29 juli. Gedachtenis
8. HEILIGE MARTA
Marta woonde in Betanië, in de buurt van Jeruzalem, met
haar zuster Maria en haar broer Lazarus. In het laatste gedeelte van zijn
openbare leven nam Jezus regelmatig zijn intrek in hun huis. Hechte vriendschapsbanden
verenigden deze broer en zussen met Jezus.
-Vertrouwen in en liefde voor de Meester. -De allerheiligste
mensheid van Jezus. -De vriendschap met de Heer vergemakkelijkt onze weg.
8.1 Het feest van de heilige
Marta stelt ons in staat om andermaal binnen te treden in het huis te Betanië
dat zo vaak door Jezus' aanwezigheid werd gezegend. Daar, bij de familie die
gevormd werd door die broer en zusters, Marta, Maria en Lazarus, vond de Heer
liefde, evenals een rustplek voor zijn lichaam dat afgemat was door de eindeloze
tochten door dorpen en steden. Jezus zocht een toevluchtsoord bij zijn
vrienden, met name wanneer Hij in de laatste dagen steeds vaker op onbegrip en
verachting stuitte, vooral van de kant van de farizeeën. De gevoelens van de
Meester jegens de broer en zussen in Betanië worden door de heilige Johannes in
zijn evangelie onder woorden gebracht: Jezus hield veel van
Marta, haar zuster en Lazarus.1 Zij waren
vrienden!
Het evangelie van de heilige mis2
vertelt ons van Jezus' aankomst in de woning van deze familie, toen Lazarus
vier dagen tevoren was gestorven. Kort tevoren, toen de toestand van Lazarus
reeds zeer ernstig was, hadden de zussen de Meester deze boodschap, vol van
vertrouwen, gestuurd: Heer, hij die Gij liefhebt, is ziek.3 En Jezus, die zich in Galilea bevond, op
verscheidene dagmarsen afstand, toen Hij hoorde dat hij
ziek was, bleef Hij weliswaar nog twee dagen ter plaatse, maar daarna zei Hij
tot zijn leerlingen: Laat ons weer naar Judea gaan.4 Toen Hij in Betanië aankwam, lag Lazarus al vier
dagen in het graf.
Marta, altijd attent en druk doende, had waarschijnlijk al
vóór Jezus' komst vernomen, dat Hij in aantocht was; zij trok aanstonds uit om
Hem te ontvangen. En ofschoon de Heer ogenschijnlijk niet meteen na haar oproep
was gekomen, bleven haar vertrouwen en haar liefde onverminderd bestaan. Heer -zo zegt Marta tot Hem- als Gij
hier was geweest, zou mijn broer niet gestorven zijn...5 Met uiterste fijngevoeligheid verwijt zij Hem, dat
Hij niet eerder gekomen is. Marta verwachtte de genezing van haar broer, toen
die nog ziek was. En Jezus verrast haar, met een beminnelijk gebaar en wellicht
een glimlach op zijn lippen: Uw broer zal verrijzen.6 Marta neemt deze woorden als een troost aan en denkt
aan de uiteindelijke verrijzenis; daarom antwoordt zij: Ik
weet dat hij zal verrijzen bij de verrijzenis op de laatste dag.7 Deze woorden lokken een wonderbaarlijke verklaring
van Jezus omtrent zijn goddelijkheid uit: Ik ben de
verrijzenis en het leven. Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven,
en ieder die leeft in geloof aan Mij, zal in eeuwigheid niet sterven.8 En Hij vraagt haar: Gelooft gij
dit? Wie zou zich hebben kunnen onttrekken aan het souvereine gezag van
deze verklaring? Ik ben de verrijzenis en het leven!
Ik...! Ik ben de bestaansreden van alles wat bestaat! Jezus is het leven, niet
alleen het leven dat in het hiernamaals begint, maar ook het bovennatuurlijke
leven, dat door de genade wordt bewerkt in de ziel van de mens die zich nog op
weg bevindt. Het zijn buitengewone woorden die ons vervullen van zekerheid, die
ons steeds dichter tot Christus doen naderen en die ervoor zorgen, dat wij het
antwoord van Marta tot het onze maken: Ja Heer, ik geloof
vast dat Gij de Messias zijt, de Zoon Gods, die in de wereld komt.9 Enige ogenblikken later zal de Heer Lazarus uit de
doden opwekken.
Wij bewonderen in Marta haar geloof en wij zouden haar willen
navolgen in haar vertrouwvolle vriendschap met de Meester. «Heb je gezien met
welk een liefde, met welk een vertrouwen deze vrienden met Christus omgingen?
Op heel natuurlijke wijze werpen Lazarus' zussen Hem voor de voeten, dat Hij
afwezig was: wij hebben U toch bericht gestuurd! Als U hier was geweest!...
