25 juli. Feest
6. Heilige Jakobus, apostel
De heilige Jakobus was geboortig van Betsaida. Hij was de
zoon van Zebedeüs en een broer van de heilige Johannes. Hij was een van de drie
leerlingen die aanwezig waren bij de Gedaanteverandering van de Heer, bij zijn
doodsstrijd in Getsemani en bij andere voorname gebeurtenissen uit het openbare
leven van Jezus. Hij is de eerste apostel die gestorven is omwille van zijn
prediking van de heilsboodschap van Christus. Vanwege zijn energie en kracht
noemde de Heer hem zoon van de donder. Zijn apostolische werkzaamheid speelde
zich af in Judea en Samaria en volgens een eerbiedwaardige traditie -die gestaafd
wordt door belangrijke getuigenissen- is hij tot in Spanje geweest.
Teruggekeerd in Palestina werd hij rond het jaar 44 op last van Herodes Agrippa
gemarteld. Zijn stoffelijk overschot werd overgebracht naar Santiago de
Compostela, bedevaartcentrum met name in de Middeleeuwen en brandpunt van
geloof van heel Europa.
-De kelk van de Heer drinken. Zich niet laten ontmoedigen
door de eigen zwakheden. Zijn toevlucht zoeken tot de Heer. -In moeilijkheden
zijn toevlucht nemen tot de Maagd.
6.1 Toen
Jezus zich bij het meer van Galilea ophield, zag Hij Jakobus, de zoon van
Zebedeüs, en diens broer Johannes, die bezig waren hun netten klaar te maken,
en Hij riep hen beiden en gaf hun de naam Boanerges, wat betekent: zonen van de
donder.1
«Alles begon op het moment waarop enkele vissers aan het meer
van Tiberias door Jezus van Nazaret werden geroepen. Zij namen die oproep aan,
volgden Hem en trokken ongeveer drie jaar met Hem op. Zij waren deelgenoten van
zijn dagelijks leven, getuigen van zijn prediking, van zijn goedheid vol barmhartigheid
tegenover zondaars en hen die te lijden hadden, van zijn macht. Zij aanhoorden
aandachtig zijn woord, een woord dat tot dan toe nog nooit gehoord was». In die
tijd leerden de leerlingen «een werkelijkheid kennen, die sindsdien voor altijd
bezit van hen zou nemen: namelijk het ervaren van het leven met Jezus. Het
betrof een ervaring die gebroken had met het netwerk van het bestaan tevoren;
zij hadden alles moeten achterlaten, familie, beroep, bezittingen. Het betrof
een ervaring die hen in een nieuwe bestaanswijze had binnengevoerd.»2
Op een dag werd ook de heilige Jakobus uitgenodigd Hem te
volgen. Hij was de zoon van Salome, een van de vrouwen die voor Jezus zorgde en
die op Calvarië aanwezig was. Jakobus was ook de broer van Johannes. De apostel
kende de Heer reeds, voordat Deze hem definitief riep, en genoot zijn
bijzondere voorkeur, samen met Petrus en zijn broer: hij was aanwezig bij de
verheerlijking op de Thabor3, bij het wonder van
de opstanding van de dochter van Jaïrus en hij was een van de drie die de
Meester meenam om Hem te vergezellen in Getsemani4
aan het begin van zijn Lijden. Om hun onstuitbare ijver gaf de Heer de twee
broers de bijnaam 'Boanerges', zonen van de donder.
Het evangelie van de heilige mis verhaalt ons een bijzondere
gebeurtenis uit het leven van deze apostel. Jezus had net verteld, dat zijn
lijden en dood in Jeruzalem nabij waren: Wij gaan nu naar
Jeruzalem -had Hij hun gezegd- waar de Mensenzoon
aan de hogepriesters en schriftgeleerden zal worden overgeleverd. Zij zullen
Hem ter dood veroordelen en aan de heidenen overleveren om Hem te bespotten,
geselen en kruisigen; maar op de derde dag zal Hij verrijzen.5 De Meester voelde de behoefte om met de zijnen deze
gevoelens die zijn ziel bedrukten te delen. En juist in die omstandigheden trad de moeder van de zonen van Zebedeüs samen met hen op Jezus
toe en wierp zich voor zijn voeten om Hem iets te vragen.6 Zij smeekt Hem om voor haar twee zonen bevoorrechte
plaatsen te reserveren in het nieuwe Rijk, waarvan de komst zeer aanstaande
leek te zijn. Jezus richt zich tot de broers en vraagt hun of zij in staat zijn
met Hem zijn beker, hetzelfde lot te delen. De eigen
beker aan iemand anders te drinken aanbieden werd in de Oudheid beschouwd als
een groot bewijs van vriendschap. Zij antwoordden: Ja, dat
kunnen wij!7 «Dat was het woord van
bereidheid, van kracht; een houding die niet alleen eigen is aan jonge mensen,
maar aan alle christenen, en met name allen die apostelen van het evangelie
willen zijn.»8 Jezus aanvaardde het edelmoedige
antwoord van de twee leerlingen en zei tot hen: Inderdaad,
mijn beker zult gij drinken, gij zult delen in mijn Lijden, ge zult in u
mijn Lijden aanvullen. Korte tijd later, rond het jaar 44, werd de heilige
Jakobus op last van Herodes onthoofd9, en Johannes
zou worden beproefd met ontelbare smarten en vervolging in de loop van zijn
leven.
