22 juli. Gedachtenis
5. Heilige Maria Magdalena
Zij was afkomstig van Magdala, een stadje in Galilea ten
noordwesten van het Meer van Tiberias. Zij maakte deel uit van de groep vrouwen
die Jezus volgde, en die met hun bezittingen voor Hem zorgden. Zij was aanwezig
op Calvarië en in de vroege ochtend van Pasen had zij het voorrecht om na de Maagd
als eerste de verrezen Verlosser te zien; zij herkende Hem, toen Hij haar bij
haar naam noemde. De verering van Maria Magdalena breidde zich gedurende de
Middeleeuwen aanzienlijk uit in de Kerk van het Westen. Waarschijnlijk is zij
niet dezelfde vrouw, die een albasten kruik over Jezus' voeten uitgoot ten
huize van Simon de farizeeër.
-Zij leert ons Jezus in alle omstandigheden te zoeken. -Zij
herkent Jezus, wanneer Hij haar bij haar naam noemt. Haar vreugde tegenover de
verrezen Christus. -Zij wordt door de Heer naar de apostelen gezonden. De
vreugde van elk apostolaat.
5.1 God, mijn
God, naar U blijf ik zoeken, mijn ziel dorst van verlangen naar U; al wat ik
ben smacht naar U, in een troosteloos dor land zonder water1, zo lezen wij in de tussenzang van de heilige mis.
Na twintig eeuwen blijven de fijngevoeligheid, de trouw en de
liefde van Maria Magdalena jegens Jezus nog steeds ontroerend. De heilige
Johannes verhaalt ons in het evangelie van de heilige mis2 hoe deze vrouw zich naar het graf begaf, zodra de
sabbatsrust dat toestond, toen het nog donker was,
op zoek naar het dode lichaam van haar Heer. Hij had haar van de duivel bevrijd3 en de genade droeg vrucht in haar hart, zij volgde
de Meester trouw op enkele van zijn apostolische reizen en diende Hem
edelmoedig met haar bezittingen. Tijdens de verschrikkelijke ogenblikken van de
kruisiging stond zij op Calvarië4, dicht bij Hem
die haar van haar kwalen had genezen. Meer nog, toen Jezus in het graf gelegd
werd, bleef zij in de buurt en hield de wake bij Hem, zoals wij misschien
gedaan hebben bij het lichaam van een dierbare medemens. De heilige Matteüs
vermeldt het als volgt: Maria Magdalena en de andere Maria
waren erbij en zaten tegenover het graf.5
Toen de sabbat voorbij was, bij het
aanbreken van de eerste dag van de week6,
begaf zij zich met andere vrome vrouwen naar de plaats waar zich het lichaam
van Jezus bevond om het te gaan balsemen. Maar de Heer is er niet meer: Hij is
verrezen! Ze ziet hoe de steen is weggerold en het graf leeg is; toen liep zij snel naar Simon Petrus en de andere, de door Jezus
beminde leerling, en zei tot hen: Ze hebben de Heer uit het graf genomen en wij
weten niet waar ze Hem hebben neergelegd.7
Petrus en Johannes spoedden zich naar het lege graf. De heilige Johannes vertelt
ons, dat dàt het beslissende moment in zijn leven was: hij
zag en geloofde.8 Beide apostelen keerden weer naar huis terug9,
maar Maria bleef daar, huilend omdat het lichaam van de Meester er niet meer
was. Met een niet te definiëren droefheid, zonder nog in de verrijzenis te
geloven, houdt zij stand, wil zij zich niet verwijderen van de plaats waar zij
voor de laatste maal het beminnelijke lichaam van de Meester had gezien.
