1. HEILIGE MARIA, MOEDER VAN GOD
1 januari. Hoogfeest
Met dit hoogfeest van de heilige Maagd
Maria wordt het octaaf van Kerstmis afgesloten. Maria werd reeds vanaf het
begin van de Kerk als Moeder van God vereerd, maar de feestdag werd pas ingesteld
sinds de dogmatische afkondiging van deze geloofswaarheid in de vierde eeuw. In
1931 bepaalde Pius xi, dat het feest in heel de Kerk gevierd zou worden op 11 oktober.
Paulus vi verplaatste het echter naar een dag die dichter bij Kerstmis ligt, en
wel naar de dag van het octaaf die samenvalt met het begin van het jaar. Het
gebed na de communie is genomen uit een zeer oud liturgisch gebed, dat teruggaat
tot de zevende eeuw en dat prachtig werd gewijzigd: Maria wordt erin
aangeroepen als Moeder van de Kerk. Het is voor de eerste keer, dat deze titel
van Maria in de liturgie voorkomt.
Wanneer wij de heilige Maagd Maria als
Moeder van God vereren, roepen wij haar tegelijkertijd ook tot onze Moeder uit.
Zij zorgt met moederlijke toewijding voor haar kinderen, vooral wanneer dezen
in nood verkeren.
-God heeft zijn Moeder uitverkoren en haar met
alle gaven en genaden overladen. -Maria en de Heilige Drieëenheid. -Onze
Moeder.
1.1 Toen de
volheid van de tijd gekomen was, heeft God zijn Zoon gezonden, geboren uit een
vrouw...1, zo lezen wij in de tweede lezing van de heilige mis.
Slechts enkele dagen geleden hebben we
overwogen hoe Jezus in alle eenvoud in een stal te Betlehem werd geboren. We
zagen Hem, als een klein en weerloos kind, in de armen van zijn Moeder, die Hem
ons toonde om Hem, vol vertrouwen en eerbied, te aanbidden als onze Verlosser
en Heer. God had rekening gehouden met alle omstandigheden rond zijn geboorte:
het bevel van keizer Augustus, de volkstelling, de armoede in Betlehem... Maar
vooral had Hij voorzien in de Moeder die Hem ter wereld zou brengen. Deze Vrouw, die herhaalde malen
in de heilige Schrift vermeld wordt, was hiertoe vanaf alle eeuwigheid
voorbestemd. Geen enkel scheppingswerk heeft God met grotere zorgvuldigheid,
liefde en wijsheid gekoesterd dan haar die, met haar vrijwillige instemming,
zijn Moeder zou zijn.
Onze Lieve Vrouw werd al in het begin
aangekondigd als overwinnares van de slang, het symbool van het binnentreden
van het kwaad in de wereld2, als de Maagd die de
Emmanuel, de God met ons3, ter wereld zou brengen; zij was voorafgebeeld in de
ark van het verbond,
in het gouden huis,
door de ivoren toren...
Vóór alle eeuwen koos God haar uit onder alle vrouwen; Hij beminde haar meer
dan alle andere schepselen te zamen, zo zeer dat Hij in haar, op unieke wijze,
al zijn welbehagen legde, haar overlaadde met alle genaden en gaven, méér dan
de engelen en heiligen, haar behoedde voor elke zondesmet of onvolmaaktheid,
zodat niemand een schoner en heiliger kind kon ontvangen dan zij die
uitverkoren was om Moeder van de Verlosser te worden.4
Terecht hebben theologen en heiligen gezegd, dat God een grotere wereld kan
scheppen, maar geen moeder die volmaakter is dan zijn Moeder.5 De heilige Bernardus zegt het aldus: «Waarom zouden
wij ons erover verbazen als God, wiens wonderwerken wij in de Schrift en onder
de heiligen aanschouwen, zich nog wonderbaarlijker heeft willen tonen in zijn
Moeder?»6
Het goddelijk moederschap van Maria -zo leert
ons sint Thomas van Aquino7- overstijgt alle genaden of goddelijke gaven,
zoals de gave van de profetie, de gave der talen,
om wonderen te verrichten... «De almachtige, alwetende God moest zijn
Moeder uitverkiezen.
»Wat zou u gedaan
hebben, als u haar had moeten uitkiezen? Ik denk dat u en
ik onze eigen moeder hadden gekozen en haar hadden vervuld van alle genaden. Zo
heeft God ook gedaan. Daarom komt Maria direct na de Heilige Drieëenheid.
