1 mei. Gedachtenis
33. HEILIGE JOZEF, ARBEIDER
Sinds 1955 wordt in de liturgie de
gedachtenis gevierd van de heilige Jozef, arbeider. De Kerk herinnert aldus,
naar het voorbeeld van de heilige Jozef en onder zijn bescherming, aan de
menselijke en bovennatuurlijke waarde van het werk. Alle menselijke arbeid is
een medewerken aan het werk van God, de Schepper, en wordt door Jezus Christus
-overeenkomstig de liefde tot God en de liefde voor de anderen- tot een waar
gebed en apostolaat.
-Arbeid, een gave van God. -Menselijke en
bovennatuurlijke betekenis van de arbeid. -Het eigen beroepswerk liefhebben.
33.1 Leeft gij
dan van het werk uwer handen...1
Wanneer de Kerk ons vandaag de heilige Jozef
tot voorbeeld stelt, beperkt zij zich er niet toe een bepaalde vorm van arbeid
te waarderen, maar de waardigheid en waarde
van elke eerlijke mensenarbeid. In de eerste lezing van de heilige mis2
lezen wij het verhaal uit Genesis, waarin de mens getoond wordt als deelgenoot
aan de schepping. De heilige Schrift zegt ons ook, dat God de mens in de
Hof van Eden bracht om die te
bewerken en te beheren.3 Arbeid is vanaf het begin voor de mens een opdracht, een
vereiste van zijn hoedanigheid als schepsel en uitdrukking van zijn
waardigheid. Het is de manier waarop hij
meewerkt met de goddelijke voorzienigheid ten behoeve van de wereld. Door de
erfzonde onderging de manier van deze samenwerking, het 'hoe', een wijziging: Omwille van u zal de grond vervloekt
zijn -zo lezen we eveneens in Genesis4-
zwoegend zult gij van hem eten,
alle dagen van uw leven [...]. In het zweet zult gij werken voor uw brood...
Wat op een
vreedzame en aangename wijze had moeten geschieden, werd na de eerste val van
de mens moeilijk en vaak uitputtend. Toch blijft het feit onveranderd, dat het eigen werk verbonden is met de Schepper en meewerkt aan het
verlossingsplan voor de mensen. De omstandigheden rondom het werk hebben
ervoor gezorgd, dat sommigen het als een straf beschouwen, of dat het, door de
kwaadwilligheid van het hart wanneer dat zich van God verwijdert, tot louter
'koopwaar' wordt of tot een 'middel tot onderdrukking', zodat het soms moeilijk
wordt de grootheid en waardigheid van de
arbeid te begrijpen. Soms wordt arbeid ook uitsluitend gezien als middel
om geld te verdienen, dat dan het enige doel wordt,
of als uiting van ijdelheid, van eigen zelfbevestiging, van egoïsme...;
men vergeet de arbeid in zichzelf, als goddelijk werk, want hij is een
samenwerken met God en een offergave aan Hem, waarin de menselijke en
bovennatuurlijke deugden beoefend worden.
Lange tijd werd het materiële werk veracht als
middel om in zijn levensonderhoud te voorzien en werd het beschouwd als iets waardeloos en onterends. En
vaak zien wij hoe de materialistische samenleving van vandaag de mensen verdeelt 'naar wat zij verdienen', naar hun
vermogen om een hoger niveau van -vaak buitensporige- economische
welvaart te bereiken. «Het wordt tijd dat wij christenen hardop uitroepen dat
de arbeid een gave van God is, en dat het geen enkele zin heeft de mensen in
categorieën in te delen naar de verschillende soorten arbeid, waarbij sommige als edeler worden beschouwd dan andere.
De arbeid, elke arbeid, is een getuigenis van de waardigheid van de mens, van
zijn heerschappij over de schepping. Zij geeft gelegenheid tot ontwikkeling van
de eigen persoonlijkheid. Zij schept een band tussen mensen, is een bron van middelen om het eigen gezin te
onderhouden; zij is een middel om bij te dragen tot verbetering van de
maatschappij waarin men leeft, en tot vooruitgang van de hele mensheid.»5 Dàt roept het feest van vandaag ons in herinnering6,
wanneer wij de heilige Jozef tot voorbeeld en patroon nemen. Hij was een man die van zijn vak leefde; tot hem moeten wij ons vaak wenden opdat de taak
die wij onder handen hebben zich niet verlaagt of vervaagt, want niet
zelden gebeurt het, wanneer men God vergeet, dat «de materie veredeld uit de werkplaats te voorschijn komt, maar
de mensen zich verlagen.»7 Met de hulp van de
heilige Jozef moet het werk uit onze handen komen als een offergave die de Heer
zeer welgevallig is; werk dat tot gebed geworden is.