Sinds Christus ons aan het kruis heeft verlost, zal elk
christelijk lijden bestaan in het drinken van de beker van de Heer, in het
delen in zijn Lijden, Dood en Verrijzenis. Door middel van onze smarten vullen
wij in zekere zin zijn Lijden aan10, dat zich in
de tijd voortzet, met zijn heilbrengende vruchten. Het menselijk lijden wordt
tot een verlossend lijden, omdat het zich heeft verbonden met hetgeen de Heer
heeft geleden. Het is dezelfde beker, waarvan Hij ons in zijn barmhartigheid
deelgenoot maakt. Bij tegenslagen, ziekte, pijn stelt Jezus ons dezelfde vraag:
zijt gij in staat mijn beker te drinken? En wij
zullen Hem, als wij met Hem verenigd zijn, een bevestigend antwoord kunnen
geven, en wij zullen in vrede en met vreugde ook datgene dragen dat menselijk
gesproken onaangenaam is. Met Christus veranderen zelfs pijn en mislukking in
vreugde en vrede. «Dit is de grote christelijke revolutie geweest: dat het leed
is veranderd in lijden dat vruchtbaar is; dat uit een kwaad iets goeds is
gemaakt. We hebben de duivel van dat wapen beroofd...; en we veroveren er de
eeuwigheid mee.»11
6.2 Vanaf het moment waarop de
heilige Jakobus zijn -niet volkomen edele- ambities aan de dag legde tot aan
zijn martelaarschap, ligt een lang innerlijk proces. Dezelfde ijver, gericht
tegen die Samaritanen die Jezus niet wilden ontvangen omdat
Jeruzalem het doel van zijn reis was12,
zal later omgevormd worden tot een ijver voor de zielen. Langzaam maar zeker,
met behoud van zijn eigen persoonlijkheid, leerde hij, dat de ijver voor Gods
zaken niet ruw en fel mag zijn, en dat de enige eerzucht die de moeite waard
is, de roem van God is. Clemens van Alexandrië vertelt, dat de apostel, toen
hij naar de rechtbank werd gevoerd waar hij veroordeeld zou worden, zulk een
kordaatheid toonde, dat zijn aanklager naar hem toe kwam om hem vergiffenis te
vragen. De heilige Jakobus... dacht erover na. Toen omhelsde hij hem en zei:
«De vrede zij met u»; en beiden ontvingen de overwinningspalm.13
Wanneer wij vandaag het leven van de apostel Jakobus overwegen,
zullen we niet weinig geholpen worden door de vaststelling van zijn gebreken,
evenals die van de Twaalf die de Heer had uitverkoren. Zij waren niet machtig of
wijs of eenvoudig. Wij zien hen vaak als eerzuchtige mannen, twistziek14, van weinig geloof.15
Maar Jakobus zal de eerste apostel zijn die als martelaar sterft.16 Zó machtig is Gods hulp! Hoeveel dank zal hij in de
hemel aan God hebben gebracht, dat Hij hem over wegen heeft geleid die zo
verschillend waren van die welke hij zelf had gedroomd! Zó is de Heer: omdat
Hij goed en oneindig wijs is, omdat Hij ons liefheeft, geeft Hij ons vaak niet
wat wij Hem vragen, maar wat goed voor ons is.
Zoals de overige apostelen had Jakobus gebreken en zwakheden
die duidelijk tot uiting komen in de verhalen van de evangelisten. Maar naast
deze gebreken en fouten bezat hij een grote ziel en een groot hart. De Meester
betrachtte altijd geduld met hem en met allen, en hield rekening met de tijd om
hen te onderrichten en hen te vormen met een wijze goddelijke opvoedkunde.
«Laten we eens goed erop letten -schrijft de heilige Johannes Chrysostomus- hoe
de wijze waarop de Heer ondervroeg, gelijk staat aan een aansporing en stimulans.
Hij zegt niet: 'Kunnen jullie de dood verdragen? Zijn jullie in staat je bloed
te vergieten?' Zijn woorden luiden: Zijt gij in staat de
beker te drinken? En om hen daartoe aan te moedigen, voegt Hij eraan
toe: die Ik ga drinken; op deze wijze moest de
overweging dat het om dezelfde beker gaat die de Heer zal drinken, hen
aanzetten tot een edelmoediger antwoord. En aan zijn Lijden geeft Hij de naam doopsel, om daarmee aan te geven, dat zijn smarten de
oorzaak zouden zijn van een grote zuivering voor iedereen.»17
Ook wij zijn door de Heer geroepen. Laten we de ontmoediging
geen kans geven in ons binnen te dringen, wanneer zich ooit zwakheden of
gebreken openbaren. Als wij tot Jezus gaan, zal Hij ons aanmoedigen om verder
te gaan, nederig en met nog meer trouw. De Heer heeft ook geduld met ons, en
houdt rekening met de tijd.
