4 augustus. Gedachtenis
11. HEILIGE JEAN-BAPTISTE MARIE VIANNEY
Pastoor van Ars
De heilige Johannes Maria Vianney werd op 8 mei 1786 in
de buurt van Lyon geboren. Hij moest vele moeilijkheden overwinnen alvorens hij
tot priester gewijd kon worden. Hem werd de parochie van Ars toevertrouwd, waar
hij ongeveer 42 jaar bleef. Hij muntte uit in zijn zorg voor de zielen, zijn
geest van gebed en versterving, en vooral door zijn onvermoeibare toewijding
aan de bediening van het sacrament van boete en verzoening. Hij stierf in het
jaar 1859. Door paus Pius xi werd hij in 1929 heilig verklaard en tot
universeel patroon van de geestelijkheid uitgeroepen.
-Heilige priesters. Onvergelijkbare waardigheid. Liefde tot
het priesterschap. -Priesters zijn noodzakelijk. Gebed en versterving voor de
priesters. -In de naam van de Heer begeleidt de priester het leven van de mens.
Achting voor hen die ons zoveel hebben gegeven. Sterk vertrouwen op het gebed
van de priester.
11.1 Toen Johannes Baptista Maria
Vianney naar de kleine parochie te Ars (230 inwoners) gezonden werd, zei de
vicaris-generaal van het bisdom tegen hem: «Er is niet veel liefde tot God in
die parochie te vinden; die zult ú moeten invoeren.»1
En dàt heeft hij gedaan: in de liefde tot de Heer, die hij in zijn hart droeg,
al die boerenlui en talloze andere mensen doen ontbranden. Hij bezat geen grote
kennis, geen goede gezondheid en evenmin geld..., maar zijn persoonlijke
heiligheid, zijn vereniging met God bewerkte het wonder. Enkele jaren later
snelt een grote menigte uit alle streken van Frankrijk naar Ars toe, en soms
moeten ze dagen wachten om de pastoor te zien en bij hem te kunnen biechten.
Wat deze mensen aantrekt is niet de nieuwsgierigheid naar enkele wonderen die
hij verborgen tracht te houden. Het was veeleer het voorgevoel een heilige
priester te ontmoeten, «die verwonderde door zijn boetvaardigheid, zo
vertrouwelijk omging met God in het gebed, opviel door zijn vrede en
nederigheid te midden van populariteit en succes en vooral zo intuïtief de
innerlijke gesteltenis van de zielen wist aan te voelen en ze te bevrijden van
hun last, vooral in de biechtstoel.»2 De Heer
koos «als voorbeeld voor de zielzorgers diegene uit die arm, zwak, weerloos en
verachtelijk had kunnen schijnen in de ogen van de mensen (vgl. 1 Kor 1,27-29).
God heeft hem begiftigd met zijn beste gaven als leidsman en geneesheer van de
zielen.»3
Op een keer vroeg men aan een advocaat uit Lyon die net terugkeerde
uit Ars, wat hij daar gezien had. En hij antwoordde: «Ik heb God in een mens
gezien.»4 Vandaag moeten we de Heer bidden, dat
we ditzelfde van elke priester kunnen zeggen, omwille van zijn heilig leven,
zijn eenheid met God, zijn zorg voor de zielen. In het wijdingssacrament wordt
de priester tot dienaar van God en uitdeler van zijn schatten gemaakt, zoals de
heilige Paulus het noemt.5 Deze schatten zijn:
het woord van God in de prediking; het Lichaam en Bloed van Christus dat hij in
de heilige mis en bij de communie uitdeelt; en de genade van God in de sacramenten.
Aan de priester wordt de goddelijke taak bij uitstek toevertrouwd, «de meest
goddelijke van de goddelijke werken», zoals een oude kerkvader leert, namelijk
het heil van de zielen. Hij wordt tot boodschapper, middelaar, tussen God en de
mensen. Tussen God die in de hemel is, en de mens die zich nog op doortocht op
aarde bevindt; met de ene hand neemt hij de schatten van de goddelijke
barmhartigheid, met de andere deelt hij deze edelmoedig uit. Krachtens zijn
taak als middelaar deelt de priester in het gezag waarmee Christus zijn Lichaam
vormt, heiligt en leidt6, voltrekt hij het
sacrament van de eucharistie, de meest heilige handeling die de mensen op aarde
kunnen verrichten.
