8 augustus. Gedachtenis
14. HEILIGE DOMINICUS
De heilige Dominicus van Guzmán werd in Caleruega rond
1170 geboren. Met zijn prediking en voorbeeldig leven bestreed hij de ketterij
der Albigenzen. Hij stichtte de Orde der Predikheren (Dominicanen) en
verbreidde de devotie van de heilige rozenkrans. Hij stierf in Bologna op 6
augustus 1221.
-Behoefte aan de gezonde leer. De hulp van de Maagd. -De
rozenkrans, een machtig wapen. -De overweging van de geheimen van de heilige rozenkrans.
14.1 In het begin van de
dertiende eeuw richtten enkele secten grote verwoestingen aan in de Kerk, met
name in het Zuiden van Frankrijk. Tijdens een reis door dat gebied in
gezelschap van zijn bisschop kon de heilige Dominicus met eigen ogen de schade
vaststellen, die deze nieuwe doctrines aanrichtten in het volk van God, dat
verstoken was van vorming zoals bij zovele andere gelegenheden. Hoeveel kwaad
heeft onwetendheid niet veroorzaakt! Tijdens zijn reis kwam de heilige tot het
inzicht hoe noodzakelijk het is de waarheden van het geloof duidelijk en
eenvoudig te onderrichten, en met grote ijver en liefde voor de mensen gaf hij
zich volledig aan deze taak over. Korte tijd later besloot hij een nieuwe
religieuze orde te stichten, die tot doel had de christelijke leer te
verbreiden en ze tegen dwalingen in heel het christelijk gebied te verdedigen.
Zo ontstond de 'Orde der Predikheren', die in de studie van de waarheid een van
haar voornaamste steunpilaren zou kennen.1
Sindsdien «komt men bij elke apostolische werkzaamheid ten dienste van de Kerk
'dominicanen' tegen, bezig om de 'waarheid' te brengen in het verstand van hun
medebroeders, de mensen [...], optredend met een eigen charisma, hetzelfde als
dat van hun stichter: de gewetens verlichten met het licht van Gods woord.»2
De opdracht om iedereen de inhoud van het geloof te onderrichten
is niet alleen in het verleden noodzakelijk geweest. In de hedendaagse
omstandigheden is deze opdracht van de hele Kerk wellicht nog dringender nodig
dan in voorbije tijden. Paus Johannes Paulus ii
heeft tegenover deze situatie van algemene onwetendheid van de
meest elementaire waarheden alarm geslagen, evenals tegenover de verbreiding
van vele dwaalleren, waarvan de gevolgen zeer spoedig onder de mensen waar te
nemen waren: gebrek aan liefde en godsvrucht jegens de heilige eucharistie; het
in vergetelheid raken van de biecht, een onmisbaar sacrament om Gods vergeving
te verkrijgen en het geweten te vormen; het onbekend zijn met het
bovennatuurlijke einddoel waartoe wij geroepen zijn...; het wegdrukken van het
geloof naar de sfeer van het privé-leven, waardoor de openbare geloofsuitingen
steeds meer verdwijnen; het huwelijk lijkt soms beroofd te zijn van zijn
innerlijke en natuurlijke betekenis en waarde; het invoeren van een wetgeving
die abortus toestaat, is de overwinning van het principe van het materiële
welzijn en egoïsme over de meest heilige waarde: die van het menselijk leven;
de afname van het geboortecijfer en de vergrijzing van de bevolking deden een
Europese verantwoordelijke spreken van een 'demografische zelfmoord' van Europa
en is als een ernstig symptoom van een diepe geestelijke verarming.3 Het is niet moeilijk in te zien hoe bij velen het
gevoel van vriendschap met God, van de zonde, van het eeuwige leven, van de
christelijke zin van het lijden verloren is gegaan... Tegelijkertijd kan men
vaststellen hoe de wereld minder menselijk wordt, naarmate zij niet meer
christelijk is. En deze 'golf van materialisme', van verlies van de zin voor
het bovennatuurlijke, raakt ook, en soms zelfs in hoge mate, diegenen die wij
iedere dag zien, die de Heer wellicht om deze of gene reden onder onze zorg
heeft gesteld.
