6 december. Gedachtenis
49. Heilige Nicolaas van Bari
De heilige Nicolaas van Bari werd in Patara rond het jaar
270 geboren. Hij was bisschop van Myra in Lycië (het huidige Turkije) en stierf
op 6 december tussen 345 en 352. De verering van deze heilige verbreidde zich
snel in het Oosten en later ook in het Westen, vooral nadat zijn relikwieën in
de elfde eeuw waren overgebracht naar Bari (Italië). Zeer talrijk zijn de aan
hem gewijde kerken en afbeeldingen.
-De heiligen, vrienden van God, zijn onze voorsprekers bij
Hem. De heilige Nicolaas. -Behoefte aan menselijke en materiële goederen.
-Edelmoedigheid en onthechting inzake de goederen. In economische noden onze
toevlucht nemen tot de heilige Nicolaas.
49.1 In het Oude Testament lezen
wij hoe Abraham bij God bemiddelde, toen Deze voornemens was de steden Sodom en
Gomorra te vernietigen als straf voor hun zonden: Misschien
zijn er vijftig rechtvaardigen in de stad; zult Gij die dan verdelgen? [...],
twintig? [...] Misschien zijn er maar tien te vinden. En Jahwe sprak: Ik zal de
stad niet verwoesten, omwille van die tien.1
Het antwoord van de Heer is altijd vol erbarming.
Ook Mozes zocht hulp bij de goddelijke barmhartigheid, toen
hij een beroep deed op degenen die vrienden van God waren geweest: Denk aan uw dienaren Abraham, Isaak en Jakob.2 En over Jeremia, die reeds overleden was, lezen we: Dit is Jeremia, die zijn broeders liefheeft en veel bidt voor
zijn volk en de heilige stad.3 In het
evangelie lezen wij hoe een honderdman enkele oudsten, vrienden van de Heer,
stuurt om voor hem te bemiddelen. Dezen riepen, toen zij bij Jezus kwamen, met
aandrang zijn hulp in. Ze zeiden: Hij verdient het, dat Gij
hem deze gunst bewijst, want hij houdt van ons volk en heeft op eigen kosten de
synagoge voor ons gebouwd.4 Jezus
aanhoort welwillend de joden die ten gunste van deze heiden spraken: hij
verdient het, dat Gij hem deze gunst bewijst... Ook de heilige Paulus vroeg de
christenen van Rome: Ik doe een beroep op u, broeders, bij
onze Heer Jezus Christus en de liefde van de Geest: staat mij bij in de strijd;
bidt God voor mij.5 En de heilige
Hiëronymus tekent aan, als hij over de reeds overleden broeders spreekt: «Als
de apostelen en martelaren voor de anderen gebeden hebben, toen zij nog in een
lichaam waren opgesloten en alle redenen hadden zich om zichzelf te bekommeren,
hoeveel te meer zullen zij dan nú voor hen bidden, nu zij de kroon, overwinning
en triomf hebben behaald!»6
De Kerk heeft altijd geloofd, dat de heiligen die reeds de eeuwige
gelukzaligheid genieten en de gezegende zielen in het vagevuur, onze grote
bondgenoten en voorsprekers zijn. Zij luisteren naar onze smeekbeden en bieden
ze de Heer aan, gesteund door de verdiensten die zij op aarde door hun heilig
leven hebben verworven.
Van de heilige Nicolaas, wiens feest wij vandaag vieren,
wordt verteld, dat hij hier op aarde zeer edelmoedig was met de rijkdom die hij
reeds op jonge leeftijd van zijn vermogende ouders had geërfd. Daarom wordt hij
als de voorspreker in materiële en financiële noden beschouwd.
De stichter van het Opus Dei koesterde een grote devotie tot
deze heilige. Hij vertelde, dat hij op een goede dag, toen hij overstelpt werd
door grote economische problemen, aan de heilige Nicolaas dacht, enkele
momenten voordat hij met de viering van de heilige mis begon. Hij deed hem in
de sacristie de volgende belofte: «Als u mij hieruit verlost, benoem ik u tot
voorspreker.» Maar bij het betreden van de altaartrappen kreeg hij spijt over
deze voorwaarden en zei tot hem: «en als u mij niet uit de problemen haalt,
benoem ik u ook.» Hij werd van zijn zorgen bevrijd en riep nog heel vaak de
voorspraak van de heilige Nicolaas in.