Wat willen, wat verwachten de mensen van de priester? «Wij
durven te beweren -merkt Mgr. Alvaro del Portillo op- dat zij, ook al kunnen
zij die noodzaak en verwachting vaak niet bewust beredeneren, een priester
nodig hebben, een man die zich voor hen uitleeft door hun de horizon van de
ziel open te leggen, die onophoudelijk zijn ambt vervult, die een groot hart
bezit, dat in staat is iedereen te begrijpen en lief te hebben, ook al ziet hij
zich misschien soms niet beantwoord; een man die met eenvoud en vreugde, te pas
en zelfs te onpas (vgl. 2 Tim 4,2) datgene geeft wat
alleen hij kan geven: de rijkdom van genade, van goddelijke innigheid, die God
door middel van hem aan de mensen wil uitdelen.»7
Vandaag is een bijzonder geschikte dag om door bemiddeling
van de heilige pastoor van Ars veel te bidden voor de heiligheid van de
priesters, met name voor hen die op een of andere wijze door God zijn
aangesteld om ons op onze weg naar Hem te helpen.
11.2 Heel vaak zei de pastoor van
Ars: «Wat is het toch groots om priester te zijn! Als ik dat helemaal begreep,
zou ik sterven.»8 God roept sommige mannen tot
deze hoge waardigheid om hun broeders te dienen. Toch «wordt de heilsopdracht
van de Kerk in de wereld niet alleen door de bedienaren op grond van het
wijdingssacrament ten uitvoer gebracht, maar ook door alle lekengelovigen»9, ieder door zijn eigen roeping en in zijn
werkzaamheid in de wereld, door als brandende toortsen10 in de nacht te zijn, want de leken «delen krachtens
hun status als gedoopten en hun specifieke roeping in de priesterlijke,
profetische en koninklijke bediening van Christus, ieder in zijn eigen mate.»11 Hun deelneming in het leven van de Kerk bestaat
geenszins in het helpen van de geestelijkheid, ook al zullen zij dat somtijds
doen. Het specifieke terrein van de leek is niet de sacristie, maar het gezin,
de onderneming, de mode, de sport..., die zij, in hun eigen orde, tot God
trachten te brengen. De opdracht van de leken moet hen ertoe aanzetten het
gezin, het werk en de maatschappelijke orde te doordrenken met die christelijke
beginselen die haar verheffen en menselijker maken: de waardigheid en eerste
plaats van de menselijke persoon, de maatschappelijke solidariteit, de heiligheid
van het huwelijk, de vrijheid in verantwoordelijkheid, de liefde voor de
waarheid, de eerbiediging van de rechtvaardigheid op alle niveaus, de geest van
dienstbaarheid, de beoefening van het wederzijds begrip en van de liefde...
Maar opdat zij te midden van de wereld «deze profetische,
priesterlijke en koninklijke rol kunnen vervullen, hebben de gedoopten het
ambtelijk priesterschap nodig, waardoor hun op bevoorrechte en tastbare wijze
de gave wordt verleend van het goddelijk leven, dat zij ontvangen van Christus,
het hoofd van het gehele Lichaam. Hoe christelijker het volk is en hoe meer het
zich bewust wordt van zijn waardigheid en zijn actieve rol binnen de Kerk, des
te meer zal het de behoefte voelen aan priesters die waarlijk priesters zijn.»12
Vandaag bidden wij de Heer om heilige, beminnelijke, geleerde
priesters, die de zielen behandelen als kostbare juwelen van Jezus Christus,
die weten af te zien van hun persoonlijke plannen uit liefde voor de anderen,
die een diepe liefde koesteren voor de heilige mis, het voornaamste doel van
hun wijding en het middelpunt van heel hun dagelijks leven; priesters die hun
beste pastorale inspanningen «zoals bij de pastoor van Ars, op de
uitdrukkelijke verkondiging van het geloof, van de vergeving, van de eucharistie»13 richten.
11.3 God heeft de priester dicht
bij het leven van de mens geplaatst om uitdeler te zijn van de goddelijke
barmhartigheid. barmhartigheid. «Nauwelijks is de mens in dit leven gekomen, of
de priester herschept hem in het doopsel, verleent hem een edeler, kostbaarder
leven, het bovennatuurlijke leven, en maakt hem tot kind van God en van de Kerk
van Jezus Christus.
