14 mei. Feest
36. HEILIGE MATTIAS, APOSTEL
Na de Hemelvaart van de Heer, in de tijd
waarin de apostelen de komst van de Heilige Geest afwachtten, kozen zij Mattias
uit om de plaats van Judas in te nemen en het getal van de Twaalf -de afbeelding
van de twaalf stammen van Israël- volledig te maken. Mattias was leerling van
Jezus en getuige van de verrijzenis geweest. Volgens de traditie heeft hij
Ethiopië gekerstend en is hij aldaar gemarteld. Zijn relikwieën werden op last
van de heilige Helena overgebracht naar Trier. Hij is de patroon van deze stad.
-God is degene die uitverkiest. -Om de eigen
roeping trouw te volgen ontbreekt nooit de genade. -Het geluk en de zin van het
leven bestaan in het volgen van de oproep die God tot iedere man, tot iedere
vrouw richt.
36.1 Niet gij
hebt Mij uitgekozen, maar Ik u en Ik heb u de taak gegeven op tocht te gaan en
vruchten voort te brengen die blijvend mogen
zijn.1
Na het verraad van Judas was er een plaats
onder de Twaalf opengevallen. Met de verkiezing van Mattias zou vervuld worden wat de Heilige Geest zelf had
voorspeld en wat Jezus uitdrukkelijk had ingesteld. De Heer had immers
gewild, dat zijn apostelen twaalf in getal zouden zijn.2
Het nieuwe volk van God moest bevestigd zijn op twaalf zuilen, zoals het oude
volk dat was geweest op de twaalf stammen van Israël.3
De heilige Petrus die zijn gezag als eerste en voornaamste tegenover die
honderdtwintig aldaar verzamelde leerlingen uitoefent, legt de voorwaarden neer
waaraan degene moet voldoen die het apostelcollege voltallig zal maken,
overeenkomstig hij van de Meester had geleerd: de leerling moet Jezus kennen en
zijn getuige zijn. Daarom, zo zegt Petrus in
zijn toespraak, moet een
van de mannen die tot ons gezelschap behoorden gedurende de tijd dat de Heer
Jezus onder ons verkeerde, vanaf het doopsel van Johannes tot de dag, waarop
Hij van ons werd weggenomen, met ons een getuige worden van zijn verrijzenis.4 De apostel benadrukt de noodzaak van het feit, dat
de nieuw gekozene ooggetuige moet zijn van de prediking en de handelingen van
Jezus tijdens zijn openbaar leven, en heel bijzonder van de verrijzenis. Dertig
jaar later verzekert hij in de laatste woorden die hij tot alle christenen
richtte: Toen wij u de macht en de
komst van onze Heer Jezus Christus verkondigden, beriepen wij ons niet op
vernuftig bedachte mythen, maar wij spraken als ooggetuigen van zijn luister.5
Petrus kiest niet uit, maar laat het lot over
aan God, zoals soms gebeurde in het Oude Testament.6
In de plooi van het kleed wordt
het lot geschud, maar wat het ook beslist, het komt van Jahwe7, zo lezen we in het Boek der Spreuken. Men stelde er
twee voor, Jozef ook Barsabbas
geheten, bijgenaamd Justus, en Mattias, de verkorte vorm van
Mattatias, dat 'geschenk van God' betekent. Toen liet men hen loten en het lot viel op Mattias.
Hij werd toegevoegd aan de groep van de elf apostelen. Een historicus uit
vroegere tijden neemt een traditie op die beweert, dat deze leerling behoorde
tot de groep van de tweeënzeventig die, door Jezus uitgezonden, in alle steden
van Israël gingen prediken.8
Vóór de verkiezing bidden Petrus en heel de
gemeenschap tot God, omdat niet zij kiezen, maar God, want een roeping is altijd een goddelijke uitverkiezing.
Daarom zegt hij: Gij Heer,
die aller harten kent, wijs degene aan die Gij van deze twee hebt uitverkoren.
De elf apostelen en de overige leerlingen durven dit niet op eigen gelegenheid
te doen; zij wagen het niet op hun eigen overwegingen of sympathieën af te
gaan, om de verantwoordelijkheid op zich te nemen een opvolger voor Judas aan
te wijzen. De heilige Paulus wijst erop, wanneer hij zich gedrongen voelt de
oorsprong van zijn zending te verklaren, dat hij niet gevormd is vanwege de mensen noch door een mens,
maar door Jezus Christus en God de Vader.9
De Heer is degene die uitverkiest en zendt. Ook nu nog.