Velen hebben in de loop der eeuwen hun toevlucht tot deze
heilige gezocht in moeilijke financiële omstandigheden in het gezin, op het
werk, in het apostolaatswerk, dat vaak een economische basis moet hebben. Laten
we niet bevreesd zijn de Heer om deze materiële hulp te bidden, want Hij zelf
nodigt ons uit deze te vragen, wanneer wij het Onze Vader
bidden: Geef ons heden ons dagelijks brood. En
dikwijls kunnen we hierom bidden door bemiddeling van de heiligen.
49.2 Zolang wij op aarde
vertoeven, zullen we materiële en menselijke middelen nodig hebben, zowel voor
het onderhoud van het eigen gezin als van de apostolische taken die de Heer ons
vraagt te bevorderen of op enigerlei wijze eraan mee te werken. Economische
goederen zijn op zich goede zaken; ze worden tot kwade zaken, wanneer ze niet
worden aangewend om het goede te doen, wanneer men er ongebreideld aan gehecht
is, zodat we verhinderd worden de bovennatuurlijke goederen te zien. De heilige
Leo de Grote leert ons, dat God ons niet alleen de geestelijke goederen heeft
nagelaten, maar ook de lichamelijke8, opdat wij
ze aanwenden voor het menselijk en bovennatuurlijk welzijn van de ander.
Jezus zelf onderrichtte zijn apostelen over de noodzaak menselijke
middelen te benutten. Bij de eerste apostolische zending wees Hij hun
nadrukkelijk erop: Neem geen beurs of reiszak mee...
Hij laat hen zonder enige materiële steun achter, opdat zij inzien dat Hij,
Jezus, degene is die alles bewerkt. Zij begrepen toen, dat de genezingen, de
bekeringen, de wonderen niet aan hun menselijke kwaliteiten te danken waren,
maar aan de macht van God. Wanneer echter het uur van vertrek nabij is, vult
Hij dit eerste onderricht aan: Maar nu moet wie een beurs
heeft, die meenemen en eveneens een reiszak.9
Ofschoon de bovennatuurlijke middelen het belangrijkste zijn bij elk
apostolaat, wil de Heer toch, dat wij alle menselijke middelen die binnen ons
bereik liggen -ook de economische- benutten, alsof er geen bovennatuurlijke
bestonden.
Om zijn goddelijke opdracht te vervullen wilde Jezus zelf
dikwijls gebruik maken van aardse middelen: een paar broden en visjes, een
beetje slijk, de materiële hulp van enkele vrome vrouwen die Hem volgden...
Wanneer we daartoe de noodzaak voelen in het gezin, in de
apostolaatswerken waaraan we meewerken, dan moeten we niet aarzelen tot de Heer
te gaan. Laten we niet vergeten hoe zijn eerste wonder, op voorspraak van Onze
Lieve Vrouw, verricht werd om een pas gehuwd bruidspaar uit de problemen te
helpen in een aangelegenheid die geenszins van vitaal belang was. Zou Hij dan
geen acht op ons slaan, als wij Hem ooit nodig hebben? Maar laten we evenmin
vergeten, dat wij van onze kant ook alles moeten doen, zoals die dienaren in
Kana die de kruiken tot bovenaan toe10 met water vulden: zij brachten alles in wat in hun
handen lag.
In moeilijke economische omstandigheden kan de volgende tekst
soms vrede aan onze ziel schenken: «Ik bevind me in een moeilijke financiële
positie als nooit tevoren. Ik verlies de vrede niet. Ik ben er absoluut zeker
van, dat God, mijn Vader, heel deze zaak in één keer zal oplossen.
