25 april. Feest
30. HEILIGE MARCUS, EVANGELIST
Hoewel zijn
naam Romeins klinkt, was Marcus Jood van geboorte en ook bekend onder de Hebreeuwse
naam Johannes. Hoogstwaarschijnlijk heeft hij Jezus Christus gekend, ofschoon
hij niet tot de twaalf apostelen behoorde. Vele kerkelijke schrijvers zien in
de episode van de jongeman die zijn kleed in de steek liet en wegvluchtte op
het moment waarop Jezus in de hof van Getsemani gevangengenomen werd, een soort
verhulde handtekening van Marcus zelf onder zijn evangelie, want hij is de
enige die dit vertelt. Dit gegeven wordt versterkt door het feit, dat Marcus de
zoon was van Maria, klaarblijkelijk een weduwe in goede doen, in wier woning de
eerste christenen van Jeruzalem samenkwamen. Volgens een oude traditie was dit
hetzelfde huis als dat van het Cenakel, waar de Heer het Laatste Avondmaal
vierde en de heilige eucharistie instelde.
Marcus was de
neef van de heilige Barnabas, en hij vergezelde sint Paulus op diens eerste
apostolische reis en hij was bij hem in het uur van zijn dood. In Rome was hij
eveneens leerling van sint Petrus. In zijn evangelie zette hij getrouw, onder
ingeving van de Heilige Geest, het onderricht van de prins der apostelen
uiteen. Volgens een oude traditie die door de heilige Hiëronymus werd opgenomen,
begaf sint Marcus zich -na de marteling van Petrus en Paulus- naar Alexandrië;
de Kerk aldaar erkent hem als haar bekeerder en eerste bisschop. Vanuit
Alexandrië werden in 825 zijn stoffelijke resten overgebracht naar Venetië,
waar hij als beschermheilige vereerd wordt.
-Medewerker van Petrus. -Steeds weer opnieuw
beginnen om goede instrumenten van de Heer te worden. -De apostolische
opdracht.
30.1 Reeds op jonge leeftijd behoorde sint Marcus tot de eerste christenen van Jeruzalem die in de
nabijheid van de Maagd Maria en de
apostelen verkeerden. Hij kende hen zeer goed, want Marcus' moeder was een van
de eerste vrouwen die Jezus en de Twaalf met haar goederen hielp. Marcus
was bovendien een neef van Barnabas, een van
de grote figuren van het eerste uur, die hem inwijdde in de taak van de verbreiding van het evangelie. Hij vergezelde
Paulus en Barnabas op de eerste
apostolische reis1; toen zij echter op Cyprus kwamen, verliet Marcus hen en keerde naar
Jeruzalem terug2, wellicht omdat hij zich nog
niet sterk genoeg voelde verder te gaan. Paulus was zeer ontstemd over
dit gebrek aan standvastigheid, zozeer zelfs, dat Paulus zich bij de planning
van de tweede reis verzette tegen het voorstel van Barnabas om hem weer mee te
nemen, juist omdat hij hen bij de voorafgaande reis in de steek gelaten had.
Het geschil liep zo hoog op, dat de expeditie vanwege Marcus zich in tweeën
splitste en Paulus en Barnabas uit elkaar gingen en ieder zijn eigen reis
volbracht.