33.2 Het evangelie van de heilige mis8 laat
zien, hoe Jezus in Nazaret bekend is vanwege zijn arbeid. Wanneer Jezus in zijn vaderstad terugkomt, zeggen
de buren: Is Hij niet de zoon van de timmerman? Heet zijn moeder
niet Maria?... Elders
wordt gezegd, dat Jezus het beroep overnam van hem die hier op zijn aarde de rol van vader
vervulde, zoals bij verschillende gelegenheden gebeurt: Is dat niet de timmerman, de
zoon van Maria?9 De arbeid werd geheiligd, toen Gods
Zoon die aanvaardde. Vanaf dat moment
kan arbeid tot verlossingstaak worden, door de vereniging met Christus,
de Verlosser van de wereld. Vermoeidheid, inspanning, harde en moeilijke omstandigheden -ten gevolge van de erfzonde-
verkrijgen door Christus een onmetelijke bovennatuurlijke waarde, voor
onszelf en voor de hele mensheid. Wij weten dat de mens verbonden is met het
verlossingswerk van Jezus Christus, «die een
uitnemende waardigheid verleende aan de arbeid door met eigen handen in
Nazaret werk te verrichten.»10
Elk edel werk kan
tot een taak worden die zowel degene die het vervult als de gehele maatschappij
vervolmaakt, en kan eveneens, met al
zijn bijkomstige omstandigheden, tot
middel worden dat anderen steunt via de gemeenschap die bestaat tussen
alle leden van het Mystieke Lichaam van Christus, de Kerk. Daarvoor is het
echter nodig, dat men, naast het menselijke, nooit het bovennatuurlijke doel
dat alle handelingen in het leven dienen te hebben, vergeet, met inbegrip van
die welke zich als harder en moeilijker
aandienen: «degene die tot de galeien is veroordeeld, weet wel dat hij
moet roeien om het schip te doen voortbewegen, maar om in te zien, dat dit een
zin aan zijn leven geeft, zou hij dieper moeten doordringen in de betekenis
die lijden en straf voor een christen hebben; dat wil zeggen, hij zou zijn toestand moeten zien als een mogelijkheid
om zich met Christus te vereenzelvigen. Welnu, als hij hierin door onwetendheid
of verachting niet slaagt, zal hij zijn 'werk' gaan haten. Een zelfde effect
kan optreden, wanneer de vrucht of het resultaat van het werk (niet de
financiële beloning ervan, maar datgene wat men heeft 'bewerkt', 'uitgevoerd'
of 'gemaakt') verloren gaat in een verre afstand, waarvan men bijna geen besef
heeft.»11 Hoevelen, helaas, begeven zich niet
iedere ochtend, naar hun werk alsof ze naar de galeien gaan! Om te gaan roeien
in een boot, waarvan ze niet weten waar die naar toe vaart, en die hun ook
helemaal niets interesseert. Ze wachten alleen het einde van de week en de
maandelijkse salarisoverschrijving af. Zo'n werk verleent duidelijk geen
waardigheid, heiligt niet en zal nauwelijks dienen tot de ontplooiing van de
eigen persoonlijkheid en tot het welzijn van de maatschappij.
Laten we vandaag, bij sint Jozef, eens denken
aan de liefde en waardering die wij koesteren ten opzichte van onze taak, de
zorg die we besteden om ons werk prima af te
leveren, de stiptheid, het beroepsprestige, de kalmte -die geenszins in strijd is met gevoel voor urgentie-
waarmee we ons werk ten uitvoer brengen, de achting en het respect dat
we hebben voor ieder werk, de arbeidzaamheid...
Als ons handelen menselijk gezien goed gedaan is, zullen we kunnen
zeggen, zoals we in de heilige mis van
vandaag bidden: God, bron van
goedheid, zie
naar de offerande die wij U brengen bij de herdenking van de heilige Jozef.