Wij overwegen vandaag «de intense liefde die in het hart van
die vrouw brandde: zij ging niet van het graf weg, ofschoon de leerlingen wel
waren heengegaan. Zij zocht Hem die zij niet had gevonden, zij zocht Hem onder
tranen en, ontstoken in het vuur van zijn liefde, brandde zij van verlangen
naar Hem van wie zij dacht, dat ze Hem hadden weggenomen. Daarom zou zij Hem
toen als enige zien, omdat zij Hem was blijven zoeken, want goede werken
verkrijgen juist hun kracht door erin te volharden.»10
Laten ook wij Jezus altijd zoeken; ook op momenten dat, als de Heer dat
toelaat, wanhoop of duisternis in de ziel doordringen. Laten wij nooit
vergeten, dat Hij ons altijd zeer nabij is in het leven, ook al zien wij Hem
niet. Hij is altijd nabij, want, zoals de apostel zegt: «Dominus
prope est! - de Heer volgt mij van nabij. Ik zal daarom met Hem
wandelen, heel veilig, want de Heer is mijn Vader..., en met zijn hulp zal ik
zijn beminnelijke wil doen, ook al kost het mij moeite.»11
5.2 Omdat zij Hem volhardend
bleef zoeken en vanwege haar grote liefde ontving Maria Magdalena de gave om de
eerste te zijn aan wie Jezus verscheen.12
Aanvankelijk herkende Maria Jezus niet, ofschoon Hij naast haar stond. De
heilige Johannes zegt ons, dat zij zich omkeerde en
Jezus zag staan, maar zonder te weten dat het Jezus was.13 Hoewel Hij met haar sprak, besefte zij niet dat het
Christus was -levend!- die naast haar stond. Vrouw
-sprak de Heer tot haar-, waarom schreit ge? Wie zoekt ge?14 Door haar tranen kon zij de Meester niet zien. Wij
vermoeden, dat Hij glimlachte en blij was haar te ontmoeten, zoals wanneer Hij
zich tot ons richt, die Hem onophoudelijk zoeken, want Hij is dezelfde, toen en
nu. In de mening dat het de tuinman was, vroeg zij: Heer,
mocht gij Hem hebben weggebracht, zeg mij dan waar ge Hem hebt neergelegd,
zodat ik Hem kan weghalen.15 Toen noemde
Jezus haar bij haar naam, met de toonzetting die Hem eigen was en die Hij
altijd bezigde, als Hij zich tot haar wendde. Daarop zei
Jezus tot haar: Maria!16 Alle donkere
wolken die zich drie dagen lang in haar hart hadden samengepakt, verdwenen in
één keer. «Hoeveel inwendige pijnen, hoeveel geesteskwellingen, veroorzaakt
door een grote liefde en waarvoor geen troost leek te bestaan, zijn als schuim
verdwenen door één enkel woord van Jezus!»17
Heel vaak! En als een ontembare rivier, alsof alles een nachtmerrie was
geweest, kijkt Maria Hem aan en zegt tot Hem: Rabboeni!
Meester!18 De heilige Johannes heeft ons, als
ware het een onvertaalbare werkelijkheid, de Hebreeuwse, vertrouwelijke term
willen nalaten, waarmee hij Hem zo dikwijls heeft genoemd.
«Men zocht Hem als dode -tekent de heilige Augustinus aan-,
en Hij vertoont zich als levende. Hoezo levend? Hij noemt haar bij haar naam: Maria, en zij antwoordt aanstonds, toen zij nauwelijks
haar naam gehoord had: Rabboeni. De tuinman had
kunnen zeggen: 'Wie zoekt ge? Waarom schreit ge?'; Maria,
daarentegen, dàt kon alleen Christus zeggen. Zij werd bij haar naam genoemd
door dezelfde die haar tot het Rijk der Hemelen had geroepen. Hij sprak de naam
uit die Hij in zijn boek geschreven had: Maria. En
zij: Rabboeni, wat 'leraar' betekent. Zij had Hem
reeds herkend die haar verlichtte opdat zij Hem kon herkennen; zij zag reeds
Christus in degene die zij eerst voor een tuinman had aangezien. En de Heer zei
tot haar: Houd Mij niet vast, want Ik ben nog niet
opgestegen naar mijn Vader (Joh 20,17).»19
Wat zullen onze smarten verdwijnen, wanneer wij Jezus ontdekken:
levend, verheerlijkt, naast ons en ons roepend bij onze naam! Welk een vreugde
Hem zo nabij te ontmoeten, zo vertrouwd, Hem te mogen noemen op onze eigen
toon, die Hij zo goed kent! Ons gebed is ons diepste geluk. En tevens de steun
waarop heel het leven rust. Laten we Hem altijd zoeken, ook als we Hem eens
niet zien; als we volharden, zal Hij ons tegemoet komen en ons bij onze
vertrouwde naam noemen, en we zullen de vrede en vreugde herkrijgen, als we die
hadden verloren. Eén woord van Jezus geeft ons de vreugde en het verlangen om opnieuw
te beginnen weer terug. Laten we nooit ofte nimmer vergeten, dat «de triomfdag
van de Heer, de dag van zijn verrijzenis, definitief is. Waar zijn de soldaten
die de overheid als wachters had geplaatst? Waar zijn de zegels die zij op de
grafsteen hadden aangebracht? Waar zijn degenen die de Meester veroordeeld hadden?
