28 augustus. Gedachtenis
21. HEILIGE AUGUSTINUS
De heilige Augustinus werd geboren in Tagaste (Afrika) in
het jaar 354. Na een wisselvallige jeugd bekeerde hij zich op 33-jarige
leeftijd te Milaan, waar hij werd gedoopt door de bisschop, de heilige Ambrosius.
Teruggekeerd in zijn vaderland en verkozen tot bisschop van Hippo, ontplooide
hij een geweldige activiteit door zijn prediking en leerstellige geschriften
ter verdediging van het geloof. Gedurende de 34 jaar waarin hij aan het hoofd
van zijn kudde stond, was hij een toonbeeld van dienstbaarheid jegens allen en
vervulde hij een voortdurend godsdienstonderricht door woord en geschrift. Hij
is een van de grote kerkleraren. Hij overleed in het jaar 430.
-Het leven, een voortdurende bekering. -Beginnen en weer
opnieuw beginnen. -Inschatting van het geringe dat ons van de Heer scheidt. De
heilige Maagd en de bekering.
21.1 De heilige Augustinus was op
christelijke wijze opgevoed door zijn moeder, de heilige Monica. Ten gevolge
van deze moederlijke zorg bewaarde hij altijd, ook al waren er jaren waarin hij
ver afstond van de ware leer, de herinnering aan Christus, wiens naam -zoals
hij zegt- «hij met de moedermelk had ingedronken.»1
Wanneer hij na jaren tot het katholieke geloof terugkeert, zal hij bevestigen
dat hij terugkeerde «tot de godsdienst die me van kindsbeen af was ingegoten en
tot het merg van mijn wezen doorgedrongen.»2
Deze eerste opvoeding is in ontelbare gevallen het hechte fundament geweest van
het geloof, waartoe velen zijn teruggekeerd na een leven dat wellicht zeer ver
van de Heer verwijderd was.
De liefde voor de waarheid die altijd in Augustinus' ziel aanwezig
was en met name het lezen van enkele werken der klassieken3, behoedde hem er niet voor, dat hij in ernstige
dwalingen verviel en een leven leidde dat in moreel opzicht ver van God stond.
Zijn dwalingen bestonden voornamelijk «in het verkeerd leggen van de
betrekkingen tussen rede en geloof, alsof men noodzakelijkerwijs tussen een van
deze twee zou moeten kiezen; in het vermeende contrast tussen Christus en de
Kerk, met de daaruit voortvloeiende overtuiging dat men de Kerk moest verlaten
als men Christus volledig wilde aanhangen; en in het verlangen zich bevrijd te
weten van het zondebesef, niet door de vergeving daarvan door toedoen van de
genade, maar door het ontkennen van de menselijke verantwoordelijkheid voor de
zonde zelf.»4
Nadat hij jarenlang de waarheid had gezocht zonder deze te
vinden, kwam hij met de hulp van de genade die zijn moeder voortdurend
afsmeekte, tot de overtuiging dat hij alleen in de katholieke Kerk de waarheid
en de rust voor zijn ziel zou vinden. Hij kwam tot het inzicht, dat geloof en
rede bestemd zijn tot wederzijdse ondersteuning om de mens tot de kennis van de
waarheid te brengen5, en dat elk van beide zijn
eigen terrein heeft. Hij kwam tot de overtuiging, dat het geloof, wil het hecht
zijn, het goddelijk gezag van Christus vereist, dat men in de heilige Schriften
aantreft, gewaarborgd door de Kerk.
Ook wij ontvangen veel licht voor het verstand om helder te
zien, om de geopenbaarde leer diepgaand te kennen, en overvloedige hulp in het
verlangen om in onze ziel een toestand van voortdurende bekering te bewaren, om
elke dag een beetje dichter bij de Heer te zijn, want «voor een kind van God
moet iedere dag een aanleiding zijn om zich te vernieuwen, met de zekerheid dat
hij, met de hulp van de genade, het einde van de weg, die de Liefde is, zal bereiken.
»Daarom ben je op de goede weg, als je begint en weer opnieuw
begint. Als je een overwinningsgeest bezit, als je vecht, zul je met Gods hulp
winnen! Er is geen moeilijkheid die je niet kunt overwinnen!»7 De Heer weigert nooit zijn hulp. En als we zo ongelukkig
zouden zijn, dat we in ernstige mate van Hem verwijderd raken, dan zal Hij elk
moment op ons wachten, zoals de vader van de verloren zoon, zoals Hij zovele
jaren heeft gewacht op de terugkeer van de heilige Augustinus.