»Vertrouw Hem langzaam: leer mij met U om te gaan met die
liefde van vriendschap van Marta, Maria en Lazarus; zoals ook de eerste Twaalf
met U omgingen, ook al volgden zij U in het begin misschien wel niet om zo heel
erg bovennatuurlijke redenen.»10
8.2 Een tijdje later, toen het
bijna Pasen was, bezocht Jezus wederom deze vrienden: Hij
kwam te Betanië, waar Lazarus woonde die Hij uit de doden had opgewekt. Men gaf
daar ter ere van Hem een maaltijd. Marta bediende en Lazarus was een van
degenen die met Hem aanlagen.11
Marta bediende... Met welk een
liefde vol dankbaarheid zal zij dat gedaan hebben! Daar, in haar huis, was de
Messias, daar was God die haar diensten nodig had. En zij mocht Hem bedienen.
God is mens geworden om ons in onze noden heel nabij te zijn, opdat wij Hem
leren liefhebben door middel van zijn allerheiligste mensheid, opdat wij zijn
innige vrienden kunnen zijn. Wij kunnen niet nalaten steeds weer te overwegen
dat dezelfde Jezus van Nazaret, van Kafarnaüm, van Betanië, dezelfde is die op
ons wacht in het dichtstbijzijnde tabernakel, dat Hij onze diensten 'nodig
heeft'. «Het is waar dat ik ons tabernakel altijd Betanië noem... -Sluit
vriendschap met de vrienden van de Meester: Lazarus, Marta, Maria. -En dan zul
je me wel niet meer vragen, waarom ik ons tabernakel Betanië noem.»12 Daar is Hij. We kunnen er niet onverschillig aan voorbijgaan,
we moeten Hem iedere dag opzoeken..., en in zijn gezelschap die minuten van
dankzegging, na de communie, doorbrengen, zonder haast, zonder onrust. Er is
niets belangrijkers.
De heilige Thomas leert, dat er geen passender manier was om
de mensen te verlossen dan die van zijn menswording.13
En hij voert de volgende redenen aan: betreffende het geloof, omdat het
gemakkelijker werd te geloven, daar God zelf degene was die sprak; wat betreft
de hoop, door het zo grote bewijs van zijn heilswil die dit vertegenwoordigde;
inzake de liefde, omdat geen groter liefde iemand kan
hebben dan deze, dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden14; wat de werken aangaat, omdat dezelfde God als
voorbeeld zou dienen: door ons vlees aan te nemen toonde Hij ons hoe belangrijk
het menselijk schepsel is, door zijn vernedering genas hij onze hoogmoed...
In de allerheiligste mensheid van Jezus neemt Gods liefde
voor ons menselijke vorm aan; zó opent zich een hellend vlak dat ons zachtjes
aan naar God de Vader leidt. Daarom bestaat het christelijk leven in het
beminnen van Christus, in Hem navolgen, in Hem van nabij volgen, aangetrokken
door zijn leven. Heiliging heeft zijn middelpunt niet in de strijd tegen de
zonde; het is niet iets negatiefs; heiliging is gericht op Jezus Christus, het
voorwerp van onze liefde: het gaat er niet alleen om het kwaad te vermijden,
maar om de Meester te beminnen en Hem na te volgen, die weldoende
rondging.15 Het christelijk leven is diep
menselijk: het hart neemt een belangrijke plaats in het werk van onze
heiligheid in, omdat God bereikbaar is geworden. En wanneer het leven van
godsvrucht wordt verwaarloosd, de persoonlijke vriendschap met de Meester,
wanneer men toelaat dat het hart van de schepselen verstrooid wordt, dan is de
wilskracht niet voldoende om voort te gaan op de weg naar heiligheid. Daarom
moeten we ons inspannen om Hem altijd dicht bij ons leven te zien, en onze
verbeelding gebruiken om ons de levende Christus voor te stellen: Hij die geboren
werd in Betlehem, in Nazaret werkte, had tijdens zijn sterfelijk leven vrienden
die Hij waarlijk waardeerde en naar wie Hij dikwijls toe ging, omdat hun
gezelschap Hem bemoedigde.
Laten wij van Jezus' vrienden leren Hem met onmetelijk ontzag
te bejegenen, want Hij is God, en met groot vertrouwen, want Hij is de Vriend
voor altijd, die voortdurend omgang met ons zoekt.