»Ik wil, Heer, de zorg om al het mijne in uw edelmoedige handen
leggen. Onze Moeder -uw Moeder!- heeft op dit moment, net zoals in Kana, in uw
oren laten weerklinken: ze hebben geen...! Ik geloof in U, ik hoop op U, ik bemin
U, Jezus: voor mijzelf, niets, alles voor hen.»11
49.3 Er zullen zich in ons leven
gelegenheden voordoen, dat de Heer onze edelmoedigheid aanwakkert, opdat wij
met onze financiële middelen -vele of slechts zeer geringe- bijdragen aan het
onderhoud van de Kerk of goede instellingen, die cultuurwerken bevorderen of
hulp aan mensen in nood. Het is ook mogelijk dat wij bovendien gelden voor die
werken moeten inzamelen. Vele bladzijden van het Nieuwe Testament tonen ons aan
hoezeer de leerlingen van Christus en de eerste christenen zich hebben ingezet
om de middelen bijeen te brengen voor de verbreiding van het evangelie. We zien
bijvoorbeeld hoe Matteüs, die in goede financiële doen verkeerde, Christus
rijkelijk onthaalt.12 En die groep vrouwen die
de Heer volgen en die uit eigen middelen voor Hem zorgden.13 En die andere leerlingen -lieden die landgoederen
bezitten-, zoals Jozef van Arimathea die zijn graf aan de Meester afstaat en
zijn lijkwade bekostigt14; of Nicodemus die een
grote hoeveelhied mirre en aloë koopt om het lichaam van de Heer te balsemen.15 Evenzo aanschouwen we hoe heldhaftig de eerste
christenen zich gedroegen, die hun bezittingen en goederen
verkochten16, en
allen die landerijen of huizen bezaten, verkochten deze en brachten de
opbrengst ervan mee om die aan de voeten van de apostelen neer te leggen.17
De heilige Paulus zal inzamelingen houden -in Antiochië,
Galatië, Macedonië, Griekenland-, om de gelovigen in Jeruzalem te hulp te
komen, waarbij hij hen tot wedijver aanzet.18
Als de apostel aan de christenen van Korinthe schrijft, dankt hij hen voor hun
edelmoedigheid bij de inzameling die zij houden, hij moedigt hen in hun
voornemen aan en zegt hun: want dit kan u van pas komen.19 De heilige Thomas legt in zijn toelichting op deze
woorden de nadruk op het voordeel dat men behaalt uit onthechting van goederen
ten gunste van anderen: «De weldaad van de vroomheid is van groter nut voor hem
die haar beoefent dan voor degene die haar ontvangt. Want wie haar beoefent,
haalt er geestelijk voordeel uit, degene die haar ontvangt slechts tijdelijk
voordeel.»20 De aalmoes is een van de
voornaamste middelen om de verwondingen van de ziel -de zonden- te genezen21, en roept altijd de goddelijke barmhartigheid op.
Naast deze edelmoedigheid en onthechting van de goederen,
moeten wij bij onze vrienden die goede zielsgesteldheid bevorderen, die van de
Heer zovele zegeningen voor henzelf en voor hun gezinnen zal verkrijgen. «Dit
is een dringende taak: het gevoelen van gelovigen en ongelovigen wakker
schudden -mensen van goede wil mobiliseren- om ze te laten meehelpen en ze de
materiële middelen te laten verschaffen die nodig zijn bij het werk voor de
zielen.»22 Daarbij kan ons, ten slotte, deze zin
van dienst zijn, die ons aanspoort tot inzet, edelmoedigheid en onthechting: «Bedenk
eens: wat kost het u, zelfs als we het over geld hebben, dat u christen bent?»23
De heilige Nicolaas zal onze bondgenoot in de hemel zijn, opdat
wij edelmoedig zijn jegens God en onze broeders, opdat wij deze noodzakelijke
financiële middelen op aarde zoeken. Laten wij tot hem gaan. Daar, bij God, is
hij nog altijd edelmoedig voor hen die hem aanroepen.
-1. Vgl. Gn 18,24-32. -2. Ex 32,13. -3. 2 Mak 15,14.
-4. Vgl. Lc 7,1-10. -5. Rom
15,30. -6. H. Hiëronymus, Contra
Vigilantium, I, 6. -7. Vgl. A. Vázquez de
Prada, El Fundador del Opus Dei,
Rialp, 155, 161, 256, 470. -8. H. Leo de
Grote, Homilieën, 10,1. -9. Lc 22,36. -10. Joh 2,7. -11.
Vgl. H. Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 807. -12. Mt 9,9-10.
-13. Lc 8,3. -14. Mc
15,46. -15. Joh 19,39. -16. Hnd
2,45. -17. Hnd 4,34-35. -18. 2 Kor
8,8. -19. 2 Kor 8,10. -20. H. Thomas van Aquino, Commentaar
op de Tweede Brief aan de Korinthiërs, in loc. -21. Vgl. Romeinse Katechismus, IV, 14,23. -22. H. Jozefmaria Escrivá, De Voor, 24. -23. Idem, Vrienden van God, 126.