Ieder van ons bezit een goddelijke roeping, een
oproep tot heiligheid en apostolaat, verkregen in het doopsel en daarna
gepreciseerd in de opeenvolgende momenten van Gods tussenkomst in het eigen
levensverhaal. En er zijn ogenblikken waarop deze oproep om Jezus van nabij te
volgen uitzonderlijk krachtig en helder wordt. «Ik had ook niet gedacht dat God mij zou pakken zoals Hij
gedaan heeft. Maar de Heer [...] vraagt ons niet om verlof om 'ons het
leven te compliceren'. Hij komt binnen en... het is gebeurd!»10 En dan is het aan ieder van
ons om te antwoorden. Vandaag kunnen we ons in ons gebed afvragen: ben
ik trouw aan hetgeen de Heer van mij wil? Tracht ik de wil van God te doen in
al mijn plannen? Ben ik bereid te beantwoorden aan wat de Heer tijdens mijn
leven van mij vraagt?
36.2 ...et cecidit
sors super Matthiam..., en het lot viel op Mattias...
De verkiezing van Mattias brengt ons in herinnering, dat de roeping die men
ontvangen heeft, altijd een onverdiende gave
is. God bestemt ons ertoe om steeds meer op Christus te gaan gelijken,
om te delen in het goddelijk leven; Hij geeft ons een opdracht in het leven en
Hij wil, dat wij bij Hem zijn, in een eeuwig, gelukzalig leven. Iedereen heeft
een oproep van God om dicht bij Christus te zijn en zijn Rijk te verbreiden in
zijn eigen omgeving en naar gelang zijn omstandigheden.
Naast deze algemene roep tot heiligheid, roept
Jezus ook nog op bijzondere wijze. En Hij
roept velen: sommigen om een uitzonderlijk getuigenis af te leggen door
zich uit deze wereld terug te trekken of om een bijzonder dienstwerk te verrichten in het priesterschap; de
overgrote meerderheid wordt door de Heer geroepen om, midden in de
wereld, deze wereld van binnenuit te vernieuwen, in het huwelijk -dat een «weg
naar heiligheid» is11- of in het celibaat waarin
men heel zijn hart geeft uit liefde tot God en de mensen.
De roeping komt niet voort uit goede wensen of
grote verlangens. De apostelen, en nu Mattias, hebben de Heer niet als Meester uitgekozen, zoals de Joden gewoon
waren de rabbijn uit te kiezen, van
wie men dan onderricht kreeg. Het was Christus die hen uitkoos; sommigen
rechtstreeks en Mattias door middel van deze verkiezing die door de Kerk in Gods handen wordt gelegd. Niet gij hebt Mij uitgekozen
-zo herinnert Jezus hen eraan tijdens het Laatste Avondmaal en lezen wij
vandaag in het evangelie van de heilige mis - maar Ik u, en Ik heb u de taak gegeven op tocht te gaan en
vruchten voort te brengen die blijvend mogen zijn.12 Waarom viel déze mannen die onmetelijke gave ten
deel? Waarom juist zij en niemand anders? Het heeft geen zin zich af te vragen
waarom zij werden uitverkoren. Eenvoudigweg, de Heer heeft hen geroepen. En in
deze volkomen vrije keuze van Christus -Hij riep tot zich die Hij zelf wilde13- is al hun eer en het wezen van hun leven gelegen.
Vanaf het eerste ogenblik waarop Jezus zijn
blik op iemand laat vallen en hem uitnodigt om Hem te volgen, volgen aanstonds
vele andere oproepen, die misschien gering lijken, maar die de weg wijzen: «in
de loop van het leven biedt God ons -meestal geleidelijk aan, maar wel
voortdurend- vele 'bepalingen' aan van die radicale oproep, die altijd de
persoonlijke relatie met Christus betreffen. God vraagt van ons, vanaf het
begin, de beslissing om Hem te volgen, maar Hij houdt, als wijze pedagoog, voor
ons de totaliteit van de latere bepalingen van die beslissing verborgen,
wellicht omdat wij niet op dat ogenblik in staat zouden zijn deze 'in actu' te
aanvaarden»14. De Heer geeft licht en bijzondere
genade in die impulsen waarin de Heilige Geest de ziel naar boven lijkt te
trekken, in verlangens om betere mensen te zijn, de mensen meer te dienen, met
name hen met wie wij dagelijks omgaan. Zijn genade ontbreekt nooit.
