21 september. Feest
26. HEILIGE MATTEÜS,
APOSTEL EN EVANGELIST
De heilige Matteüs, apostel en evangelist, werd geboren
in Kafarnaüm, en toen Jezus hem riep om deel te gaan uitmaken van de groep van
de Twaalf, was hij belastingontvanger van beroep. De traditie erkent hem
unaniem als de schrijver van het eerste evangelie, dat in het Aramees was
geschreven en spoedig daarna in het Grieks was vertaald. Volgens de traditie
predikte hij in het Oosten, wellicht in Perzië, waar hij ook gemarteld werd.
-Matteüs beantwoordt de oproep van de Heer. Ons antwoord.
-De vreugde van de roeping. -Een wezenlijk apostolische roeping.
26.1 Marcus, Lucas en Matteüs
zelf verhalen van de roeping van laatstgenoemde, die onmiddellijk na de
genezing van de lamme van Kafarnaüm plaatshad. Waarschijnlijk dezelfde dag nog
of daags erna begaf Jezus zich naar de oever van het meer, gevolgd door een
talrijke menigte.1 En onderweg passeerde hij de
plaats waar tol betaald werd voor het goederenverkeer van de ene naar de andere
streek. Kafarnaüm was, behalve een kleine zeehaven, ook een grensstad met de
streek van Perea, aan de overzijde van de Jordaan.
Matteüs was als belastingpachter in dienst van Herodes, ook
al was hij geen officieel ambtenaar. Deze functie werd door het volk met scheve
ogen bekeken, zelfs veracht, ofschoon het tegelijkertijd ook een fel begeerde baan
was, omdat men er gemakkelijk rijk door kon worden. Men mag veronderstellen,
dat deze tollenaar er financieel warmpjes bij zat, want hij kon Hem in zijn huis een groot feestmaal aanbieden, waarbij onder
anderen talrijke tollenaars met hen aanlagen.2
Toen Jezus voorbijkwam, nodigde Hij hem uit om Hem te volgen.
Hij stond op, liet alles achter en volgde Hem.3 Het gaat hier om een direct en edelmoedig antwoord.
Matteüs, die de Heer al van andere gelegenheden zal hebben gekend, wachtte op
dit grote ogenblik, en bij de eerste toespeling aarzelde hij niet om alles achter
te laten en Jezus te volgen. Alleen God weet wat Hij die dag in Matteüs zag, en
alleen de apostel zal weten wat hij in Jezus aanschouwde om onmiddellijk zijn
tolbank te verlaten en Hem te volgen. «En
door een direct besluit te nemen en
aldus in één keer afstand te doen van alle dingen van het leven,
getuigde hij zeer wel, door zijn volmaakte gehoorzaamheid, dat de Heer hem op
het gepaste ogenblik had geroepen.»4 Het moment
en de situatie waarop de Heer in de ziel komt en een onvoorwaardelijke overgave
vraagt, zijn door God in zijn Voorzienigheid voorzien en derhalve de meest
geschikte. Soms zal Hij dat op jonge leeftijd doen, en voor de betrokken
persoon zijn die weinige jaren het beste moment om de roepstem van de Heer te
volgen. In andere gevallen roept Christus ons op rijpere leeftijd en in de
meest onderscheiden gezins- en werkomstandigheden enz. Samen met de roeping
geeft God ook de genade om meteen te antwoorden en trouw te zijn tot het einde
toe. Trouwens, als men 'nee' tegen de Heer zegt in de hoop later, wanneer
subjectief gezien de tijd geschikter lijkt, 'ja' tegen Hem te zeggen, dan kan
het gebeuren dat zo'n moment zich niet meer voordoet, want elk verzet tegen de
genade verhardt ons hart.5 Ook kan het gebeuren,
dat de Heer geen tweede keer meer voorbijkomt: dat er geen herhaling van de
liefdevolle oproep komt. Dit bracht de heilige Augustinus ertoe alle gelovigen
aan te sporen om de genade te beantwoorden, wanneer God die schenkt; en hij
voegde eraan e: «Timeo Iesum praetereuntem et non redeuntem - ik ben bang dat
Jezus voorbijkomt en niet meer terugkeert.»6
De Meester vestigt zijn oog op ons allen, ongeacht onze leeftijd
of situatie. We weten goed, dat Jezus heel dicht bij ons staat, dat Hij ons
aankijkt en zich afzonderlijk tot ons richt. Hij nodigt ons uit Hem meer van
nabij te volgen, en tegelijkertijd laat Hij ons -in verreweg de meeste
gevallen- midden in de maatschappij, in het werk, in het gezin staan... «Denk
aan wat de Heilige Geest zegt, en vervul je van verbijstering en dank: Elegit nos ante mundi constitutionem -Hij heeft ons
uitverkoren, nog vóór de schepping van de wereld, ut
essemus sancti in conspectu eius -opdat wij heilig zijn vóór zijn
aanschijn.