Ongeveer tien jaar later bevindt Marcus zich te
Rome, waar hij toen Petrus hielp; deze noemde hem mijn zoon3,
waarmee hij een hechte, oude en innige relatie aangaf. Marcus vervult er de rol
van tolk van de prins der apostelen, een buitengewone omstandigheid die haar
weerslag vindt in zijn evangelie, dat hij enige jaren later schreef. Ofschoon
Marcus enkele van de grote toespraken van de Meester niet opneemt, heeft hij
ons, ter compensatie, een zeer levendige
beschrijving nagelaten van de diverse episoden uit het leven van Jezus en zijn
apostelen. In zijn verhalen kunnen we de stadjes aan de oever van het
meer van Genesaret naderen, het kabaal horen van de mensen daar die Jezus
volgen, bijna een gesprek voeren met sommige inwoners, de wonderdaden van
Christus aanschouwen, de spontane reacties van de Twaalf...; kortom, het
evangelieverhaal beleven alsof wij ook een van de deelnemers aan die episoden
waren. Door zulke levendige verhalen slaagt de evangelist erin in ons hart de
overrompelende, maar tegelijk ook kalme aantrekkingskracht van Jezus te leggen,
iets van datgene dat ook de apostelen zelf voelden in hun omgang met de
Meester. Sint Marcus levert ons inderdaad datgene over wat sint Petrus
uiteenzette, met een diepe ontroering die niet verdwijnt in de loop der jaren, maar steeds dieper en bewuster,
indringender en inniger wordt. Men kan stellen, dat de boodschap van
Marcus de levende spiegel is van de prediking van sint Petrus.4
De heilige Hiëronymus zegt ons, dat «Marcus,
leerling en tolk van Petrus, zijn evangelie op schrift heeft gesteld op verzoek van de broeders die te Rome woonden,
overeenkomstig de prediking die hij van Petrus had gehoord. En Petrus
zelf keurde het goed, nadat hij het gehoord had, en verleende met zijn gezag
toestemming om het in de Kerk voor te lezen.»5
Ongetwijfeld was dit zijn voornaamste levensopdracht:
het onderricht van Petrus getrouw over te dragen. Wat heeft Marcus veel goed gedaan door de eeuwen heen!
Wat mogen wij vandaag de dag dankbaar zijn voor de liefde die hij in zijn werk gelegd heeft en voor zijn trouw volgen van de ingeving van de Heilige Geest! Ook
het feest dat wij vieren is een goede
gelegenheid om na te gaan welke aandacht, welke liefde wij schenken aan
de dagelijkse lezing van het heilig evangelie, dat immers Gods woord is dat uitdrukkelijk tot ieder van ons is gericht:
hoe vaak zijn wij niet de verloren zoon geweest, of hebben we gebruik gemaakt van het gebed van de blinde Bartimeüs -Domine, ut videam!, Heer, dat ik
moge zien!- of van dat van de melaatse -Domine, si vis, potes me mundare!-, Heer, als
Gij wilt, kunt Gij mij reinigen...! Hoe vaak hebben wij niet in het diepst van
onze ziel gevoeld, dat Christus ons aankeek en ons uitnodigde Hem meer van nabij te volgen, te breken met een
gewoonte die ons van Hem verwijderde, meer de liefde te beleven, als
zijn leerlingen, jegens diegenen, bij wie ons dat wat meer moeite kostte...!
30.2 Marcus verbleef verscheidene jaren in Rome. Naast het dienen van
Petrus zien wij hem als medewerker van Paulus
in diens taak.6 Degene die hem niet wilde meenemen
op de tweede apostolische reis, dient hij nu tot diepe troost7 en is hij uiterst trouw. Nog later, rond
het jaar 66, vraagt de apostel Timoteüs samen met Marcus te komen, want die kan hij heel goed gebruiken voor
het werk van het evangelie.8
Het voorval op Cyprus, dat in die eerste ogenblikken zulk een grote uitwerking
had, is reeds volkomen vergeten. Meer nog, Paulus en Marcus zijn vrienden en
medewerkers in datgene dat waarlijk het belangrijkste is, de verbreiding van
het Rijk van Christus. Welk een voorbeeld voor ons om nooit of te nimmer
definitieve oordelen over mensen te vellen! Welk een les om te weten, dat we zo
nodig een vriendschap dienen te herstellen die voor altijd verbroken leek te
zijn!
De Kerk stelt ons vandaag Marcus tot voorbeeld.
En voor velen van ons kan het een grote troost en reden tot hoop zijn het leven van deze heilige evangelist te
beschouwen, want ondanks onze eigen zwakheden mogen wij, zoals hij,
vertrouwen op de goddelijke genade en de zorg van onze moeder de Kerk.
Nederlagen, lafhartigheden, groot of klein, moeten dienen om ons nederiger te
maken, om ons meer met Jezus te verenigen en uit Hem de kracht te putten die
wij niet bezitten.
