24 augustus. Feest
19. HEILIGE BARTOLOMEÜS, APOSTEL
Bartolomeüs -of Natanaël, zoals het heilige Evangelie hem
soms noemt- was een van de Twaalf. Hij was afkomstig uit Kana in Galilea en
vriend van de apostel Filippus, die hem bij Jezus bracht in de streek van de
Jordaan. Jezus prees hem hoog met deze woorden: 'Dit is waarlijk een Israëliet
in wie geen bedrog is'. Volgens de traditie predikte hij het geloof in Arabië
en Armenië, waar hij als martelaar is gestorven.
-De ontmoeting met Jezus. -De lofprijzing door de Heer. De
deugd van oprechtheid. -Oprechtheid jegens God, in de geestelijke leiding, in
het samenleven met de anderen. De deugd van eenvoud.
19.1 De apostel Bartolomeüs wordt
door de traditie vereenzelvigd met Natanaël, de vriend van Filippus. Hij werd
door deze, vol blijdschap, op de hoogte gebracht van diens ontmoeting met
Jezus, en wel met de volgende woorden: Degene over wie
Mozes in de Wet geschreven heeft en ook de profeten, Hem hebben wij gevonden:
Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazaret.1
Zoals iedere goede Israëliet wist Natanaël, dat de Messias uit Betlehem, uit de
stam van David2 moest komen. Zo had immers de
profeet Micha aangekondigd: En gij, Betlehem, landstreek
van Juda, gij zijt volstrekt niet de geringste onder de leiders van Juda, want
uit u zal een leidsman te voorschijn treden, die herder zal zijn over mijn volk
Israël.3 Daarom wellicht antwoordt hij op
een enigszins minachtende toon: Uit Nazaret, kan daar iets
goeds vandaan komen? En Filippus, zonder al te veel vertrouwen in zijn
eigen verklaringen, nodigde hem uit persoonlijk tot de Meester te naderen: Kom dan kijken, zegt hij hem. Filippus wist zeer wel, net
zoals wij, dat Christus niemand bedriegt. Jezus zelf «riep Natanaël via
Filippus, zoals Hij Petrus riep door tussenkomst van diens broer Andreas. Zó
werkt de goddelijke Voorzienigheid: zij roept ons en leidt ons door middel van
anderen. God wil niet alléén werken; zijn wijsheid en goedheid verlangen, dat
ook wij deel hebben aan de schepping en orde der dingen.»4 Hoe vaak zullen ook wij geen werktuigen zijn opdat
onze vrienden en verwanten de oproep van de Heer ontvangen! Tot hoevelen hebben
wij niet, zoals Filippus, gezegd: Kom dan kijken!
Natanaël, een oprecht man, vergezelde Filippus tot bij
Jezus... en hij stond verbluft. De Meester won zijn trouw voor altijd. Toen Hij
hem samen met Filippus zag aankomen, zei Hij hem: Dat is
waarlijk een Israëliet in wie geen bedrog is! Wat een geweldige
lofprijzing! Natanaël stond verbaasd en vroeg: Hoe kent Gij
mij? En de Heer antwoordt hem met woorden die voor ons mysterieus
klinken, maar voor hem heel duidelijk en helder zullen zijn geweest: Voordat Filippus u riep, zag Ik u onder de vijgeboom zitten.
Toen hij Jezus hoorde, begreep Natanaël dat helder. De woorden
van de Heer herinnerden hem aan een innerlijk gebeuren, wellicht de beslissing
over een vast voornemen, en deden hem een gevoelvolle en uitdrukkelijke
geloofsbelijdenis in Jezus als Messias en als Zoon van God uitspreken: Rabbi, Gij zijt de Zoon Gods, Gij zijt de Koning van Israël.
En de Heer zegt tot hem en belooft hem: Omdat Ik u zei dat
Ik u onder de vijgeboom zag, gelooft ge? Gij zult grotere dingen zien dan deze.
En Jezus riep met een zekere plechtstatigheid een tekst van de profeet Daniël5 op, om de woorden die de nieuwe leerling zojuist had
uitgesproken te bevestigen en ze méér diepgang te geven: Voorwaar,
voorwaar Ik zeg u: gij zult de hemel open zien en de engelen Gods zien opstijgen
en neerdalen in dienst van de Mensenzoon.