Laten wij vandaag bij de Heer overwegen of wij in ons hart
die oproep van de paus bespeuren om de wereld die ons omringt te herkerstenen,
overeenkomstig onze kracht en door de manier waarop wij als christenen midden
in de samenleving staan. Laten we vandaag bij de Heer overdenken of wij ons
inspannen om de leer van Jezus Christus grondig te kennen, of wij aan die leer
het gedrag van ons persoonlijk, van ons gezin, in het beroepsleven, in het
maatschappelijk verkeer, het politieke leven enz. aanpassen; of wij ons
inzetten de christelijke leer te verbreiden; of wij die uiterlijke tekenen -die
men zo fel probeert uit te bannen- van godsdienstigheid en christelijke
betekenis in stand houden: het scapulier, bidden voor en na de maaltijd, de
zegening van het nieuwe huis waarin we wonen, of we een beeltenis van de Heer
of de Maagd in ons huis, op onze werkplek hebben...
14.2 De heilige Dominicus van
Guzmán, zoals trouwens zovele anderen na hem, rekende bovendien op een «machtig
wapen»4 om te overwinnen in deze veldslag, die
aanvankelijk verloren leek te zijn, want «hij nam met krachtige moed de strijd
op tegen de vijanden van de katholieke Kerk, niet met geweld of gewapenderhand,
maar met het meest zuivere geloof in de devotie van de heilige rozenkrans, die
hij als eerste verbreidde en die hij persoonlijk en door zijn zonen tot de vier
uithoeken van de wereld bracht.»5 «Terecht gaf
Dominicus dus aan zijn zonen de opdracht om zich bij hun prediking van Gods
woord aan het volk bezig te houden met het doordríngen van de zielen van hun
toehoorders met deze wijze van bidden, waarvan hij zelf het nut zozeer had
ervaren. Want hij wist zeer wel dat Maria van de ene kant zoveel gezag
tegenover haar goddelijke Zoon bezat, dat zij altijd als beheerster en
uitdeelster voorziet in de genade die Hij de mensen verleent; en dat zij van de
andere kant van nature zo welwillend en barmhartig is, dat zij gewoon is de
behoeftigen spontaan te hulp te komen en hun geenszins de hulp waar zij haar om
bidden kan weigeren. Aldus heeft de Kerk, vooral door middel van de rozenkrans,
in haar altijd de Moeder van genade en de Moeder van barmhartigheid ontmoet; en zó pleegt de Kerk
haar ook te groeten. Om deze reden hebben de pausen tot op heden nooit één
gelegenheid voorbij laten gaan om de rozenkrans van Maria met de hoogste
lofprijzingen te roemen en deze met apostolische aflaten te verrijken.»6
Vanuit een kinderlijk instinct en door deze uitdrukkelijke aanbeveling
van de pausen hebben de christenen hun toevlucht genomen tot het bidden van de
heilige rozenkrans op de gewone momenten en in de moeilijkste omstandigheden
(openbare rampen, oorlogen, ketterijen, belangrijke gezinsproblemen...) en als uitnemend
middel tot dankzegging. De laatste pausen hebben voortdurend het rozenkransgebed
aangeraden, met name in familiekring. Het Tweede Vaticaans Concilie waarschuwde
alle christengelovigen «de praktijken en oefeningen van godsvrucht, die het
leergezag te harer ere in de loop der eeuwen heeft aanbevolen hoog te
waarderen.»7 En Paulus vi
legde deze woorden op authentieke wijze uit als betrekking
hebbend op de heilige rozenkrans.8
Laten wij vandaag onderzoeken, nu de mensheid zovele noden
lijdt, met welk een liefde en vertrouwen wij ons tot Onze Lieve Vrouw keren
middels deze zozeer met genade overladen devotie. Laten we bedenken of wij bij
het verbreiden van de gezonde leer om ons heen, en heel bijzonder als we zien
dat iemand van hen die ons het meest nabij zijn zich van de Heer verwijdert,
met geloof onze toevlucht nemen tot onze Moeder in de hemel.
