging van Jezus' liefde voor alle mensen een fundament van de
christelijke vroomheid geweest; de
eredienst van het Heilig Hart van Jezus «ontspringt dan ook uit de
bronnen zelf van het katholieke dogma.»3 Deze
eredienst kreeg een bijzondere impuls door de devotie en vroomheid van talrijke
heiligen, aan wie de Heer de geheimen van zijn allerbeminnelijkste Hart toonde;
Hij spoorde hen aan de devotie tot het Heilige Hart te verbreiden en de geest
van eerherstel te bevorderen.
Op de vrijdag in
het octaaf van Sacramentsdag vroeg de Heer aan de heilige
Margaretha-Maria Alacoque de liefde tot veelvuldig communiceren te bevorderen...,
vooral op elke eerste vrijdag van de maand, met de intentie van eerherstel, en Hij beloofde haar elke nacht van
die donderdag op vrijdag deelgenoot te maken van zijn smart in de Hof
van Olijven. Een jaar later verscheen haar Onze Lieve Heer, onthulde haar zijn
allerheiligst Hart en richtte tot haar deze woorden, die de vroomheid van vele
zielen heeft gevoed: «Bezie dit Hart dat zozeer de mensen heeft bemind en dat
niets heeft nagelaten, tot het zich uitputten en verteerd worden, om hun zijn
liefde te tonen; en als dank ontvang ik voor het grootste deel slechts
ondankbaarheid door hun gebrek aan eerbied en heiligschennis, door de kilte en
minachting die zij jegens Mij aan de dag leggen in dit Sacrament van liefde.
Maar hetgeen Mij nog het meest bedroeft is, dat zij die Mij zo behandelen
harten zijn van hen die Mij zijn toegewijd. Daarom vraag Ik u, dat de eerste
vrijdag na het octaaf van het allerheiligst Sacrament toegewijd wordt aan een
afzonderlijk feest ter ere van mijn Hart, door op die dag te communie te gaan
en eerherstel te brengen door een of andere daad van genoegdoening...»
Op vele plaatsen in de Kerk bestaat de
privé-gewoonte om op de eerste vrijdag van de maand eerherstel te brengen door
een eucharistische handeling of het bidden van de litanieën van het Heilig
Hart. Bovendien «is de maand juni op bijzondere wijze toegewijd aan de verering
van het goddelijk Hart. Niet slechts één dag -het liturgische feest dat
gewoonlijk in juni valt-, maar alle dagen.»4
Het Hart van Jezus is bron en uitdrukking van
zijn oneindige liefde voor ieder mens, in welke gesteldheid deze zich ook
bevindt. Hij zoekt ieder van ons: Ik
zelf -zo zegt een schitterende Messiaanse tekst van de profeet
Ezechiël- zal omzien naar mijn
schapen en ervoor zorgen. Zoals een herder omziet naar zijn schapen, als die
verstrooid zijn geraakt, zo zal ook Ik naar mijn schapen omzien en ze veilig
terugbrengen van alle plaatsen waar ze verstrooid zijn geraakt op de dag van
wolken en dichte duisternis.5
Iedereen is een schepsel dat de Vader aan zijn Zoon heeft toevertrouwd, opdat
het niet verloren zou gaan, ook al is het ver afgedwaald.
Jezus, waarlijk
God en Mens, bemint de wereld met een «mensenhart»6, een hart dat tot bedding dient van Gods oneindige
liefde. Niemand heeft ons méér liefgehad dan Jezus, niemand zal ons méér
liefhebben. Hij heeft mij
liefgehad -zei de heilige Paulus- en heeft zichzelf overgeleverd voor mij7, en ieder van ons mag hem dit nazeggen. Zijn hart is
vervuld van de liefde van de Vader: vervuld op goddelijke en tegelijkertijd
menselijke wijze.
49.2 Het Hart van Jezus had als geen ander lief, onderging vreugde en droefheid, medelijden en smart. De evangelisten merken
herhaaldelijk op: Hij
had medelijden met zijn volk 8, Hij voelde medelijden met hen, want zij waren als
schapen zonder herder.9
Het kleine succes van de apostelen op hun eerste evangelisatietocht vervulde
Hem van vreugde, zoals wij blij zijn als wij
een goed bericht ontvangen: Hij jubelde het uit, zegt de
heilige Lukas10; en Hij weent, toen een vriend Hem door de dood werd ontrukt.11
Hij verhulde evenmin zijn teleurstelling: Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten
doodt [...]. Hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen verzamelen...12 Hoe vaak overziet Jezus
niet de geschiedenis van het Oude Testament en van de gehele mensheid: een deel van het joodse volk
en van de heidenen aller tijden zal de goddelijke liefde en goedertierenheid
verwerpen. Op enigerlei wijze mogen we zeggen, dat hier God weent met menselijke ogen vanwege de smart in zijn
mensenhart. En dit is de werkelijke betekenis van de devotie tot het Heilig
Hart: de goddelijke natuur voor ons vertalen
in mensentermen. Jezus staat niet onverschillig -en Hij is dat ook nu
niet in onze dagelijkse omgang met Hem- tegenover het feit, dat enkele
melaatsen niet terugkeerden om Hem te danken
nadat zij genezen waren, of tegenover
de fijngevoeligheid en het betoon van gastvrijheid die men jegens een
genodigde betracht, zoals Hij tot Simon de farizeeër zal zeggen. In vele
gevallen onderging Hij de onmetelijke vreugde te zien, dat iemand spijt had van
zijn zonden en Hem volgde, of de edelmoedigheid van hen die alles achterlieten
om met Hem mee te gaan, en Hij raakte besmet met de vreugde van de blinden die
begonnen te zien, misschien wel voor de eerste keer.