»De theologen beredeneren op logische wijze
deze opeenstapeling van genaden, dit niet
onderworpen kunnen zijn aan de duivel: het was passend, God kon het doen
en dus deed Hij het. Dat is het grote bewijs. Het duidelijkste bewijs, dat God
zijn Moeder met alle voorrechten omringde, vanaf het eerste moment. En zo is
zij: stralend, en zuiver, en schoon in ziel en lichaam!»8 Wanneer wij thans naar Onze Lieve Vrouw, de Moeder
van God, kijken, die ons haar Zoon op haar armen toont, past het ons de Heer
dank te brengen, want «een van de grootste genadegaven die God ons -naast onze
schepping en verlossing- geschonken heeft, was het feit dat Hij een Moeder
wilde hebben. Door haar tot zijn moeder te nemen heeft Hij ons haar als onze
moeder gegeven.»9
1.2 Sint Thomas van Aquino leert ons, dat Maria «de enige is die met God de Vader tot haar goddelijke Zoon kan zeggen: Gij zijt
mijn Zoon.»10 Onze Lieve Vrouw -zo schrijft de
heilige Bernardus- «noemt Gods Zoon, de Heer der engelen, haar Zoon, wanneer
zij Hem op volkomen natuurlijke wijze vraagt: Kind, waarom hebt Ge ons dit aangedaan? (Lc 2,48). Welke engel zou het wagen zoiets te zeggen [...]? Maar Maria, zich
ervan bewust dat zij zijn Moeder is, noemt Hem heel vertrouwelijk 'haar zoon',
Hij die de opperste majesteit is voor wie de engelen neerknielen. En God is
niet beledigd, dat Hij genoemd wordt zoals Hij wilde zijn.»11 Hij is waarlijk de Zoon van Maria.
In Christus onderscheidt zich het eeuwig
ontstaan -zijn goddelijke natuur, het voorafgaand bestaan van het Woord- van
zijn geboorte in de tijd. Als God werd Hij geboren, niet geschapen, op
geheimvolle wijze door de Vader 'ab aeterno', van eeuwigheid; als mens werd Hij
geboren, 'geschapen', uit de heilige Maagd Maria. Toen de volheid van de tijden
was gekomen, nam de eniggeboren Zoon van God, de tweede persoon van de
Allerheiligste Drieëenheid, de menselijke
natuur aan, d.w.z. de met rede begaafde ziel en het lichaam, gevormd in
de allerzuiverste schoot van Maria. De menselijke natuur (ziel en lichaam) en de goddelijke natuur verenigden zich in de ene
Persoon van het Woord. Vanaf dat ogenblik, toen zij haar 'fiat' gaf aan Gods verlangen, werd Onze
Lieve Vrouw de Moeder van Gods mensgeworden Zoon, want «zoals alle
moeders, in wier schoot ons lichaam -maar niet de met rede begaafde ziel-
wordt ontvangen, moeders genoemd worden en ook daadwerkelijk moeders zijn, zo
is ook Maria, door de eenheid van de persoon van haar Zoon, waarlijk de Moeder
van God.»12
In de hemel aanschouwen de engelen en heiligen
met verwondering de allerhoogste graad van heerlijkheid van Maria; zij weten
zeer wel, dat deze waardigheid haar ten deel valt, omdat zij de Moeder van God,
Mater Creatoris, Mater Salvatoris3 was en voor altijd zal zijn. Daarom is de eerste
eretitel die in de litanieën aan Onze Lieve Vrouw wordt verleend die van Sancta Dei Genitrix; dan
volgen de titels die bij het goddelijk moederschap horen: heilige Maagd der maagden, Moeder van de goddelijke genade,
allerreinste Moeder, zeer kuise Moeder...
Aangezien Maria waarlijk de Moeder is van de mensgeworden Zoon van God, staat zij in een
uiterst hechte verhouding tot de Heilige Drieëenheid. Zij is de 'Dochter
van de Vader', zoals de kerkvaders en het leergezag, vroeger en nu, haar noemden.14
Met de Zoon heeft de heilige Maagd een strikte band van
bloedverwantschap, «waardoor zij een natuurlijke macht en overwicht op Jezus
heeft... En Jezus sluit met Maria de verplichtingen van rechtvaardigheid die kinderen
ten opzichte van hun ouders hebben.»15 Ten aanzien van de Heilige Geest is Maria,
in het denken van de kerkvaders, 'Tempel en
Heiligdom', een zegswijze die ook paus Johannes Paulus ii overneemt.16
Zij is «het meesterwerk van de Drieëenheid.»17
Dit 'meesterwerk' is niet iets bijkomstigs in
ons leven. «Zij is niet alleen maar iemand die door God met zoveel gaven is
versierd, opdat wij haar vol bewondering aanschouwen. Dit meesterwerk van de
Drieëenheid is de Moeder van God, de Redder, en daarom ook mijn Moeder, van
mij, armzalig mensenwezen, van iedere sterveling.»18
'Lieve Moeder!' zeggen wij zo vaak tot haar!