14.3 Indien wij elke dag
liefdevol de heilige rozenkrans trachten te bidden, dan zullen wij, net zoals
de heilige Dominicus, veel genade bezorgen aan degenen die wij tot de Heer
willen leiden, en ook aan onszelf. In de rozenkrans overwegen wij de
belangrijkste mysteries van ons heil: vanaf de Blijde Boodschap aan de Maagd
tot aan de verrijzenis en hemelvaart van de Heer, via zijn lijden en dood.
De eerste vijf mysteries, die wij de blijde geheimen noemen,
omvatten het verborgen leven van Jezus en Maria en leren ons de werkelijkheden
van het dagelijkse leven te heiligen. De vijf volgende, de droevige geheimen,
stellen ons in staat het Lijden te overwegen en te beleven en leren ons het
leed, de ziekte, het kruis dat in het leven van ieder mens op zijn tocht door
deze wereld tegenwoordig is, te heiligen. In de glorievolle geheimen, beschouwen
we de overwinning van de Heer en zijn Moeder, en zij vervullen ons van vreugde
en hoop bij het overwegen van de heerlijkheid die God voor ons heeft bereid,
indien wij trouw blijven.
Bij de overweging van deze mysteries gaan wij door Maria tot
Jezus: wij verheugen ons met Christus, als wij beschouwen hoe Hij mens geworden
is voor ons. Wij lijden met de lankmoedige Christus, wij zien bij voorbaat zijn
verheerlijking. Om deze overweging mogelijk te maken, moeten we zodanig
proberen te bidden «dat dit gebed zijn vruchten afwerpt op degene die de
overweging van de levensgeheimen van de Heer bidt, dóór het hart van haar die
dicht bij Hem stond, en dat zij hun onpeilbare rijkdom onthullen.»9 Zó de heilige rozenkrans bidden, «door het overwegen
van de geheimen, het herhalen van het Onze Vader en het Weesgegroet, de
lofprijzingen van de allerheiligste Drieëenheid en het ononderbroken aanroepen
van de Moeder van God, is een voortdurende handeling van geloof, van hoop en
liefde, van aanbidding en eerherstel.»10
Ten tijde van de heilige Dominicus begroette men de Maagd met
de titel 'roos', het symbool van de vreugde. Men versierde toen reeds de
afbeeldingen met een krans van rozen, en men bezong Maria als 'rozentuin' (in
Middeleeuws Latijn 'rosarium'). Vandaar wellicht de naam die tot ons is
gekomen. Laten we niet vergeten, dat elk weesgegroet als het ware een roos is
die wij onze Moeder in de hemel aanbieden. Laten we niet toestaan dat die roos,
uit gebrek aan interesse of aandacht, flets van onze lippen komt. Laten wij
dit altijd gebruiken tegenover al die hindernissen die wij soms tegenkomen.
Laten wij ook door middel van deze devotie tot Onze Lieve Vrouw onze toevlucht nemen,
wanneer we de last van onze zwakheden het sterkst voelen: «'Onbevlekte Maagd,
ik weet heel goed dat ik een arme stakker ben die niet veel anders doet dan
iedere dag het aantal van zijn zonden groter maken...' Onlangs heb je me gezegd
dat je zo met onze Moeder sprak.
»En beslist raadde ik je aan de rozenkrans te bidden: gezegende
eentonigheid, die je reinigt van de eentonigheid van je zonden!»11
-1. Vgl. J.M. Macías, Santo Domingo de Guzmán, BAC, Madrid 1979, bl. 230 vv. -2.
Ibidem, bl. 260. -3. Vgl. Johannes
Paulus ii, Toespraak 11-X-1985. -4.
Vgl. H. Jozefmaria Escrivá, De heilige Rozenkrans.
-5. Leo xiii, Enc. Supremi
apostolatus, 1-IX-1883. -6. Benedictus xv,
Enc. Fausto appetente, 29-VI-1921. -7. Vaticanum ii, Dogm. const. Lumen
gentium, 67. -8. Vgl. Paulus vi, Enc. Christi Matri Rosarii, 15-IX-1966; Apost. exhort. Marialis cultus, 2-II-1974. -9. Idem, Apost.
exhort. Marialis cultus, 46. -10. H. Jozefmaria Escrivá, o -11. H.
Jozefmaria Escrivá, De Voor, 475.