21.2 Ofschoon Augustinus duidelijk
zag waar de waarheid lag, was zijn weg nog niet ten einde. Hij zocht naar
verontschuldigingen om die definitieve stap nog niet te zetten; een stap die
voor hem bovendien een radicale overgave aan God inhield, met afzien, uit
voorliefde voor Christus, van de menselijke liefde.8
«Niet dat het hem verboden zou zijn te trouwen -dat wist de heilige Augustinus
heel goed- maar wat hij niet wilde, was alleen op deze manier christen zijn:
afzien van het gekoesterde gezinsideaal en zich met heel zijn ziel wijden aan
de liefde en het bezit van de Wijsheid [...]. Vol schaamte vroeg hij zichzelf
af: 'Wat die jongens, wat die meisjes kunnen, zou jij dat niet kunnen?' (Belijdenissen,
8,11,27). Hieruit ontstond een innerlijk drama, diep en doordringend, dat door
de goddelijke genade tot een gunstige ontknoping werd gebracht.»9 Hij zette die definitieve stap in de zomer van het
jaar 386, en negen maanden later, in de nacht van 24 op 25 april van het daarop
volgende jaar vond hij voor altijd Christus, toen hij het doopsel ontving uit
handen van de heilige Ambrosius. De heilige verhaalt aldus van zijn kalme, maar
radicale beslissing die zijn leven volledig zou veranderen: «Toen gingen we
(hij, zijn vriend Alypius en diens zoon Adeodatus) naar binnen, naar mijn
moeder. Wij deelden het haar mee. Zij was verheugd. Wij vertelden hoe het in
zijn werk was gegaan: zij was opgetogen en triomfantelijk. Ze zegende U, die
machtig zijt om meer te doen dan wij vragen of begrijpen. Zoveel meer immers
zag zij zich door U verleend ten opzichte van mij dan ze in haar klagende en
schreiende verzuchtingen steeds weer van U gevraagd had. Gij hadt mij namelijk
op dusdanige wijze tot U bekeerd, dat ik naar geen vrouw meer zocht en geen
enkele verwachting meer van deze wereld koesterde.»10
Christus vervulde zijn hart volledig.
De heilige Augustinus is die gedenkwaardige nacht nooit vergeten.
«Wij ontvingen het doopsel -herinnert hij zich vele jaren later- en de onrust
van het voorbije leven verdween uit ons. In die dagen kreeg ik er niet genoeg
van om met wonderlijke zachtheid uw diepe plannen ten aanzien van de verlossing
van het menselijk geslacht te overwegen». En hij voegt eraan toe: «Hoeveel
tranen heb ik niet vergoten toen ik de klanken van uw hymnen en gezangen
hoorde, die zo zoet in uw Kerk weerklonken.»11
Het leven van de christen -ons leven- gaat vergezeld van
veelvuldige bekeringen. Vaak hebben we de rol moeten vervullen van de verloren zoon en zijn we moeten terugkeren naar het huis
van de Vader, die altijd op ons wacht. Alle heiligen weten van deze innerlijke
en diepgaande veranderingen, waardoor zij op een nieuwe, meer oprechte en
nederige wijze tot God zijn genaderd. Om tot de Heer terug te keren is het
nodig, dat wij onze zwakheden en zonden niet verontschuldigen, dat we geen
schikkingen treffen met hetgeen niet volgens Gods wil geschiedt. Hoe zou de
heilige Augustinus zich zijn bekering herinneren, toen hij jaren later, reeds
als bisschop, tot zijn gelovigen predikte: «'Welnu, ik erken mijn schuld, ik
houd mijn zonde voor ogen'. Wie zo bidt, let niet op de zonden van anderen,
maar onderzoekt zichzelf, niet opppervlakkig als iemand die tast, maar door
diep in zijn binnenste door te dringen. Hij vergeeft zichzelf niet, en juist
daarom kan hij het wagen vergiffenis te vragen.»12
Als wij vertrouwen op de goddelijke barmhartigheid, dan mag
het ons niets uitmaken dat we steeds weer moeten beginnen. «Je zegt mij,
berouwvol: 'wat zie ik toch een hoop ellende binnen in mij! Zo voel ik mij, zo
groot is mijn onbeholpenheid en zo zwaar de bagage van mijn begeerten, alsof ik
nooit iets heb gedaan om tot God te naderen. Beginnen, beginnen, o Heer, altijd
nog maar aan het begin staan! Toch zal ik met heel mijn ziel proberen iedere
dag vooruit te komen'. -Moge Hij die ijver van jou zegenen.»13
21.3 «Zoekt
God, en uw ziel zal leven. Laten we Hem tegemoet gaan om Hem te
bereiken, en laten we Hem zoeken, nadat we Hem gevonden hebben. Opdat wij Hem
zoeken verbergt Hij zich, en opdat wij blijven zoeken, ook na Hem gevonden te
hebben, daarom is Hij onmetelijk. Hij vervult de verlangens overeenkomstig de
mogelijkheden van hem die zoekt.»14
Dàt was het leven van de heilige Augustinus: een voortdurend
zoeken van God; en zó moet ook ons leven zijn. Hoe meer wij Hem ontmoeten en
bezitten, des te groter zal ons vermogen zijn om in zijn liefde te blijven
groeien.
