30 november. Feest
41. HEILIGE ANDREAS, APOSTEL
De heilige apostel Andreas was afkomstig uit Betsaïda.
Hij was visser, net zoals zijn broer Simon. Aanvankelijk was hij een leerling
van Johannes de Doper, en daarna een van de eersten die Jezus leerden kennen.
Hij bracht Petrus in contact met de Meester. Bij de broodvermenigvuldiging is
Andreas degene die tegen Jezus zei, dat er een jongen was met enkele broden en
vissen. Volgens de traditie predikte hij het evangelie in Griekenland en stierf
hij de kruisdood in Achaea aan een X-vormig kruis.
-De eerste ontmoeting met Jezus. -Apostolaat van de
vriendschap. - De definitieve roeping. Onthechting en bereidheid om de Heer te
volgen.
41.1 Daarop
gingen zij mee en zagen waar Hij zich ophield. Die dag bleven zij bij Hem. Het
was ongeveer het tiende uur.1
Zoals het evangelie ons verhaalt, waren Andreas en Johannes
de eerste apostelen die Jezus riep. De Meester is zijn openbaar leven begonnen
en aanstonds, de volgende dag, begint Hij degenen te roepen die Hem het meest
nabij zullen zijn. Johannes stond daar weer, nu met twee
van zijn leerlingen. Hij richtte het oog op Jezus die voorbijging en sprak:
'Zie, het Lam Gods.' De twee leerlingen hoorden hem dat zeggen en gingen Jezus
achterna. Jezus keerde zich om en toen Hij zag dat zij Hem volgden, vroeg Hij
hun: 'Wat verlangt gij?' Ze zeiden tot Hem: 'Rabbi' -vertaald betekent dit:
'Meester'-, waar houdt Gij U op? Hij zei hun: 'Gaat mee om het te zien'.2 Dit was in feite een vriendelijke uitnodiging om Hem
te vergezellen. Gedurende die dag zal Jezus met hen over talloze dingen
gesproken hebben, met goddelijke wijsheid en menselijke welgevalligheid, en zij
bleven voor altijd met zijn persoon verbonden. Andreas, de broer van Simon
Petrus, was een van die twee die het gezegde van Johannes hadden gehoord en
Jezus achterna waren gegaan. Vele jaren later heeft Johannes in zijn evangelie
het uur van de ontmoeting kunnen opschrijven: Het was
ongeveer het tiende uur. Hij is nooit het ogenblik vergeten, waarop
Jezus tot hen zei: Wat verlangt gij? Ook Andreas zal
zich altijd die definitieve dag zijn blijven herinneren.
Men vergeet de beslissende ontmoeting met Jezus nooit ofte
nimmer. Het aanvaarden van de roeping van de Heer, het opgenomen worden in de
kring van zijn meest nabije vrienden is de grootste genade die men in deze
wereld kan ontvangen. Het vertegenwoordigt die gelukzalige, onvergetelijke dag,
waarin wij worden overweldigd door de heldere uitnodiging van de Meester, die
onverdiende gave, des te waardevoller naarmate zij komt van God, die zin geeft
aan het leven en de toekomst verlicht. Soms is Gods roepstem als een zachte,
stille uitnodiging; in andere gevallen, zoals bij sint Paulus, fel als een
bliksemschicht die de duisternis splijt; er zijn ook roepingen waarbij de
Meester eenvoudig de hand op onze schouder legt en zegt: 'Jij bent van Mij!
Volg Mij!' Vervuld van vreugde gaat de mens dan alles wat hij bezit te gelde
maken en koopt hij die akker3, want daarin ligt
zijn schat verborgen. Hij heeft tussen de vele levensgaven, als een koopman die
op zoek is naar mooie parels4, de parel van de
grootste waarde ontdekt.5
Gaat mee om het te zien. In de
persoonlijke omgang met de Heer leerden Andreas en Johannes, door eigen
ervaring, datgene kennen wat zij met woorden alleen nooit volledig zouden
hebben begrepen.6 Het is in het persoonlijk
gebed, in de vertrouwvolle omgang met Christus, dat wij zijn veelvuldige
uitnodigingen en oproep om Hem meer van nabij te volgen leren kennen. Nu wij
met Hem in gesprek zijn, zouden wij ons kunnen afvragen of wij onze oren
gericht hebben op zijn onmiskenbare stem, of wij tot in het diepste antwoorden
op wat Hij van ons vraagt. Want Christus komt vlak bij ons voorbij en roept
ons. Hij blijft in de wereld tegenwoordig, even werkelijk als twintig eeuwen
geleden, en Hij zoekt medewerkers om Hem te helpen zielen te redden. Het is de
moeite waard 'ja' te zeggen op deze goddelijke onderneming.
