1 juni. Gedachtenis
52. HEILIGE JUSTINUS, MARTELAAR
Justinus werd geboren in de streek van
Samaria in het begin van de tweede eeuw. Zoals andere denkers uit die tijd
opende hij een filosofieschool in Rome. Na zijn bekering vervulde hij van
daaruit een vruchtbaar apostolaat. Hij verdedigde het christelijk geloof met
zijn kennis in voor het christendom zo moeilijke tijden. Bewaard gebleven zijn
de 'Apologieën', gericht tot de keizers Antonius en Marcus Aurelius. Hij stierf
als martelaar te Rome tijdens de vervolging door deze laatste keizer. Vanwege
de ijver die hij aan de dag heeft gelegd in de verdediging van het geloof door
zijn kennis en vanwege de voorbeeldwaarde die hij voor allen heeft, verbreidde
Leo xiii zijn
liturgisch feest tot de universele Kerk.
-Verdediging van het geloof in tijden van
onbegrip. -Méér apostolaat naar mate de tegenslagen groter zijn. -Altijd de
liefde beoefenen; ook met degenen die ons niet waarderen.
52.1 In het begin sloeg het geloof vooral aan bij mensen met eenvoudige
beroepen: lakenscheerders, wolspinners, soldaten van het leger, smeden... De
talrijke inscripties die men in de
catacomben heeft gevonden tonen de veelzijdigheid van beroepen en
werkzaamheden: kroegbazen, kappers,
kleermakers, marmerbewerkers, wevers... Een van die inscripties beeldt een
wagenmenner uit, staande op zijn vierspan, met in zijn rechterhand een kroon en
in de linker de zegepalm van het martelaarschap.
Weldra bereikte het christendom alle maatschappelijke
klassen. In de tweede eeuw waren er christelijke senatoren, zoals Apollonius;
hoge magistraten, zoals consul Liberalis; advocaten van de Romeinse rechtbank,
zoals Tertullianus; filosofen als de heilige Justinus, wiens feest wij vandaag
vieren en die zich tot het christelijk geloof bekeerd heeft, toen hij reeds op
jaren was.
De christenen scheiden zich niet af van hun
medeburgers, zij kleden zich als de mensen van hun tijd en streek, oefenen hun
burgerrechten uit en vervullen hun plichten. Net zoals de anderen bezoeken ze
de openbare scholen, zonder zich voor hun
geloof te schamen, hoewel de heidense omgeving lange tijd zeer vijandig
tegenover de Blijde Boodschap stond. De verdediging van het geloof -het recht
om het te beleven en tegelijkertijd Romeins burger te zijn zoals de anderen-
zal met bewonderenswaardige standvastigheid ten uitvoer worden gebracht: van
het dagelijkse gesprek op de markt of op het 'forum' tot en met degenen die het
verdedigen met de wapens van het verstand, zoals de heilige Justinus en anderen
deden in hun 'apologieën' of verweerschriften van het christendom.
Allen wisten, ieder op zijn eigen plaats, een
helder getuigenis af te leggen van Jezus
Christus, hetgeen het beste verweerschrift van het geloof was. Een van
deze levende voorbeelden van geloof is tot
ons gekomen door middel van een graffito dat nog altijd bewaard is gebleven.