Wees ons genadig: laat deze gaven de steun en bescherming bieden waarom wij U
vragen.12
33.3 Een goed volbracht werk wordt met liefde tot stand gebracht. We dienen
ons eigen beroep te waarderen, het vak waaraan we ons wijden; dit is wellicht de
eerste stap om het waardigheid te verlenen en het tot het bovennatuurlijke plan te verheffen. Wat wij onder
handen hebben, moeten we vanuit ons hart vervullen, en niet 'omdat er niets anders op zit'. «Die man, mijn zoon, die me
vanmorgen kwam opzoeken -weet je, die met die aardekleurige jagerstas-
is geen eerlijke man [...]. Deze man is van beroep caricaturist bij een geïllustreerd
dagblad. Daar leeft hij van; daarmee houdt hij zich tijdens de werkuren bezig. En toch spreekt hij altijd met afkeer over
zijn beroep, en hij zei tegen mij: 'Was ik maar schilder! Maar helaas
moet ik die dwaasheden tekenen om te kunnen eten. Kijk niet naar die tekeningetjes,
jongen, kijk er niet naar! Pure handel...' Dit
betekent, dat hij zijn werk alleen maar doet voor het gewin. En dat hij
heeft toegelaten, dat zijn geest ver
verwijderd is geraakt van het werk, waarmee zijn handen bezig zijn. Want
hij vindt zijn werk maar heel laag. Maar ik zeg je, mijn zoon, dat als de
bezigheid van mijn vriend zo laag bij de grond is, als zijn tekeningen
dwaasheden genoemd kunnen worden, dan komt dat, omdat hij er niet zijn geest in
heeft gelegd. Want als de geest erin rust, dan is er geen werk dat niet edel en
heilig wordt. Edel en heilig is het werk van de caricaturist wel, evenals dat
van de timmerman of van de vuilnisman [...]. Er bestaat een manier van
caricaturen tekenen, van hout bewerken [...] die openbaart dat in die activiteit
liefde gelegd is, een zorg om volmaaktheid en harmonie, en een kleine persoonlijke vuurvonk: dat is wat
kunstenaars eigen stijl noemen, en er bestaat geen menselijk werk of
werkje waarin die niet kan bloeien. Een manier van werken, die de juiste is. De andere, het minachten van het
werk, dat als laag beschouwen, in plaats van het los te maken en stilletjes om te vormen, dàt is een slechte en
immorele manier. De bezoeker met die aardekleurige jagerstas is dus een
immoreel mens, want hij houdt niet van zijn werk.»13
De heilige Jozef leert ons het werk, waaraan
wij zoveel uren besteden lief te hebben: het
huishouden, het laboratorium, de ploeg of de computer, het bezorgen of
wegbrengen van pakjes of de zorg voor de portiersloge in dat grote gebouw... De rang van een werk is gelegen in het
vermogen om ons in menselijk en bovennatuurlijk opzicht te vervolmaken,
in de kansen die het ons biedt het gezin te onderhouden en mee te werken aan
goede werken ten gunste van de mensen, in de steun die wij door het werk aan de
samenleving verlenen...
De heilige Jozef had Jezus vóór zich tijdens
zijn werk. Soms vroeg hij Hem een stuk hout vast te houden, terwijl hij het
zaagde en andere keren leerde hij Hem de beitel of de schaaf te hanteren...
Wanneer hij vermoeid was, keek hij naar zijn zoon, die Gods Zoon was, en zijn
taak verkreeg een nieuwe kracht, omdat hij wist dat hij door zijn werk meewerkte
aan de geheimvolle, maar werkelijke heilsplannen. Laten we hem vandaag bidden,
dat hij ons leert die tegenwoordigheid van God te bezitten, zoals hij die had
terwijl hij zijn beroep uitoefende. En laten we niet de heilige Maria vergeten,
aan wie wij vol liefde deze meimaand die vandaag begint gaan toewijden. Laten
we niet vergeten dagelijks een uur van werk of studie, intenser, beter
volbracht, haar ter ere aan te bieden.
-1. Vgl. Introïtus, Ps 127,1-2. -2. Gn 1,26-2,3. -3. Gn 2,15. -4. Gn 3,17-19. -5. H.
Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 47.
-6. Johannes Paulus ii, Apost.
exhort. Redemptoris
custos, 15 augustus 1989, 22. -7. Pius xi,
Enc. Quadragesimo anno,
15-V-1931. -8. Mt 13,54-58.
-9. Mc 6,3.
-10. Vaticanum ii, Const. Gaudium et spes, 67.
-11. P. Berglar, Opus Dei, Otto
Müller Verlag, Salzburg 1983, bl. 281. -12. Altaarmissaal, Gebed over de offergaven. -13. E. D'Ors, Aprendizaje y heroísmo;grandeza
y servidumbre de la inteligencia, EUNSA, Pamplona 1973, bl.
19-20.