»Om hem te sterken en hem meer geschikt te maken, om
edelmoedig de geestelijke gevechten te leveren, maakt ook een priester, bekleed
met bijzondere waardigheid, hem tot soldaat van Christus door middel van het
vormsel.
»Wanneer hij, nog maar als kind, in staat is het brood van de
engelen, de gave van de hemel, te onderscheiden en naar waarde te schatten,
wordt hij door de priester met dit levende en levendmakende voedsel gevoed en
gesterkt. Als hij per ongeluk een keer is gevallen, dan tilt de priester hem in
naam van God op en verzoent hem met Hem door middel van het sacrament van boete
en verzoening. Als God hem roept om een gezin te stichten en met Hem mee te
werken aan het doorgeven van het menselijk leven in de wereld en het aantal
gelovigen op aarde te vermeerderen, dan staat de priester klaar om zijn
huwelijk en zijn edele liefde te zegenen. Wanneer de christen ten slotte, al
dicht bij het einde van zijn sterfelijk leven gekomen, kracht en steun nodig
heeft om vóór de goddelijke Rechter te verschijnen, dan buigt de bedienaar van
Christus zich over de pijnlijke ledematen van de stervenden, troost hen en
zuivert hen door de zalving met de heilige olie. Na aldus de christenen
gedurende hun aardse pelgrimstocht van het leven begeleid te hebben tot aan de
poorten van de eeuwigheid, begeleidt de priester -met de gebeden van de heilige
riten waarin de onsterfelijke hoop weerklinkt- eveneens het lichaam tot aan het
graf en laat hij ook degenen die reeds in het andere leven delen niet in de
steek: eerder integendeel, indien zij boetedoening en verlichting nodig hebben,
verlicht hij hen met de troost van de gebeden voor hun zielerust. Vanaf de wieg
tot het graf, verder nog, tot in de hemel, is de priester zodoende voor de
gelovigen gids, troost, bedienaar van het heil, uitdeler van genade en zegeningen.»14
Het is billijk, dat de gelovigen dagelijks, en heel bijzonder
wanneer we het feest van de heilige pastoor van Ars vieren, bidden voor alle
priesters, en met name voor hen die Gods opdracht hebben ontvangen hen
geestelijk te verzorgen: van wie zij het goud van de goede leer ontvangen, het
brood van de engelen en de vergeving van hun zonden. Zoals de H. Jozefmaria
Escrivá zei, leren de priesters ons om te gaan met Christus, Hem te ontmoeten
in de liefdevolle rechtbank van de boetedoening en in de onbloedige hernieuwing
van het offer van Calvarië, in de heilige mis.15
Wij moeten op hun gebeden vertrouwen en hen smeken, dat zij
onze noden aanbevelen; wij moeten ons verenigen met hun intenties die
gewoonlijk de meest klemmende noden van de Kerk en de zielen opnemen. Ook
dienen wij hen te achten en hen met alle genegenheid te bejegenen, «want niemand
is zo waarlijk onze naaste als hij die onze wonden heeft genezen. Laten we hem
liefhebben en in hem onze Heer zien, en laten we hem beminnen zoals onze
naaste.»16 Dàt vragen wij de heilige pastoor van
Ars.
-1. F. Trochu, Le Curé d'Ars. -2. Johannes Paulus
ii, Brief aan de priesters b.g.v. Witte
Donderdag, 16-III-1986, 5. -3. Ibidem. -4.
Gecit. door Johannes Paulus i, Toespraak 7-IX-1978. -5. Vgl.1 Kor 4,1.
-6. Vgl. Vaticanum ii, Decr. Presbyterorum ordinis, 12. -7. A. del Portillo,
Escritos sobre el sacerdocio, Palabra, 6e ed., Madrid 1990, bl. 109-110. -8. H. Jean-Baptiste Marie Vianney, Over
God en over ons, Oegstgeest, bl. 59. -9. Johannes
Paulus ii, Apost. exhort. Christifideles
laici, 30-XI-1988, 23. -10. Vgl. Fil 2,15.
-11. Johannes Paulus ii, loc. cit. -12. Idem, Retraite in Ars, 6-X-1986, 4. -13. Ibidem,
14. -14. Pius xi, Enc. Ad
catholici sacerdotii, 20-XII-1935. -15. Vgl. H. Jozefmaria Escrivá, De liefde tot de
Kerk, 45. -16. H. Ambrosius, Tractaat
over het evangelie van de heilige Lucas, 7,84.