Volgens de traditie is Mattias als martelaar
gestorven, zoals de overige apostelen. De essentie van zijn leven was gelegen
in het ten uitvoer brengen van de zoete en soms pijnlijke opdracht die de
Heilige Geest op die dag op zijn schouders
had gelegd. Ook in de trouw aan de eigen roeping ligt ons hoogste geluk
en de zin van het eigen leven, die de Heer te zijner tijd zal onthullen.
36.3 Jezus kiest de zijnen uit en roept hen. Deze oproep is hun grootste eer en geeft hun recht op een
bijzondere vereniging met de Meester, op speciale genaden, om heel
bijzonder in het innigste van hun gebed verhoord te worden. «De roeping van een
ieder versmelt, tot op zekere hoogte, met
het eigen wezen: men kan zeggen, dat roeping en persoon één en hetzelfde
ding worden. Dit betekent, dat in Gods scheppingsinitiatief een bijzondere daad
van liefde jegens de geroepenen binnentreedt, niet alleen tot de verlossing, maar ook tot de bediening van de
verlossing. Vanaf de eeuwigheid derhalve, vanaf het moment waarop we begonnen te bestaan in de plannen van de
Schepper en Hij ons als schepselen
wilde, wilde Hij ook dat wij geroepen waren, door in ons de gaven en
voorwaarden te leggen voor ons persoonlijk antwoord, bewust en passend bij de
oproep van Christus of van de Kerk. God die ons bemint, die Liefde is, is ook degene die roept (vgl. Rom 9,11).»15
Paulus begint zijn brieven aldus: Van Paulus, dienstknecht van Christus
Jezus, door Gods roeping apostel, bestemd voor de dienst van het evangelie.16 Geroepen en uitverkoren niet vanwege mensen noch door een mens, maar door Jezus
Christus en God de Vader.17 De
Heer roept ons, zoals Hij Mozes18, Samuel19, Jesaja20 heeft geroepen.
Een roeping die op geen enkele persoonlijke verdienste is gebaseerd: Jahwe heeft mij geroepen, nog voor mijn
geboorte.21 En de heilige Paulus
zal het nog beslister zeggen: Hij
heeft ons geroepen met een heilige roeping, niet op grond van onze verdiensten,
maar volgens het vrije besluit van zijn genade.22
Jezus heeft zijn leerlingen geroepen om met Hem
zijn kelk te delen, dat wil zeggen zijn leven en zijn zending. Nu nodigt Hij
ons uit: we moeten erop bedacht zijn, dat wij
deze stem niet verduisteren door het lawaai der dingen, want deze hebben niet
het minste belang, wanneer zij niet in Hem en door Hem zijn. Wanneer men
de stem van Christus hoort die uitnodigt om Hem volledig te volgen, dan is
niets van belang tegenover de werkelijkheid van het volgen van Hem. En Hij zal
ons in de loop van ons leven de onmetelijke rijkdom ontvouwen, die vervat ligt
in de eerste oproep, die oproep van die dag waarop Hij zo dicht bij ons langs
kwam.
Nauwelijks uitgekozen verdwijnt Mattias opnieuw
in de stilte. Samen met de andere apostelen onderging hij de vurige vreugde van
Pinksteren. Hij trok uit, predikte en genas zieken, maar zijn naam komt niet
meer voor in de heilige Schrift. Zoals de andere apostelen, heeft hij een
onuitwisbaar spoor van geloof nagelaten dat tot in onze dagen voortduurt. Hij
was een ontstoken licht, waarop God met mateloze vreugde vanuit de hemel
neerzag.
-1. Introïtus,
Joh 15,16. -2. Vgl. Mt 19,28. -3. Vgl. Ef 2,20. -4. Hnd 1,21-22. -5. 2 Pe 1,16. -6. Vgl. Lev 16,8-9; Num 26,55. -7. Spr 16,33. -8. Vgl. Eusebius,
Historia
ecclesiástica, 1,12. -9. Gal 1,1. -10. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 902. -11. Vgl. Gesprekken met Mgr Escrivá de
Balaguer, 92. -12. Joh 15,16. -13. Mc 3,13. -14. P.
Rodríguez, Vocación,
trabajo, contemplación,
Pamplona 1986, bl. 28. -15. Johannes Paulus ii, Toespraak
in Porto Alegre, 5 juli 1980.
-16. Rom 1,1; 1 Kor 1,1. -17. Gal 1,1. -18. Ex 3,4;19,20;24,16. -19. 1 Sam 3,4. -20. Jes 49,1. -21. Jes 48,8. -22. 2 Tim 1,9.