41.2 Andreas
zei tot zijn broer Simon: Wij hebben de Messias -vertaald betekent dit: de
Gezalfde- gevonden, en hij bracht hem bij Jezus.7
De ontmoeting met Jezus had Andreas' ziel met geluk en
blijdschap vervuld; een nieuwe vreugde die hij aanstonds moest doorgeven. Het
lijkt alsof hij zoveel geluk niet voor zich kon houden. De eerste die hij
ontmoette, was zijn broer Petrus. De heilige Johannes Chrysostomus tekent aan,
dat hij, na bij Jezus te zijn geweest en heel die dag met Hem omgegaan te zijn,
«deze schat niet voor zichzelf bewaarde, maar zich naar zijn broer haastte om
hem deelgenoot van zijn geluk te maken.»8
Andreas zal Petrus geestdriftig over zijn ontdekking hebben verteld: Wij hebben de Messias gevonden!, zegt hij tot hem, met
volle overtuigingskracht, want hij bereikt dat Petrus, die wellicht vermoeid
was na een werkdag, naar de Meester gaat, die reeds op hem stond te wachten: En hij bracht hem bij Jezus. Dít is onze opdracht: onze
verwanten, vrienden en kennissen bij Jezus brengen, door tot hen te spreken met
die overtuigingskracht die kan overreden. Deze verkondiging is eigen aan de
ziel die «vervuld raakt van vreugde bij het verschijnen van de Heer en die zich
haast om de anderen zo iets groots mede te delen. Dat is het bewijs van de ware
en oprechte broederliefde: de wederzijdse uitwisseling van geestelijke goederen.»9 Inderdaad, wie Christus ontmoet, ontmoet Hem voor
allen, in de eerste plaats voor hen die het meest nabij zijn: verwanten,
vrienden, collega's...
Wij gaan vertrouwelijk -misschien al wel vele jaren lang!-
met Christus om, die dicht bij ons leven voorbijging; «zoals Andreas hebben ook
wij, door Gods genade, de Messias ontdekt en de betekenis van de hoop die we
aan ons volk moeten overbrengen.»10 De Heer
bedient zich vaak van banden van bloedverwantschap, van vriendschap... om
anderen op te roepen Hem te volgen. Deze banden kunnen de deur van het hart van
onze familieleden en vrienden openen voor Jezus, die soms niet kon binnentreden
vanwege vooroordelen, vrees, onwetendheid, geestelijke terughoudendheid of
luiheid. Wanneer er ware vriendschap bestaat, zijn er geen grote inspanningen
nodig om over Christus te spreken: de ontboezeming komt als iets normaals naar
boven. Onder vrienden is het toch gemakkelijk om gezichtspunten uit te wisselen,
vondsten mee te delen... Het zou dan wel weinig natuurlijk zijn, als wij niet
zouden spreken over Christus, die het voornaamste is dat wij ontdekt hebben en
de motor van ons handelen!
Vriendschap kan, met Gods genade, tegelijkertijd de natuurlijke
en goddelijke bedding zijn voor een diepgaand, zeer nabij apostolaat, van de
een tot de ander. Velen zullen door onze woorden, vervuld van hoop en vreugde,
ontdekken hoezeer Jezus nabij is, zoals Petrus Hem ontmoet heeft, zoals wij Hem
misschien eerder ontmoet hebben. «Op zekere dag -ik wil niet in algemene termen
spreken: open uw hart voor de Heer en vertel Hem over uw leven- heeft misschien
een vriend, een gewoon christen zoals u, u een heel nieuw perspectief doen
ontdekken, nieuw en toch oud zoals het evangelie. Hij heeft u doen inzien dat u
zich volledig kon inzetten om Christus na te volgen en apostel van apostelen te
worden. Van dat ogenblik af hebt u misschien de rust verloren. U hebt die pas
teruggevonden, en nu als intense vrede, toen u 'ja' gezegd hebt tot God, in
volle vrijheid, omdat u het wilde -wat het meest bovennatuurlijke motief is-.
