16 juli. Gedachtenis
4. Heilige Maria van de Berg Karmel
Dit feest, ingesteld in het jaar 1726, gedenkt de dag
waarop volgens de tradities der Karmelieten, de heilige Simon Stock, de eerste
generale overste van de Orde, een verschijning kreeg van Onze Lieve Vrouw, op
16 juli 1251. Maria beloofde bijzondere zegen voor allen die in de loop der
eeuwen haar scapulier zouden dragen. De Kerk heeft plechtig en herhaaldelijk
deze Mariadevotie, ontstaan in Engeland, goedgekeurd, zodat de pausen aan allen
die het scapulier dragen talrijke geestelijke voorrechten hebben verleend.
Onze Lieve Vrouw van de Berg Karmel is de patrones van de zeelieden. Zij is de
veilige haven, waarin wij onze toevlucht moeten nemen te midden van alle
stormen van het leven.
-De liefde tot de Maagd en het scapulier van de Berg Karmel.
-Bijzondere bijstand en genade van onze Moeder op het ogenblik van onze dood.
-Het scapulier, symbool van het bruidskleed.
4.1 De devotie en verering van de
Maagd van de Berg Karmel gaat terug tot de oorsprong van de Orde der
Karmelieten: de oudste traditie van deze Orde brengt die in verband met die kleine wolk die uit zee opsteeg, zo groot als de palm van een
hand1 en die zichtbaar was vanaf de top
van de Berg Karmel, terwijl de profeet Elia de Heer smeekte een einde te maken
aan een lange periode van droogte. De wolk bedekte spoedig de hemel en bracht
overvloedige regen over het land, dat al zo lange tijd uitgedroogd was. In die
wolk vol weldaden zag men een beeltenis van Maria2,
die als schenkster van de Heiland aan de wereld de draagster was van het
levendmakende water waarnaar heel de mensheid dorstte. Zij brengt ons
voortdurend ontelbare weldaden.
Op 16 juli 1251 verscheen de allerheiligste Maagd aan de heilige
Simon Stock, de generale overste van de Orde der Karmelieten: zij beloofde
bijzondere genade en zegen voor hen die het scapulier zouden dragen. Deze
devotie «stortte over de wereld een waterrijke rivier van geestelijke en
tijdelijke genaden uit.»3 De Kerk heeft deze
verschijning herhaaldelijk goedgekeurd met talrijke geestelijke voorrechten.
Eeuwen lang hebben de christenen zich onder deze bescherming van Onze Lieve
Vrouw gesteld. «Draag op je borst het heilig scapulier van de Berg Karmel. Er
zijn veel uitstekende manieren om Maria te vereren, maar weinige hebben zo diep
wortel geschoten bij de gelovigen, en weinige werden zo vaak door de pausen
gezegend. Hoe moederlijk is bovendien het hieraan verbonden zaterdags privilege!»4
De heilige Maagd beloofde aan hen die tijdens hun leven en
bij hun dood het scapulier droegen -ofwel de gezegende medaille met het Heilig
Hart en de Maagd van de Berg Karmel, die dezelfde rol vervult- de genade om de
'volharding ten einde toe'5 te verkrijgen; dat
wil zeggen, een bijzondere bijstand opdat degenen die niet in staat van genade
verkeren, berouw krijgen in de laatste ogenblikken van hun leven. Aan deze
belofte moet het zogeheten 'zaterdags privilege' worden toegevoegd; dit bestaat
in de bevrijding uit het vagevuur op de zaterdag na de dood6 en vele andere genadegaven en aflaten. Waarlijk
«draagt Maria met moederlijke liefde zorg voor de broeders van haar Zoon die
nog op pelgrimstocht zijn en in gevaren en angsten verkeren, totdat zij het gezegend
vaderland bereiken...»7 Laten wij daarom dagelijks
vele malen tot haar gaan, opdat zij ons mag helpen en beschermen. Juist het
scapulier kan ons dikwijls eraan herinneren, dat wij toebehoren aan onze Moeder
in de hemel en dat zij ons toebehoort, want wij zijn haar kinderen, voor wie
zij zich zozeer heeft ingespannen.