»Heilig zijn is niet gemakkelijk maar evenmin moeilijk.
Heilig zijn is een goed christen zijn: op Christus gelijken. -Hij die het meest
op Christus lijkt, die is het meest christen, het meest van Christus, het
heiligst.
»En welke middelen hebben wij daarvoor? -Dezelfde als de eerste
gelovigen die Jezus zagen of Hem leerden zien door middel van de verhalen van
de apostelen of de evangelisten.»7
26.2 Om zijn roeping te vieren en
ervoor te danken, gaf Matteüs een groot feestmaal, waarvoor hij zijn vrienden
uitnodigde. Velen van hen werden beschouwd als zondaars of waren het ook. Dit
gebaar weerspiegelt de vreugde van de apostel om zijn roeping, die een grote
weldaad is waarover men zich altijd moet verblijden. Indien wij alleen maar
letten op het afstand doen van vele dingen, die elke uitnodiging van God om Hem
krachtiger te volgen nu eenmaal met zich meebrengt, als we alleen maar kijken
naar hetgeen we moeten achterlaten, en niet naar de gave van God, het goede dat
Hij in ons en door ons tot stand zal brengen, dan zouden we inderdaad bedroefd
kunnen worden, zoals die rijke jongeman die zijn vele bezittingen niet wilde
achterlaten en bedroefd heenging.8 Hij dacht
alleen maar aan wat hij moest achterlaten. Hij ontdekte niet wat een wonder het
is bij Christus te zijn en zijn werktuig te zijn voor grote dingen. «Gisteren
was je misschien nog een van die verbitterde en ontgoochelde mensen die in hun
menselijke verwachtingen teleurgesteld zijn. Maar nu, sinds Hij in je leven is
gekomen -dank U, God!-, lach en zing je, en neem je overal waar je heen gaat
een glimlach mee, liefde en geluk.»9
Het leven van iemand die door Christus geroepen is -en dat
zijn wij allemaal- mag niet zo zijn als dat van degene die Jezus bijna aan het
einde van de parabel van de verloren zoon noemt: de oudste broer die op het
landgoed van zijn vader is gebleven, die een goede arbeider is geweest, die
niet buiten de grenzen van de boerderij van zijn vader is gekomen..., die trouw
gebleven is, maar zonder vreugde, zonder liefde voor zijn jongste broer die
uiteindelijk dan toch terugkwam. Hij is het levendige beeld van de
rechtvaardige, die maar niet kan begrijpen dat het mogen dienen van God en het
genieten van zijn vriendschap en tegenwoordigheid reeds een onophoudelijk feest
is. Hij ziet niet in, dat in het dienen van God al de beloning zelf is gelegen,
dat juist 'het dienen heersen is'. God verwacht van ons een blijmoedig
dienstbetoon, zonder pijn en zonder dwang, want God houdt
van een blijmoedige gever.10 Er zijn
altijd voldoende redenen tot feest, tot dankzegging, om blij te zijn, wanneer
wij de Heer dienen, wanneer wij 'ja' zeggen tegen zijn oproep.