Waar zijn zij die Jezus gekruisigd hadden...? Ten overstaan van zijn overwinning,
slaan die armzaligen massaal op de vlucht. -Vervul je van hoop: Jezus Christus
overwint altijd.»20 Hij overwint ook in ons
leven, Hij zegeviert over die gebreken en zwakheden die muurvast zouden kunnen
lijken.
5.3 Na Maria getroost te hebben,
geeft Jezus haar een boodschap mee voor de apostelen die Hij heel innig broeders noemt. En Maria Magdalena
ging aan de leerlingen berichten dat zij de Heer gezien had, en
vervolgens vertelde zij hun alles wat er gebeurd was.21
Wij kunnen ons de blijdschap voorstellen waarmee Maria die woorden zal hebben
uitgesproken: Ik heb de Heer gezien! Het is de
vreugde en blijdschap van elk apostolaat waarin wij aan de anderen, op duizend
en één verschillende manieren, aankondigen dat Jezus leeft. En de heilige
Thomas van Aquino leert: «Met deze vrouw, die het meest bezorgd was om het graf
van Christus te herkennen, wordt iedereen aangeduid die de goddelijke waarheid
verlangt te kennen en derhalve waardig is aan anderen de kennis van zulk een
genade te verkondigen, zoals Maria die aan de leerlingen verkondigde, opdat zij
niet ervan beschuldigd kon worden het talent te hebben verborgen». En de
heilige kerkleraar leert: «Met deze vrouw, die het meest bezorgd was om het
graf van Christus te herkennen, wordt iedereen aangeduid die de goddelijke
waarheid verlangt te kennen en derhalve waardig is aan anderen de kennis van
zulk een genade te verkondigen, zoals Maria die aan de leerlingen verkondigde,
opdat zij niet ervan beschuldigd kon worden het talent te hebben verborgen». En
de heilige kerkleraar besluit: «Deze vreugde is u niet verleend om ze in het
binnenste van uw hart te verbergen, maar om ze bekend te maken aan hen die
liefhebben»22, om ze naar de vier windstreken te
verbreiden. Wie Christus in zijn leven ontmoet, ontmoet Hem voor allen. Het bericht
van de verrijzenis verbreidde zich als een lopend vuur in de eerste eeuwen; de
christenen waren zich ervan bewust de dragers te zijn van de Blijde Boodschap, de vreugdevolle leerlingen van Hem die
voor allen gestorven en op de derde dag verrezen was, zoals
Hij had voorzegd. Zij vormden een gelukkig volk te midden van een droeve
wereld; en hun vreugde, net zoals de onze, kwam voort uit het feit, dat zij de
levende Christus nabij waren. Apostolaat is altijd het overbrengen van een
blijde boodschap, de meest vreugdevolle van alle.
Vandaag bidden wij tot de heilige Maria Magdalena, dat zij
voor ons van de Heer haar liefde en haar volharding om Hem te zoeken verkrijgt.
Dat Hij, aangezien Hij aan haar, vóór alle anderen, de vreugdevolle boodschap van de verrijzenis heeft toevertrouwd,
ook aan ons de vreugde mag verlenen evenals zij te getuigen
dat Christus leeft, en Hem eens te mogen zien in uw heerlijkheid.23 Daar zullen wij ook de heilige Maria aanschouwen,
de Moeder van God en onze Moeder, die nooit van onze zijde is geweken. En wij
zullen met bijzondere vreugde al degenen zien, aan wie wij, zo vaak door middel
van vriendschap, verkondigen, dat de verrezen Christus onder ons blijft.
-1. Tussenzang. Ps 62,2. -2. Joh 20,1-2;11-18. -3. Lc 8,2.
-4. Vgl. Mt 27,56. -5. Mt
27,61. -6. Vgl. Mt 28,1. -7. Joh
20,2. -8. Vgl. Joh 20,8. -9. Joh
20,10. -10. Getijdengebed, tweede
lezing. H. Gregorius de Grote, Homilieën over de Evangelies, 25,1-2. -11. Vgl. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 53. -12. Mc 16,9. -13.
Joh 20,14. -14. Joh
20,15. -15. Joh 20,15. -16. Joh
20,16. -17. M.J. Indart, Jesús
en su mundo, Herder, Barcelona 1963, bl. 124. -18. Joh
20,16. -19. H. Augustinus, Preek
246, 3-4. -20. H.
Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 660. -21. Vgl.
Joh 20,18. -22. H. Thomas van
Aquino, in Catena Aurea, vol. VIII,
bl. 400. -23. Vgl. Collectegebed van de mis.