8.3 Bij een andere gelegenheid
hielden Jezus en zijn leerlingen verblijf in het huis van deze vrienden te
Betanië, alvorens zij naar Jeruzalem gingen. De twee zusters sloofden zich uit
om alles in gereedheid te brengen wat nodig was om de Meester en de groep van
zijn metgezellen gastvrijheid te verlenen. Maar Maria ging, misschien al heel
spoedig na Jezus' aankomst, aan zijn voeten zitten en luisterde
naar zijn woorden16, terwijl Marta alleen
het huishoudelijk werk moest verrichten. Maria maakt zich geen zorgen om het
vele dat nog klaar gemaakt moest worden en geeft zich volkomen over aan het
aanhoren van de Meester. «De vertrouwelijkheid waarmee zij aan zijn voeten ging
zitten, haar gewoonte om naar Hem te luisteren, de honger naar het aanhoren van
zijn woorden, tonen aan dat dit niet de eerste keer is, dat zij Hem ontmoet,
maar dat er een echte innigheid bestaat.»17
Marta staat zeker niet onverschillig tegenover Jezus' woorden; zij luistert
eveneens, maar zij is nog drukker bezig met haar huishoudelijke taken. Onbewust
is Jezus naar een tweede plan verschoven: zij wordt in beslag genomen door
juist datgene dat zij gereed moet maken om Hem goed te bedienen. En zij wordt
onrustig, als zij zich alleen voelt en misschien wel meer werk heeft dan ze aan
kan. Intussen kijkt zij naar haar zuster, aan Jezus' voeten gezeten. Wellicht
een beetje ongerust, maar met groot vertrouwen komt zij voor Jezus staan -zo
geeft de heilige Lucas aan- en zegt tot Hem: Heer, laat het
U onverschillig, dat mijn zuster mij alleen laat bedienen? Zeg haar dan dat ze
mij moet helpen.18 Welk een groot
vertrouwen heeft zij in de Meester!: Zeg haar dat zij mij
moet helpen...
Jezus antwoordt haar op dezelfde vertrouwelijke toon, zoals
de herhaling van haar naam lijkt aan te duiden: Marta,
Marta -zegt Hij haar- wat maak je je bezorgd en druk
over vele dingen. Slechts één ding is nodig.19
Maria, die heel zeker haar zus had moeten helpen, heeft echter het wezenlijke,
het werkelijk nodige niet vergeten: Christus als middelpunt van haar aandacht
en haar leven te hebben. De Heer prees niet heel haar houding, maar wel het
voornaamste: haar liefde.
Zelfs 'de zaken die God raken' mogen ons niet de 'Heer van
die zaken' doen vergeten. Marta zal die beminnelijke berisping van Jezus wel
nooit hebben vergeten. Hoe noodzakelijk haar werk ook was, belangrijker nog was
de zorg die zij moest hebben om Jezus niet naar een tweede plan te verschuiven.
Zelfs in de taken die rechtstreeks op de Heer betrekking hebben
moeten wij niet vergeten, dat het voornaamste, het noodzakelijke
zijn persoon is. Ook in ons dagelijks leven dienen we voor ogen te
houden, dat zaken die van het allergrootste belang lijken, zoals het werk, niet
vóór het gezin zelf mogen komen; van weinig nut zouden andere hulpmiddelen zijn
-financiële vooruitgang, maatschappelijke betrekkingen-, als het gezinsleven
zelf erop achteruit zou gaan, doordat het op de tweede plaats kwam, behalve in
uitzonderlijke gevallen die ertoe kunnen leiden, dat bijvoorbeeld het
gezinshoofd noodzakelijkerwijs op een andere plaats werkt dan waar de rest van
het gezin woont (emigranten, zeelieden...). Als vader of moeder van een gezin
meer geld verdient, maar de omgang met de kinderen verwaarloost, waartoe zou
dat dan dienen?
De heilige Marta, die in de hemel voor altijd geniet van de onuitsprekelijke
tegenwoordigheid van Christus, zal voor ons de genade verkrijgen om de
vriendschap met de Meester nog méér te waarderen; zij zal ons leren om ijverig
voor de zaken van de Heer te zorgen, doch zonder de Heer van die zaken te
vergeten; zij zal voor Jezus ten beste spreken, opdat wij leren ook het gezin
niet achter te stellen bij die goede successen die we willen behalen juist ten
bate van het gezin.
-1. Joh 11,5. -2. Joh 11,17-27. -3. Joh 11,3. -4.
Joh 11,6-7. -5. Joh
11,21. -6. Joh 11,23. -7. Joh
11,24. -8. Joh 11,25. -9. Joh
11,27. -10. H. Jozefmaria Escrivá,
De Smidse, 495. -11. Joh
12,1-2. -13. Idem, De Weg, 322.
-13. Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae, III, q1, a2. -14. Joh
15,13. -15. Hnd 10,38. -16. Lc 10,39.
-17. M.J. Indart, Jesús
en su mundo, bl. 36. -18. Lc 10,40. -19. Lc 10,41-42.