4.2 In deze devotie brengen wij
een bijzondere toewijding aan Onze Lieve Vrouw van onszelf en al het onze tot
uiting, want «in de verschijning van de allerheiligste Maagd en de overhandiging
van het scapulier aan de heilige Simon Stock openbaart de Moeder van God zich
als Vrouwe van de genade; en tegelijk als allerbeminnelijkste Moeder, die haar
kinderen tijdens hun leven en bij de dood beschermt.
»Het christenvolk heeft de Maagd van de Berg Karmel met name
door het heilig scapulier vereerd als de Moeder van God en onze Moeder, die
zich aan ons toont met deze geloofsbrieven: 'Tijdens het leven bescherm ik; bij
de dood help ik; en na de dood red ik'.»8 Zij is
ons leven, onze zoetheid en onze hoop, zoals wij zo
vaak tot haar zeggen bij het bidden van het Salve Regina.
De devotie tot het heilig scapulier van de Berg Karmel toont
ons aan, dat wij zeker kunnen zijn van de moederlijke bijstand van de Maagd.
Zoals men trofeeën en medailles gebruikt om betrekkingen van vriendschap,
herinnering of zege aan te duiden, zo geven wij een innige betekenis aan het
scapulier om ons heel vaak te herinneren aan onze liefde voor de Maagd en aan
haar gezegende bescherming. Zij neemt ons bij de hand en leidt ons, alle dagen
van ons leven hier op aarde, over een veilige weg, zij helpt ons moeilijkheden
en bekoringen te overwinnen: zij laat ons nooit in de steek, «want zij is
gewoon hen te begunstigen die zich onder haar bescherming willen stellen.»9
Eens komt voor ons het uur van onze definitieve ontmoeting
met de Heer. Dan zullen we meer dan ooit haar bescherming en bijstand nodig
hebben. De devotie tot de Maagd van de Berg Karmel en tot haar heilig scapulier
is een onderpand van hoop op de hemel, want de allerheiligste Maagd zet haar
moederlijke bescherming voort tot over de dood heen. Dit voorrecht vervult ons
van troost. «Maria leidt ons naar die eeuwige toekomst; zij doet ons ernaar
verlangen en deze ontdekken; zij schenkt ons haar hoop, haar zekerheid, haar verlangen.
Bemoedigd door zulk een stralende werkelijkheid, met onuitsprekelijke vreugde,
verandert onze nederige en vermoeiende pelgrimstocht op aarde, verlicht door
Maria, in een veilige weg -iter para tutum- naar het
paradijs.»10 Daar zullen wij, met Gods genade,
haar mogen zien.
In 1605 werd kardinaal De Medici tot paus gekozen; hij nam de
naam van Leo xi aan.
Toen men hem bekleedde met de pauselijke gewaden, wilde men hem een groot
scapulier van de Berg Karmel afnemen, dat hij onder zijn kleding droeg. Toen
sprak de paus tot hen die hem hielpen met kleden: «Laat mij Maria houden, opdat
Maria mij niet in de steek laat». Ook wij willen haar niet in de steek laten,
want wij hebben haar ten zeerste nodig. Daarom dragen wij altijd haar
scapulier. En wij zeggen thans tot haar dat wij ons in haar armen leggen,
wanneer ons laatste uur gekomen is. Zo dikwijls hebben wij haar gevraagd voor
ons te bidden nu en in het uur van onze dood, dat
zij dat niet zal vergeten!
Tijdens zijn bezoek aan Santiago de Compostela wenste paus
Johannes Paulus ii allen
toe: «Dat de Maagd van de Berg Karmel [...] u altijd moge vergezellen. Moge zij
de ster zijn die u leidt, die nooit uit uw horizon zal verdwijnen. Dat zij u
tot God moge leiden, naar de veilige haven.»11
Aan haar hand zullen wij voor het aanschijn van haar Zoon treden. En als er in
ons nog iets gezuiverd zou moeten worden, dan zal zij het moment bespoedigen
waarop wij, geheel en al gereinigd, God kunnen zien.
Oudtijds werd de Maagd van de Berg Karmel afgebeeld met aan
haar voeten een groep van zielen in de vlammen van het vagevuur, om haar
bijzondere voorspraak aan te geven in dit oord van loutering.12 «De Maagd is goed voor hen die in het vagevuur verblijven,
want door haar verkrijgen zij verlichting»13,
predikte de heilige Vincentius Ferrer dikwijls. Haar liefde zal ons helpen ons
in dit leven te zuiveren om direct na de dood bij haar Zoon te zijn.