Op de Palatinus, de heuvel waarop het
paleis van de keizer en de villa's van de Romeinse adel stonden, was een school
waarin de pages voor het keizerlijk hof
gevormd werden. Onder de leerlingen moet zich een christen bevonden hebben, Alexamenos geheten, want iemand heeft een
man met een ezelskop afgebeeld, vastgenageld aan een ruw kruis, met daarnaast een mensenfiguur. Naast de schildering kan
men de volgende inscriptie lezen:
'Alexamenos aanbidt zijn god'. De jonge christen schreef, dapper en trots
op zijn geloof, op dezelfde plaats als antwoord: 'Alexamenos is getrouw'.1
Deze grafiet is eveneens een weerklank van de
lasterpraat die veelvuldig de ronde deed ten aanzien van de christenen. Onder
de mensen van het volk gonsde het van geruchten, roddelpraatjes, beuzelarijen,
ongelooflijke verhalen... In meer beschaafde kringen hoorde men herhaaldelijk
verachtelijke zinnen als die welke Tertullianus ons heeft overgeleverd: «Die
Caius Sextus is een goed man, jammer dat hij
christen is!» Iemand anders zegt: «Ik sta er werkelijk versteld van, dat
Lucius Titius, zo'n verstandig man, plotseling christen is geworden.» En
Tertullianus tekent daarbij aan: «Het komt
niet in hen op zich af te vragen of
Caius een goed man en Lucius verstandig is juist omdat zij christen
zijn; of dat zij juist christen zijn geworden omdat de een een goed man is en
de andere verstandig.»2
De heilige Justinus weet de grootheid van het
christelijk geloof te beredeneren in vergelijking met alle denkvormen en
ideologieën die in de mode waren: «Omdat Socrates -zo merkt hij op- door
niemand werd geloofd, totdat hij zijn leven voor zijn leer gaf; maar in
Christus hebben niet alleen filosofen en ontwikkelde mensen geloofd, maar ook
handwerkslieden en totaal onwetende mensen, die de mening van de wereld, de
vrees en zelfs de dood hebben weten te verachten.»3
Justinus zelf zal later sterven als getuige van zijn geloof. Deze zelfde kracht
vraagt de Heer ook van ons in iedere situatie waarin we ons bevinden. Ook als
we somtijds het hoofd moeten bieden aan een omgeving die geheel vijandig staat
tegenover de leer van Jezus.
52.2 In tijden van vervolging en grotere tegenspoed bleven de christenen anderen tot het geloof trekken. Juist die moeilijkheden
waren een gelegenheid tot een intensiever apostolaat, gegarandeerd door
voorbeeldigheid en kracht. Woorden verkregen dan een bijzondere kracht: die van
het kruis. Het martelaarschap was een getuigenis, vervuld van bovennatuurlijke
kracht en grote apostolische doeltreffendheid. Soms namen zelfs de beulen het
christelijk geloof aan.4
Als wij werkelijk trouw zijn, zullen we
mogelijkerwijs moeilijkheden van verschillende aard tegenkomen: van laster en
openlijke vervolging tot en met het constateren, dat ons een deur gesloten
wordt die open zou moeten blijven staan, dat we verbannen worden naar een
minder vooraanstaande functie, spot en oppervlakkige praatjes... De leerling
staat niet boven de Meester.5 Het leven van de
christen en zijn bestaanszin zal -of we willen of niet- botsen met een wereld
die zijn hart ingesteld heeft op materieel welzijn.
Deze moeilijke
ogenblikken zijn buitengewoon geëigend om een doeltreffend
apostolaat te vervullen: door de ware aard van de Kerk te onderrichten, door
die geschriften te verspreiden die licht
doen schijnen op de meest omstreden onderwerpen, door helder en
duidelijk over Christus en het christelijk leven te spreken... De eerste
christenen hebben overwonnen door hun ijver en ze hebben ons de weg gewezen:
hun onvoorwaardelijke trouw aan Christus vermag méér dan de heidense omgeving
om hen heen. «Ondergedompeld in de vijandige massa zochten zij niet in de
afzondering het geneesmiddel tegen de besmetting en de waarborg tot overleven;
zij wisten dat zij desem van God waren en hun stilzwijgend, maar daadkrachtig
optreden wist uiteindelijk diezelfde massa te onderrichten. Bovenal wisten zij
kalm en moedig in deze wereld te staan, de waarden van de wereld niet te
verachten en de aardse werkelijkheden niet te minachten.»6
Als wij op momenten van onbegrip, van afwijzing
of onverschilligheid... sterk en standvastig blijven in het persoonlijk
apostolaat dat wij als christenen dienen te volbrengen, dan zal de Kerk
vruchten verkrijgen op plaatsen waar wij het 't minst hadden verwacht. Het
apostolaat is doeltreffender, wanneer het kruis duidelijker getoond wordt.
52.3 Noch de roddelpraat of laster en zelfs niet het martelaarschap konden bewerken, dat de christenen zich in zichzelf terugtrokken en
zich met gelatenheid van de andere medeburgers afzonderden of zich uit hun
eigen maatschappelijk milieu verbannen voelden. Zelfs ten tijde van de hevigste
vervolgingen was de christelijke aanwezigheid in de wereld levend en werkzaam.