Vandaag richten wij tot haar onze gedachten,
vol vreugde en lofprijzing..., en vol van een heilige trots. «Hoe prettig vinden
de mensen het, herinnerd te worden aan hun verwantschap met vooraanstaande
personen uit de schrijverswereld, de politiek, het leger of de Kerk!...
-Zing daarom voor de onbevlekte Maagd: Wees gegroet Maria, Dochter van God de
Vader; Wees gegroet Maria, Moeder van God de Zoon; Wees gegroet Maria, Bruid
van God de Heilige Geest. God alleen is groter dan U!»19
1.3 Salve,
Mater misericordiae, Mater spei et Mater veniae... Wees gegroet, Moeder van barmhartigheid, Moeder van
hoop en vergiffenis, Moeder van God en van genade, Moeder vol van heilige
vreugde20, zo zeggen wij vandaag met een aloude hymne tot onze Moeder in de
hemel.
Met haar moederlijke toewijding blijft Onze
Lieve Vrouw voor haar Zoon zorgen, zoals zij voor Hem hier op aarde heeft
gezorgd. Zij zorgt nu voor ons, want wij zijn ledematen
van het mystieke lichaam van Christus: zij ziet Jezus in iedere
christen, in ieder mens. En als medeverlosseres voelt zij de dringende noodzaak
ons voorgoed in het goddelijk leven op te nemen. Zij zal altijd onze grote steun zijn om moeilijkheden en bekoringen te
overwinnen; zij is onze grote bondgenote in het apostolaat dat wij, als
christenen midden in de wereld, moeten uitoefenen op de plaats waar wij ons bevinden: «Roep de heilige Maagd aan; vraag
haar onophoudelijk, dat zij zich uw Moeder toont: monstra te esse Matrem!, en dat u, met de
genade van haar Zoon, helderheid van de goede leer in uw verstand verkrijgt, en
liefde en zuiverheid in uw hart, opdat u tot God kunt gaan en Hem vele zielen
kunt brengen.»21 Dit schietgebed -monstra te esse Matrem!-
genomen uit de liturgie22, kan ons van nut zijn
om met haar verenigd te zijn, heel bijzonder op deze dag: Lieve Moeder, toon dat gij onze Moeder zijt!...
in deze en gene nood..., voor deze vriend... die nog aarzelt naar uw Zoon te gaan...
Laten wij bij het begin van een nieuw jaar de
gelegenheid benutten om het vaste voornemen te maken dit jaar, dag na dag, te
doorlopen aan de hand van de Maagd. Veiliger kan het niet! Doen we zoals de
apostel Johannes, toen Jezus hem, namens allen, Maria tot zijn Moeder gaf: Vanaf dat moment -zo
schrijft de evangelist- nam de
leerling haar op in zijn huis.23
Hoe liefdevol, hoe teder zou hij haar behandelen! Zo zullen ook wij moeten
doen, elke dag van dit nieuwe jaar, en altijd.
-1. Gal
4,4. -2. Gn 3,15.
-3. Jes 7,14.
-4. Vgl. Pius ix, Bul Ineffabilis Deus,
8-XII-1854. -5. Vgl. H. Bonaventura,
Speculum.
-6. H. Bernardus, Homilieën ter ere van de Moedermaagd,
II, 9.
-7. Vgl. H. Thomas van Aquino,
Summa Theologiae I-II,
q3-5. -8. H. Jozefmaria Escrivá, De
Smidse, 482. -9. Zalige Alonso
de Orozco, Tratado
de las siete palabras de María Santísima, Rialp, Madrid, 1966,
bl. 61. -10. H. Thomas van Aquino, o.c., III, q30, a1. -11. H. Bernardus, o.c.,
1,7. -12. Pius xi, Enc. Lux veritatis,
25-XII-1931. -13. Vgl. R.
Garrigou-Lagrange o.p., De Moeder van de Verlosser. -14. Vgl. Vaticanum ii, Dogm.
const. Lumen gentium, 53.
-15. E. Hugon, Marie, pleine de grâce, gecit. door R. Garrigou-Lagrange o.p., o.c. -16. Johannes Paulus ii, Enc. Redemptoris Mater,
25-III-1987, 9. -17. M.M. Philipon, Les dons du Saint-Esprit.
-18. J. Polo Carrasco, María y la
Santísima Trinidad, Madrid 1987, bl. 56. -19. H.
Jozefmaria Escrivá, De Weg,
496. -20. Getijdenboek,
Hymne in de lezingendienst, in de Opdracht van de H. Maagd Maria in de tempel.
-21. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 986. -22. Hymne
Ave Maris Stella.
-23. Joh
19,27.