De heilige Matteüs is een uitzonderlijke getuige geworden van
het leven en de handelingen van de Meester. Korte tijd later zou hij worden
uitverkoren tot een van de Twaalf om de Heer op al zijn voetstappen te volgen:
hij aanhoorde zijn woorden en aanschouwde zijn wonderen, hij bevond zich onder
de intieme vrienden die het Laatste Avondmaal vierden en hij woonde de
instelling van de eucharistie bij; hij vernam het testament van de Heer en het
gebod van liefde; hij vergezelde Christus naar de Hof van Olijven, waar hij met
de andere leerlingen zou beginnen aan een lijdensweg van angst, met name omdat
ook hij Jezus in de steek had gelaten. Daarna, heel kort daarna, smaakte hij de
vreugde van de verrijzenis en vóór de hemelvaart ontving hij de opdracht de Blijde
Boodschap tot de uiteinden van de aarde te brengen. Later ontving hij, eveneens
met de leerlingen en de allerheiligste Maagd, het vuur van de Heilige Geest op
de dag van Pinksteren. Toen hij zijn evangelie schreef, zal hij zich al deze
kostbare momenten met de Meester herinnerd hebben. Hij begreep dat zijn leven
in Christus' nabijheid de moeite waard was geweest. Wat zou het een verschil
geweest zijn, wanneer hij die ochtend op het belastingkantoor was blijven
zitten en Jezus die voorbijkwam niet had gevolgd! Ons leven -dat weten we
goed!- is alleen de moeite waard, als we het bij Christus doorbrengen, in een
dagelijks trouwer antwoord. Als we tegenover elke oproep van Jezus om dichter
bij Hem te leven aanstonds en met blijdschap antwoorden.
26.3 Aan het feestmaal dat
Matteüs aanrichtte, namen zijn vrienden en vele bekenden deel. Sommigen waren
tollenaars. De farizeeën en schriftgeleerden morden onder elkaar en zeiden
tegen de leerlingen van Jezus: Waarom eet en drinkt gij met
tollenaars en zondaars?11 In een voetnoot
in de zijlijn van de tekst noteert de heilige Hiëronymus, op schertsende toon,
dat dit een festijn van zondaars moet zijn geweest.
De Meester was bij dit feestmaal ten huize van zijn nieuwe
leerling aanwezig. En Hij zal dat graag en met genoegen hebben gedaan, omdat
Hij die gelegenheid kon benutten om de sympathie van Matteüs' vrienden te
winnen. De kwaadaardige opmerkingen van de farizeeën kwamen Jezus ter ore en Hij
antwoordde hun met een les vol van wijsheid en eenvoud: Niet
de gezonden hebben een dokter nodig maar de zieken.12 Vele deelnemers aan het maal voelden zich door de
Heer opgenomen en zouden zich na enige tijd laten dopen en trouwe christenen
worden. Ons leert de Heer door zijn voorbeeld, dat wij voor iedereen open
moeten staan om allen te winnen. «De heilsdialoog was niet afhankelijk van de
verdiensten van hen tot wie ze zich richtte, en evenmin van gunstige of
ongunstige resultaten: Niet de gezonden hebben een dokter
nodig... De heilsdialoog biedt zich aan allen aan; zij stelt zich open
voor alle mensen, zonder enig onderscheid...»13
Niemand mag ons onverschillig zijn; hoe groter de nood is, des te groter moet
onze apostolische ijver zijn, des te groter de menselijke en bovennatuurlijke
middelen die we moeten aanwenden. Laten we vandaag in ons gebed nagaan of wij
met iedereen hartelijk omgaan, ook met degenen die verder lijken af te staan
van onze opvattingen en onze christelijke denkwijze en levensbeschouwing.
«Je hebt gelijk. -Vanaf de top, schrijf je me, is er zover
het oog reikt, en dat betekent: in een radius van vele kilometers, geen vlakte
te zien: achter elke berg is er een andere. Als het landschap ergens milder
schijnt te worden, verschijnt, wanneer de mist optrekt, een bergketen die tot
dan toe verborgen gebleven was.
»Zo is het, zo moet het ook met de horizon van je apostolaat
zijn: het is nodig heel de wereld door te trekken. Er zijn voor jullie evenwel
geen gebaande wegen... Die moeten jullie zelf banen, dwars door de bergen, met
je eigen voetstappen.»14
Laten wij vandaag de apostel danken voor het evangelie dat
hij ons heeft nagelaten, laten we het met godsvrucht lezen om Jezus telkens
weer beter te leren kennen en te leren Hem met heel onze ziel te beminnen.
-1. Mc 2,13. -2. Lc 5,29. -3. Mt 9,9. -4. H. Johannes Chrysostomus, Homilieën
over Matteüs, 30,1. -4. Vgl. F. Suárez, Maria van Nazareth. -6. The Navarre
Bible, voetnoot bij Lc 18,35-43. -7. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 10. -8. Vgl. Lc
18,18. -9. Idem, De Voor, 81.
-10. 2 Kor 9,7. -11. Lc
5,30. -12. Paulus vi, Enc. Ecclesiam
suam, 6-VIII-1964. -14. H.
Jozefmaria Escrivá, De Weg, 928.