De christenen verdedigden hun recht om hun geloof consequent te beleven: de
geleerden, zoals Justinus, door hun geschriften die vervuld waren van kennis en
gezond verstand; de huismoeders zullen hetzelfde gedaan hebben in hun
vriendschappelijke gesprekken en door hun levensvoorbeeld... Juist te midden van
deze wervelwind van tegenspoed vervulden de christenen met bijzondere ijver
het nieuwe gebod van Jezus7: «het was uit liefde
dat zij zich op weg begaven naar die heidense en verdorven wereld.»8 «Deze beoefening van de liefde is voor alles datgene
dat ons in de ogen van velen een eigen stempel opdrukt. Ziet
-zo zeggen ze- hoe
zij elkaar liefhebben, terwijl zij elkaar haten. En
hoe zij bereid zijn voor elkaar te sterven, terwijl de anderen juist veeleer
klaar staan om elkaar te doden»9, zo heeft
Tertullianus ons in een van zijn geschriften nagelaten.
De christenen reageerden niet met wrok
tegenover degenen die hen op een of andere wijze mishandelden.10 En zoals onze eerste broeders in het geloof, zo
moeten ook wij altijd trachten het kwade in een overdaad van het goede te
verstikken.11
In zijn geloofsonderricht tijdens zijn
kortstondig pontificaat vermeldde Johannes Paulus i de voorbeeldige geschiedenis van de
zeventien karmelietessen die tijdens de Franse Revolutie gemarteld werden en
die door Pius x zalig werden verklaard.
Naar het schijnt, werd tijdens het proces geëist dat zij «wegens fanatisme» ter
dood werden veroordeeld. Een van hen vroeg aan de rechter: «wat betekent dat,
fanatisme?», en deze antwoordde haar: «Jullie onnozel vasthouden aan de
godsdienst.» Nadat het oordeel was uitgesproken en terwijl zij naar het schavot
geleid werden, zongen zij religieuze lofliederen; op de plaats van de terechtstelling
aangekomen, knielden zij één voor één voor de priorin om hun gelofte van gehoorzaamheid
te hernieuwen. Daarna hieven zij het Veni Creator aan; het gezang werd steeds
zwakker, naarmate de hoofden van de zusters onder de guillotine vielen. Als
laatste bleef de priorin over, en haar laatste woorden luidden: «De liefde zal
altijd overwinnen, de liefde vermag alles.»12 Zó
is het altijd geweest.
Niettemin richtte
de grootste liefde van de eerste christenen zich op het
versterken in het geloof van de zwakste broeders, van hen die zich kort tevoren
hadden bekeerd en van allen die het meest hulpbehoevend waren. De ?Akten van de
Martelaars? vermelden op bijna elke bladzijde concrete details van deze zorg
voor de trouw van de zwaksten. Laten wij dit
ook steeds doen in ogenblikken van tegenspraak, laster, vervolging:
degenen beschermen, 'instoppen', die dit vanwege leeftijd of bijzondere omstandigheden
het meest behoeven. Onze kracht en vreugde in die ogenblikken zullen anderen
tot grote steun zijn.
Aan het einde van
dit gebed richten wij ons tot Onze Lieve Vrouw met een gebed dat de eerste christenen13. dikwijls gebeden hebben: Sub tuum praesidium confugimus, Sancta
Dei Genitrix... Onder uw beschutting en bescherming bidden wij smekend tot u, o
heilige Moeder Gods. Versmaad ons gebed niet in onze nood, maar bevrijd ons van
elk gevaar, glorievolle en gezegende Maagd.
-1. Vgl. A.G. Hamman, La vida
cotidiana de los primeros cristianos, Palabra, 2e ed., Madrid 1986, bl. 108. -2. Vgl. Tertullianus, Sobre la idolatría, 20. -3. H. Justinus, Apologia, II,10. -4. Vgl. D. Ramos, El
testimonio de los primeros cristianos, Rialp, Madrid 1969, bl. 32. -5. Mt 10,24. -6. J. Orlandis, La vocación cristiana del
hombre de hoy, Rialp, 3e ed.,
Madrid 1973, bl. 48. -7. Vgl. Joh 13,34. -8. H. Jozefmaria Escrivá, Vrienden
van God, 172. -9. Tertullianus, Apologeticum, 39. -10. Vgl. Didaché, I,1-2. -11. Vgl. Rom 12,21. -12. Vgl. Johannes Paulus i, Angelustoespraak 24-IX-1978. -13. A.G. Hamman, Oraciones
de los primeros cristianos,
Rialp, Madrid 1956, 107 en noot 60.