Reeds voor de viering van het Laatste
Avondmaal, bedenkend dat Hij voor altijd bij ons zou blijven door de instelling
van de eucharistie, bekende Hij zijn vrienden: Vurig heb Ik verlangd, eer Ik ga lijden, dit paasmaal met u
te eten13; een ontroering die nog
veel dieper moet zijn geweest, toen Hij het brood nam, daarover het dankgebed uitsprak, het brak en aan zijn
leerlingen gaf met de woorden: Dit is mijn Lichaam...14 En wie zou de gevoelens van zijn
allerbeminnelijkste hart kunnen verklaren, toen Hij op Calvarië ons zijn Moeder
tot onze Moeder gaf?
Toen Hij zijn leven reeds aan de Vader had
overgegeven, doorstak een van de
soldaten zijn zijde met een lans; terstond kwam er bloed en water uit.15 Deze open wonde herinnert ons vandaag aan de
oneindige liefde die Jezus voor ons koestert, want Hij gaf voor ons vrijwillig
zelfs de laatste druppel van zijn kostbaar bloed, alsof wij de enigen ter
wereld waren. Zouden wij dan niet vertrouwensvol tot Christus naderen? Welke
ellende zou onze liefde kunnen hinderen, als wij zo grootmoedig zijn om
vergeving te vragen?
49.3 Na zijn hemelvaart in zijn verheerlijkt Lichaam, blijft Hij ons
beminnen en ons oproepen om altijd zeer dicht bij zijn allerbeminnelijkste Hart
te leven. «Zelfs in de heerlijkheid van de hemel draagt Hij in de wonden van
zijn handen, van zijn voeten en zijn zijde de stralende trofeeën van zijn
drievoudige overwinning: op de duivel, op de zonde en op de dood; Hij draagt
bovendien, in zijn Hart, als in een zeer 'kostbare kluis', die onmetelijke
schatten van zijn verdiensten, de vruchten van zijn drievoudige zege, die Hij
thans met gulle hand uitdeelt aan het reeds verloste menselijk geslacht.»16
Vandaag, op dit hoogfeest, aanbidden wij het
allerheiligst Hart van Jezus «als deelname en natuurlijk symbool, het meest
expressieve van die onuitputtelijke liefde die onze goddelijke Verlosser ook nu
nog jegens het menselijk geslacht koestert. Het is niet meer onderworpen aan de
verstoringen van dit sterfelijke leven; niettemin leeft het, klopt het en is
het op onlosmakelijke wijze verbonden met de Persoon van het goddelijk Woord,
en in Hem en door Hem met zijn goddelijke wil. En omdat het Hart van Christus
overloopt van goddelijke en menselijke liefde, en omdat het vervuld is van de
schatten van de genade die onze Verlosser heeft verworven door de verdiensten van
zijn leven, lijden en sterven, is het ongetwijfeld de eeuwige bron van die
liefde die zijn Geest aan alle leden van zijn mystiek Lichaam verleent.»17
De overweging, vandaag, van Christus' liefde
voor ons zal ons aansporen tot oprechte dankzegging
voor zo'n grote gave, voor zoveel
onverdiende goedertierenheid. En als we aanschouwen hoe velen God de rug toegekeerd hebben, als we
vaststellen dat wij vaak niet volkomen trouw zijn, dat onze persoonlijk
zwakheid groot is, dan zullen wij naar zijn allerbeminnelijkste Hart gaan, en
daar zullen we de vrede vinden. Dikwijls zullen we onze toevlucht moeten nemen
tot zijn erbarmingsvolle liefde, als we die vrede zoeken die de vrucht is van
de Heilige Geest: Cor Iesu
sacratissimum et misericors, dona nobis pacem, allerheiligst en
goedertieren Hart van Jezus, geef ons de vrede.
En als wij zien hoe Jezus ons nabij is in onze
onrust, onze moeilijkheden, onze idealen,
dan zeggen wij tot Hem: «Dank U, Jezus, omdat U volmaakt mens hebt
willen worden, met een Hart dat bemint en
allerbeminnelijkst is, dat liefheeft tot de dood toe en dat lijdt; dat
wordt vervuld van vreugde en verdriet; dat enthousiast wordt over de wegen van
de mensen en ons de weg laat zien die naar de hemel voert; dat zich heldhaftig
aan de plicht onderwerpt en zich door barmhartigheid laat leiden; dat waakt
over arm en rijk; dat zorgt voor zondaars en rechtvaardigen... -Dank U, mijn
Jezus, en geef ons een hart dat gevormd is naar het Uwe!»18
Heel dicht bij Jezus treffen wij steeds zijn
Moeder aan. Tot haar richten wij ons aan het einde van ons gebed en wij bidden
haar, dat zij de weg die naar haar Zoon leidt, stevig en veilig maakt.
-1. Introitus,
Ps 32,11.19. -2. Vgl. A.G. Martimort, La Iglesia
en oración, bl. 997. -3. Pius xii, Enc. Haurietis aquas, 15-V-1956, 27.
-4. Johannes
Paulus ii, Engel des Heren, 27-VI-1982. -5. Eerste lezing (Cyclus C) Ez 34,11-16. -6. Vaticanum ii, Const. Gaudium et spes, 22. -7. Gal
2,20. -8. Mc 8,2.
-9. Mc 6,34. -10. Lc 10,21. -11. Vgl. Joh 11,35. -12. Mt 23,37. -13. Lc 22,15. -14. Vgl. Lc 22,19-20. -15. Joh 19,34. -16. Pius xii, loc. cit, 22. -17. Ibidem, 24. -18. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 813.