Bekering brengt altijd met zich mee, dat we afzien van de zonde
en een levensstaat die onverenigbaar is met het onderricht van Christus en zijn
Kerk, en dat we oprecht terugkeren tot God. Wij moeten veelvuldig tot onze
moeder de heilige Maria bidden, dat zij ons de genade verleent ook aandacht te
schenken aan het schijnbaar kleine, dat ons niettemin van de Heer scheidt om
het te verwijderen en ver van ons af te werpen. Deze weg van bekering heeft
altijd het geloof tot uitgangspunt: de christen beschouwt Gods oneindige
barmhartigheid, bewogen door de genade, en erkent zijn schuld of zijn gebrek
aan beantwoording van hetgeen God van hem verwachtte. En tegelijkertijd
ontstaan er in de ziel een krachtiger hoop en een vastere liefde.
Aan het einde van ons gebed van vandaag mogen we niet vergeten,
dat «wij door Maria altijd naar Jezus gáán en ook weer naar Hem terugkeren.»15 Richt je tot haar, «vraag haar het geschenk -bewijs
van haar genegenheid voor jou- van het berouw, van de wroeging om je zonden, om
de zonden van alle mannen en vrouwen van alle tijden, met de smart van de
Liefde.
»En zet door met deze bereidwillige houding en durf eraan toe
te voegen: Moeder, mijn Leven, mijn Hoop, neem mij bij de hand... en als er nu
iets in mij mijn Vader God niet welgevallig is, verleen mij dan, dat ik het
zie, zodat wij het, wij samen, uit kunnen rukken.
»Ga onbevreesd verder: O goedertieren, o liefdevolle, o zoete
Maagd Maria; bid voor mij, heilige Moeder van God, opdat ik, na de
allerbeminnelijkste Wil van uw Zoon vervuld te hebben, de belofte van Christus
waardig worde.»16 Laten we niet vergeten dat ook
God in alle rust op ons wacht. Hij roept ons tot een leven van geloof en
grotere overgave. Laten we onze komst niet vertragen.
-1. H. Augustinus, Belijdenissen, 3,4,8. -2. Idem, Tractaat tegen de Academici, 2,2,5. -3. Idem, Belijdenissen,
3,4,7. -4. Johannes Paulus ii, Apost. brief Augustinum hipponensem, 28-VIII-1986. -5. H. Augustinus, Tractaat tegen de
Academici, 3,20,43. -6. Idem, Belijdenissen, 6,5,7; 7,7,11. -7. Josemaría Escrivá, De Smidse, 344.
-8. Vgl. H. Augustinus, Belijdenissen,
6,15,25. -9. Johannes Paulus ii, loc. cit. -10. H. Augustinus,
Belijdenissen, 8,12,30. -11. Ibidem,
8,9,14. -12. Idem, Preek 19.
-13. Josemaría Escrivá, De
Smidse, 378. -14. H. Augustinus, Tractaat over het evangelie van Johannes, 61,1. -15. Josemaría Escrivá, De Weg,
495. -16. Idem, De Smidse, 161.