Toen is de vreugde gekomen, de sterke, blijvende, die slechts kan verdwijnen
als u zich van Hem verwijdert.»11 Die vreugde,
die wij slechts hebben ontmoet toen wij de stappen van de Meester volgden, en
waarin wij velen willen laten delen.
41.3 Een tijdje later, toen Hij
zich bij het Meer van Galilea ophield, zag Hij twee broers, Simon die Petrus
wordt genoemd en diens broer Andreas, bezig het net uit te werpen in het meer.
Zij waren namelijk vissers. En Hij sprak tot hen: Komt, volgt Mij; Ik zal u
vissers van mensen maken. Terstond lieten zij hun netten in de steek en volgden
Hem.12 Dit is de definitieve oproep, de bekroning
van die eerste ontmoeting met de Meester. Zoals de overige apostelen antwoordde
Andreas terstond, meteen. In zijn toelichting op deze definitieve oproep van
Jezus en de onthechting van alles wat zij bezaten waarmee die vissers
antwoordden, leert de heilige Gregorius de Grote dat het Rijk der Hemelen
«alles waard is wat je bezit.»13 Tegenover Jezus
die voorbijgaat kunnen wij niets voor onszelf houden. Petrus en Andreas hebben
veel in de steek gelaten «want zij hebben beiden het verlangen naar bezit opgegeven.»14 De Heer heeft zuivere, onthechte harten nodig. En
iedere christen die Christus navolgt, zal deze geest van overgave moeten
beleven overeenkomstig zijn eigen roeping. Er mag niets in ons leven zijn dat
niet van God is. Wat zouden wij voor onszelf behouden, wanneer de Meester zo
nabij is, wanneer we Hem iedere dag zien en met Hem omgaan?
Deze onthechting zal ons in staat stellen Jezus te
vergezellen, die zijn weg met rasse schreden vervolgt, zozeer dat wij Hem onmogelijk
zouden kunnen volgen, wanneer we al te veel bepakking bij ons hebben. Gods stap
kan vlot zijn, en het zou droevig zijn wanneer we achter zouden blijven alleen
omwille van enkele dingen die de moeite niet waard zijn. Op een of andere wijze
komt Hij altijd dicht bij ons voorbij en roept Hij ons. Soms doet Hij dat in
onze jonge jaren, andere keren op rijpere leeftijd, en soms ook wanneer het
moment waarop wij tot Hem zullen komen, niet ver meer is, zoals we leren in die
parabel van de arbeiders die op verschillende uren van de dag werden ingehuurd.15 Wij zullen in ieder geval op die oproep moeten
antwoorden met de huiverende vreugde die de evangelisten ons hebben nagelaten,
wanneer zij zijn oproep in herinnering brengen. Het is dezelfde Jezus die nu
voorbijgaat, die ons heeft uitgenodigd Hem na te volgen.
Volgens de traditie is de heilige Andreas gestorven, terwijl
hij het kruis loofde, want dit deed hem definitief tot zijn Meester naderen: «O
schoon kruis, dat geadeld zijt door de ledematen van Christus, lang begeerd,
hartstochtelijk bemind, onophoudelijk gezocht, eindelijk gereed gemaakt voor
mijn verlangend hart [...], geef mij terug aan mijn Meester; dan kan Hij door u
mij ontvangen, die mij door u heeft verlost.»16
De grootste offers zullen ons niet deren, als wij zien dat Jezus zich
daarachter bevindt.
-1. Joh 1,39. -2. Joh 1,35-39. -3. Vgl. Mt 13,44.
-4. Mt 13,45. -5. J.L.R. Sánchez
de Alva, El Evangelio de San Juan,
Palabra, 3e ed., Madrid 1987, commentaar bij Joh 1,35-51. -6. H. Thomas van
Aquino, Commentaar op het Johannesevangelie,
in loc. -7. Communio. Joh 1,41-42. -8. H. Johannes Chrysostomus, Homilieën
over het Johannesevangelie, 19,1. -9. Ibidem.
-10. Johannes Paulus ii, Homilie 30-XI-1982. -11. H.
Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 1. -12. Mt
4,18-20. -13. H. Gregorius de Grote, Homilieën over de Evangelies, I,5,2. -14. Ibidem. -15. Vgl. Mt 20,1 e.v.
-16. Marteldood van de heilige Andreas.