6.3 In de tweede lezing van de
heilige mis brengt de heilige Paulus ons in herinnering: Maar
wij dragen deze schat in aarden potten; duidelijk blijkt dat die overgrote
kracht van God komt en niet van ons.18
Wij zijn iets breekbaars, van weinig weerstand, dat niettemin toch een
onvergelijkbare schat kan bevatten, want God bewerkt wonderen in de mensen,
ondanks hun zwakheden. En juist om te laten zien, dat Hij degene is die
optreedt en werkkracht geeft, heeft Hij willen uitverkiezen
wat voor de wereld dwaas is om de wijzen te beschamen; wat voor de wereld van
geringe afkomst is en onbeduidend, heeft God uitverkoren; wat niets is om
teniet te doen wat iets is, opdat tegenover God geen mens zou roemen op
zichzelf.19 Dàt schrijft hij, die eerder
de Kerk vervolgd heeft. Wanneer wij God in onze ziel dragen, kunnen wij, christenen,
tegelijkertijd «in de hemel en op aarde vergoddelijkt leven; wetend echter, dat
wij in de wereld zijn en dat wij aarde zijn, met de broosheid die eigen is aan
hetgeen aarde is: een pot van klei die de Heer zich verwaardigd heeft te zijnen
dienste te benutten. En als die gebroken is, hebben we onze toevlucht genomen
tot de krammen, zoals de verloren zoon: ik heb gezondigd
tegen de hemel en tegen U.»20 Die
krammen, die men oudtijds op de vazen aanbracht als die gebroken waren om ze
toch weer bruikbaar te maken.
God maakt degene flink, die de nederigheid bezit zich als een
aarden pot te voelen, die in zijn lichaam de versterving van Jezus21 meedraagt, die de beker van het Lijden drinkt,
dezelfde die Jezus gedronken heeft en waartoe Hij de heilige Jakobus
uitnodigde.
De traditie verhaalt ons, dat deze apostel in Spanje
gepredikt heeft. Zijn zielenijver bracht hem zelfs tot het uiteinde van de
bekende wereld. Dezelfde traditie spreekt ons ook van de moeilijkheden die hij
in deze landen aan het begin van zijn evangelisatie aantrof en hoe Onze Lieve
Vrouw hem in sterfelijke, vleselijke gedaante verscheen om hem moed in te
spreken. Ook wij kunnen mogelijkerwijs ooit ontmoedigd worden en ons enigszins
terneergeslagen voelen door de hindernissen die onze verlangens om Christus tot
andere mensen te brengen bemoeilijken. Wij kunnen zelfs onbegrip, hoon,
tegenstand ontmoeten. Maar Jezus verlaat ons niet. Wij zullen tot Hem onze
toevlucht nemen, en dan zullen we met sint Paulus kunnen zeggen: Wij worden aan alle kanten bestookt, maar raken toch niet klem;
wij zien geen uitweg meer, maar zijn nooit ten einde raad; wij worden opgejaagd
maar niet in de steek gelaten...22 Wij
zullen onze toevlucht nemen tot de heilige Maria, en bij haar zullen wij, zoals
de apostel Jakobus, altijd bemoediging en vreugde vinden om op onze weg voort
te gaan.
-1. Introïtus. Vgl. Mt 4,18;21; Mc 3,17. -2. C. Caffarra, Viventi in Cristo.
-3. Mt 17,1 vv. -4. Mt
26,37. -5. Mt 20,17-19. -6. Mt
20,20. -7. Mt 20,22. -8. Johannes
Paulus ii, Homilie in Santiago de Compostela,
9-XI-1982. -9. Hnd 12,2. -10. Vgl. Kol 1,24. -11. H.
Jozefmaria Escrivá, De Voor, 887. -12. Lc 9,53. 13. Vgl. Clemens van
Alexandrië, Hypotyp., VII, gecit. door
Eusebius, Historia
Ecclesiastica, 11,9. -14. Lc 22,24-47. -15. Mt 14,31. -16. Vgl. Hnd 12,2.
-17. H. Johannes Chrysostomus, Homilieën over het Matteüsevangelie, 65,3-4. -18. 2 Kor 4,7. -19. 1 Kor 1,2729.
-20. S. Bernal, Mgr.
Escrivá de Balaguer, slotwoord. -21. Vgl. Tweede
lezing. 2 Kor 4,10. -22. Tweede lezing. 2 Kor
4,8.