19.2 In de woorden waarmee Jezus
Natanaël prees, ontdekt men de aantrekkingskracht die een oprecht mens in het
hart van Christus uitoefent. De Meester zegt van de nieuwe leerling, dat in hem
geen bedrog is: hij is een man zonder valsheid. Hij
heeft niet «als het ware twee harten en twee plooien in het hart, één voor de
waarheid en een ander voor de leugen.»6
Ditzelfde zal men van ieder van ons moeten kunnen zeggen, opdat we integere
mannen en vrouwen zijn, die het geloof dat we belijden als één geheel trachten
te beleven. De leugenaar, degene die dubbelhartig is, die altijd met weinig
duidelijkheid optreedt, klinkt altijd als een kapotte bel: «In het woordenboek
las je de synoniemen voor onoprecht: 'niet recht op de man af', 'achterbaks',
'geveinsd', 'sluw', 'listig'... -Je deed het boek dicht en vroeg de Heer dat
die omschrijvingen nooit op jou zouden hoeven te slaan, en je nam je eens
temeer voor om vooruit te gaan in die bovennatuurlijke èn menselijke deugd van
oprechtheid.»7
Deze deugd is fundamenteel om Christus te volgen, want Hij is
de goddelijke Waarheid8 en verafschuwt elk
bedrog. Zelfs zijn vijanden moeten Christus' liefde voor de waarheid erkennen: Meester -zo zullen ze een keer tot Hem zeggen- wij weten dat Gij oprecht zijt en de weg van God in oprechtheid
leert; en Gij stoort u aan niemand, want Gij ziet de mensen niet naar de ogen.9 En Hij leert ons, dat de uitingen van de eigen
ideeën of gedachten naar waarheid zullen geschieden: Maar
uw ja moet ja zijn en uw neen, neen; en wat daar nog bij komt, is uit den boze.10 De duivel, daarentegen, is de vader van de leugen11, want hij probeert de mensen altijd tot het
grootste bedrog te brengen, namelijk de zonde. Jezus zelf, die zich altijd vol
begrip en medelijden toont tegenover menselijke zwakheden, veroordeelt in
uiterst harde bewoordingen de huichelachtigheid van de farizeeën. Daarom kunnen
we ons ook de vreugde voorstellen die de ontmoeting met Natanaël bij Hem
teweegbracht.
De waarheid schenkt ons de waarachtige vrijheid. Deze zin uit
het evangelie legt een nauw verband tussen de waarheid en de vrijheid.12 «Jezus Christus gaat de mens van ieder tijdperk,
ook het onze, tegemoet met dezelfde woorden: Gij zult de
waarheid kennen en de waarheid zal u vrijmaken (Joh 8,32). Deze woorden
houden tegelijk een fundamentele eis en een waarschuwing in: de eis van
oprechtheid tegenover de waarheid als voorwaarde voor een authentieke
vrijheid.»13 Deze innerlijke vrijheid die ons in
staat stelt ons altijd te bewegen met de soepelheid en de vreugde die eigen
zijn aan de kinderen van God. Laten wij nooit bevreesd zijn voor de waarheid,
ook al lijkt het soms, alsof eerlijk zijn voor ons een kwaad met zich
meebrengt, dat door een leugen voorkómen zou kunnen worden. Uit de waarheid kan
alleen maar goed ontstaan. Het loont nooit om te liegen: noch om een groot
financieel voordeel te behalen dat alleen maar van een kleine leugen zou
afhangen, noch om ons een straf of moeilijk moment te besparen.
19.3 Wij moeten eerlijk en
oprecht zijn in het dagelijkse leven, in onze betrekkingen met de anderen:
zonder deze deugd wordt de samenleving moeilijk of onmogelijk.14 «Buiten de waarheid verdonkert uiteindelijk het
menselijk bestaan en verduistert het bijna ongemerkt in de dwaling en kan het
uiteindelijk zover komen, dat het zichzelf en het leven vervalst door het kwaad
te verkiezen boven het goede.»15 Met name in de
omgang met God dienen wij eerlijk en oprecht te zijn, om ons tot Hem te
richten, zonder ons te willen verbergen, met de vreugde en het vertrouwen
waarmee een goede zoon zich gedraagt tegenover zijn beste ouders. Deze deugd is
buitengewoon noodzakelijk bij de geestelijke leiding: we moeten leren het
binnenste van onze ziel open te leggen voor degenen die ons, in naam van de
Heer, helpen om onze schreden naar de hemel te richten. In de biecht is
oprechtheid zo voornaam, dat als de mens zijn schuld niet erkent, hij geen
genade kan ontvangen: het is dus niet alleen een houding tegenover een persoon,
de biechtvader, maar tegenover God zelf. De tegenovergestelde houding
-verbergen, bedrog, verzwijgen- zou net zo onvruchtbaar zijn inzake de vruchten
die we wensen te verkrijgen, als die van degene «die op bezoek gaat bij de
dokter om zich te laten genezen, die dan het verstand en het besef waarvoor hij
gekomen is verliest en de dokter zijn gezonde ledematen laat zien en de ziekte
verbergt. God -zo vervolgt Augustinus- is degene die de wonden moet verbinden,
niet jij; want als jij uit schaamte die wonden met verband wilt verbergen, dan
zal de dokter je niet kunnen genezen. Je zult moeten toestaan, dat de dokter je
geneest en de wonden verbindt, want hij bedekt ze met geneesmiddelen. Terwijl
met de verbandmiddelen van de dokter de wonden genezen, worden ze met het
verband van de zieke verborgen. En voor wie wil je ze eigenlijk verbergen? Voor
Hem die alles weet?»16 Als wij oprecht zijn,
zullen juist onze zonden aanleiding zijn om ons nog inniger met God te
verenigen.