Onze onvolmaaktheden moeten ons niet van God en
van onze apostolische zending verwijderen, ook al zien we op een gegeven
ogenblik, dat we niet helemaal aan de genade
van de Heer beantwoord hebben of dat we wellicht verslapt zijn, wanneer
de anderen juist krachtdadigheid verwachtten... In deze en andere omstandigheden,
wanneer die zich voordoen, hoeven we ons niet te verbazen, «want het is helemaal niets verwonderlijks, dat ziekte
ziek is, zwakheid zwak en ellende ellendig. Niettemin
-zo raadt de heilige Franciscus van Sales aan-, veracht met alle kracht de
belediging die ge God hebt aangedaan en vervolg, met moed en vertrouwen op zijn
barmhartigheid, de weg van de deugd die ge verlaten had.»9
Nederlagen en lafhartigheden hebben hun
betekenis, want daardoor keren we ons tot de Heer en vragen we Hem om vergeving
en hulp. Maar juist omdat God op ons vertrouwt, moeten we zo spoedig mogelijk
opnieuw beginnen en ons voornemen trouwer te zijn, omdat we op een nieuwe
genade rekenen. En bij de Heer zullen we leren de vruchten te plukken van onze
eigen zwakheden, juist wanneer de vijand, die nooit vermoeid raakt, ons wilde
ontmoedigen en dat wij, mismoedig de strijd zouden opgeven. Jezus wil dat wij
van Hem zijn, ondanks een mogelijk verleden met zwakheden.
30.3 Gaat uit over de hele wereld en verkondigt het evangelie aan heel de schepping10, zo lezen we
vandaag in de introïtus. Dit is de apostolische opdracht die Marcus op zich
heeft genomen. En later legt de evangelist, gedreven door de Heilige Geest,
getuigenis ervan af, dat deze opdracht van
Christus reeds bezig was in vervulling te gaan op het moment waarop hij zijn
evangelie schrijft: de apostelen trokken uit om overal te prediken, en de Heer werkte met hen
mee en schonk kracht aan hun woord door de tekenen die het vergezelden.11 Dit zijn de slotwoorden van zijn
evangelie.
Sint Marcus was trouw aan de opdracht, waarover
hij zo vaak Petrus zou horen prediken: Gaat uit over de hele wereld... Hij zelf was,
persoonlijk en door zijn evangelie, daadwerkelijk zuurdesem in zijn tijd, zoals
ook wij dat moeten zijn. Indien hij op zijn eerste nederlaag niet met
nederigheid en kracht had gereageerd, zouden wij thans wellicht niet de schat
bezitten van de woorden en daden van Jezus, die wij zo vaak hebben overwogen,
en vele mannen en vrouwen zouden nooit via hem vernomen hebben, dat Jezus de
Redder van de mensheid en van ieder schepsel is.
De zending van Marcus, zoals die van de
apostelen, de evangelieverkondigers van alle
tijden, en die van de christen die consequent zijn roeping volgt, zal
niet gemakkelijk blijken, zoals zijn martelaarschap bewijst. Zij zal vol van
vreugde zijn, maar ook van onbegrip, vermoeidheid en gevaren, geheel in het
voetspoor van de Heer.
Dank zij God en ook dank zij de generatie die
met de apostelen leefde, is de kracht en de vreugde van Christus tot ons
gekomen. Maar elke generatie christenen, ieder mens moet deze prediking van het
evangelie ontvangen en op zijn beurt doorgeven. De genade van de Heer zal nooit
ontbreken: non est abbreviata
manus Domini12, de macht van God
is niet verminderd. «De christen weet dat God wonderen verricht; dat Hij ze
eeuwen geleden verricht heeft, dat Hij ze later is blijven verrichten en ze
thans nog verricht.»13 Wij als christenen zullen
ieder met de hulp van de Heer deze wonderen verrichten in de ziel van onze
verwanten, vrienden en bekenden, als wij met Christus verenigd blijven door het
gebed.
-1. Vgl. Hnd
13,5-13. -2. Vgl. Hnd
13,13. -3. 1 Pe 5,13.
-4. Vgl. The Navarre Bible,
Introduction to St Mark. -7. H. Hiëronymus, De script. eccl. -6. Vgl. Philem 24. -7. Kol 4,10-11. -8. 2 Tim 4,11. -9. H. Franciscus van Sales, Inleiding tot het devote leven, 3,9. -10. Introïtus, Mc 16,15. -11. Mc 16,20. -12. Jes 59,1. -13. H. Jozefmaria Escrivá, Als
Christus nu langs komt, 50.