4.3 Het scapulier is ook het
teken van het bruidskleed, de goddelijke genade die de ziel altijd moet kleden.
In een toespraak tot jongeren in een parochie te Rome, gewijd
aan de Maagd van de Berg Karmel, maakte paus Johannes Paulus ii vertrouwelijk gewag van de
bijzondere hulp en bijstand die hij had gekregen van zijn devotie tot de Maagd
van de Berg Karmel. «Ik moet jullie zeggen -legde hij hun uit- dat zij mij
heeft geholpen in mijn jeugdjaren, toen ik nog zo was als jullie nu. Ik zou
niet kunnen zeggen in welke mate, maar ik denk in enorm grote mate. Zij heeft
mij geholpen om de genade te vinden die bij mijn leeftijd hoorde, bij mijn
roeping». En hij voegde eraan toe: de opdracht van de Maagd, die voorafgebeeld
is en «zijn begin heeft op de Berg Karmel, in het Heilige Land, is verbonden
aan een kleed. Dit kleed heet het heilig scapulier. Ik heb in mijn jeugdjaren
veel aan dit scapulier van de Karmel te danken. Dat de moeder altijd bezorgd
is, zich bekommert om de kleren van haar kinderen, dat ze er netjes opstaan,
dat is iets moois». Maar als die kleren stuk gaan, «probeert de moeder de
kleren van haar kinderen te herstellen». «De Maagd van de Karmel, de Moeder van
het heilig scapulier, spreekt ons over deze moederlijke zorg, over haar
bezorgdheid om ons te kleden. Ons te kleden in geestelijke zin. Ons te bekleden
met de genade van God en ons te helpen dit kleed altijd smetteloos te houden».
De paus maakte melding van het witte kleed dat de doopleerlingen uit de eerste
eeuwen droegen, als symbool van de heiligmakende genade die zij bij het doopsel
ontvingen. Daarna spoorde hij hen aan om de ziel altijd rein te houden en
besloot: «Weest ook jullie bezorgd, in samenwerking met de goede Moeder die
zich om jullie kleren bekommert, en heel bijzonder om het kleed van de genade,
dat de ziel van haar zonen en dochters heiligt.»14
Dat kleed waarin wij ooit op het bruiloftsmaal zullen verschijnen.
Het scapulier van de Karmel kan een machtige hulp zijn om
onze Moeder in de hemel nog meer te beminnen, een bijzondere herinnering aan
het feit, dat wij aan haar zijn toegewijd en in ogenblikken van nood, te midden
van bekoringen, op haar hulp kunnen rekenen. Zij is ons zeer nabij en dat stelt
ons in staat sterk te zijn. Met de woorden van het Graduale
voor het feest van vandaag, bidden wij tot Onze Lieve Vrouw: Recordare Virgo Mater... ut loquaris pro nobis bona.
«Herinner U, Maagd en Moeder van God, wanneer gij voor het aanschijn van de
Heer staat, dat gij dan goede dingen over ons tot Hem spreekt»15, ook in die dagen dat wij niet zo trouw geweest
zijn als God van zijn kinderen verwacht.
-1. 1 Kon 18,44. -2. Vgl. Biblia Comentada, BAC, Madrid 1961, in
loc. -3. Pius xii, Toespraak
6-VIII-1950. -4. H. Jozefmaria Escrivá,
De Weg, 500. -5. Vgl. Innocentius iv,
Bul Ex parte dilectorum, 13-I-1252. -6. Vgl. Johannes xxii, Bul Sacratissimo
uti culmine, 3III-1322. -7. Vgl. Vaticanum ii,
Const. Lumen gentium, 62. -8. Kard. Gomá, María Santísima, 2e ed., Barcelona 1947. -9. H. Theresia van
Ávila, Fundaciones, 23,4. -10. Paulus vi, Homilie
15-VIII-1966. -11. Johannes Paulus ii, Toespraak 9XI1982. -12. Vgl. M. Trens, María, Iconografía de la
Virgen en el arte español, Madrid 1946, bl. 378. -13. H. Vicentius Ferrer, Sermón II
sobre la Natividad. -14. Johannes
Paulus ii, Toespraak 15-I-1989.
-13. Graduale Romanum, in loc.,
bl. 580.