Zeer nauw verbonden met oprechtheid is nog een andere deugd,
die wij vandaag in de heilige Bartolomeüs kunnen bewonderen: de eenvoud, die
een noodzakelijk gevolg is van een hart dat God zoekt. Tegengesteld aan deze
deugd zijn gekunsteldheid in woord en daad, het verlangen om de aandacht te
trekken, pedanterie, zelfvoldaanheid, grootspraak..., allemaal gebreken die de vereniging
met Christus, het Hem van nabij volgen, bemoeilijken, en die -soms onneembare-
barrières opwerpen om de anderen te helpen dichter tot Christus te naderen. Een
eenvoudige ziel raakt niet nutteloos van binnen verstrikt of verward: zij richt
zich rechtstreeks tot God, door alle gebeurtenissen, goede of kwade, heen, die
rondom haar plaatshebben. Samen met oprechtheid «zijn natuurlijkheid en eenvoud
twee prachtige menselijke deugden die de mens in staat stellen de boodschap van
Christus te ontvangen. En, in tegenstelling daarmee, vormt alles wat verward en
gecompliceerd is, wat om zichzelf draait en kronkelt, vaak een muur die een
beletsel is om de stem van de Heer te horen.»17
Bidden wij vandaag tot de heilige Bartolomeüs, dat hij voor
ons van de Heer deze deugden verkrijgt, die Hem zo welgevallig zijn en die zo
noodzakelijk zijn voor het gebed, de vriendschap, de harmonieuze samenleving en
het apostolaat. Laten we tot Onze Lieve Vrouw bidden, dat wij zonder dubbelhartigheid
door het leven mogen gaan, met oprechtheid en eenvoud: «Tota
pulchra es Maria, et macula originalis non est in te! -Geheel schoon
zijt gij, Maria, niet door de erfzonde bevlekt!, zingt de liturgie uitbundig.
In haar is niet de minste zweem van dubbelhartigheid: ik bid onze Moeder dan
ook dagelijks, dat wij ons hart zullen kunnen openleggen tegenover onze
geestelijke leidsman, opdat het licht van de genade op al ons handelen zal
schijnen! -Als wij haar erom bidden, zal Maria voor ons de moed tot oprechtheid
verkrijgen, zodat wij dichter bij de Heilige Drieëenheid kunnen komen.»18 De heilige Bartolomeüs zal vandaag onze voornaamste
voorspreker bij Onze Lieve Vrouw zijn.
-1. Joh 1,45. -2. Vgl. H. Johannes Chrysostomus, Homilieën
over het evangelie van Johannes, 20,1. -3. Mi
5,2. -4. O. Hophan, De
apostelen. -5. Dan 7,13. -6. H. Augustinus, Commentaar op het
evangelie van de heilige Johannes, 78 7,16. -7. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 337.
-8. Vgl. Joh 14,6. -9. Mt
22,16. -10. Mt 5,37. -11. Vgl. Joh
8,44. -12. Vgl. Spaanse Bisschoppenconferentie, Past.
instr. La verdad os hará libres, 20-XI-1990, 38.
-13. Johannes Paulus ii, Enc. Redemptor hominis, 4-III-1979, 12. -14. Vgl. H. Thomas van Aquino, De Tien
Geboden. -15. Spaanse Bisschoppenconferentie, o.c., 37. -16. H. Augustinus,
Commentaar op Psalm 31. -17. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden van God, 90.
-18. Ibidem, 339.