28 oktober. Feest
35. HEILIGE SIMON EN JUDAS, APOSTELEN
Simon, ook 'Zelotes' (ijveraar) genaamd, omdat hij
wellicht behoorde tot de joodse partij van de Wetbewaarders, was afkomstig van
Kana in Galilea. Judas, bijgenaamd Thaddeüs (de dappere), wordt uitdrukkelijk
van oudsher door de kerkelijke traditie aangewezen als de schrijver van de
Brief van de heilige Judas. Zij verkondigden de leer van Christus, naar het
schijnt, in Egypte, Mesopotamië en Perzië, en zij stierven als martelaren ter
verdediging van het geloof.
-De apostelen zochten niet hun eigen roem, maar wilden
alleen de boodschap van Christus brengen. -Het geloof van de apostelen en ons
geloof. -Liefde tot Jezus om Hem van nabij te volgen.
35.1 De Heer, die het niet nodig had dat iemand Hem over de mens inlichtte1, wilde niettemin de apostelen uitkiezen om Hem in
zijn leven te vergezellen en zijn werk na zijn dood voort te zetten. In de
oudste uitdrukkingen van de christelijke kunst zien we Jezus dikwijls omringd
door de Twaalf die met Hem een onafscheidelijke familie vormen. Deze leerlingen
kwamen niet uit de invloedrijke klasse van Israël en ook niet uit de priestergroep
van Jeruzalem. Zij waren geen wijsgeren, maar eenvoudige lieden. «Het is een
eeuwig wonder te zien hoe deze mensen over de hele wereld een boodschap hebben
verbreid die in haar wezenlijke trekken radicaal tegenstrijdig was met het
denken van de mensen van hun tijd en, helaas, ook met het denken van de mensen
van onze tijd!»2
Herhaaldelijk toont het evangelie Jezus' verdriet om het gebrek
aan begrip van hen die Hij zijn meest innige gedachten toevertrouwde: Begrijpt en verstaat ge het dan nog niet? Is uw geest dan zo
verblind? Ge hebt toch ogen: ziet ge dan niets?, ge hebt toch oren: hoort ge
dan niets?3 «Zij waren niet ontwikkeld en
stonden niet open voor de bovennatuurlijke werkelijkheid. Ze begrepen zelfs
niet de eenvoudigste voorbeelden en vergelijkingen, en ze moesten de Meester om
uitleg vragen: Domine, edissere nobis parabolam (Mt
13,36), Heer, verklaar ons de parabel. Als Jezus, zich van een beeld bedienend,
een toespeling maakte op het zuurdeeg der farizeeën, meenden ze dat Hij hun
verweet geen brood te hebben gekocht (vgl. Mt 16,6-7) [...]. En dat waren nu de
door de Heer uitverkoren leerlingen! Zo had Christus ze gekozen. Zo traden ze
op voordat ze, vervuld van de Heilige Geest, werden omgevormd tot steunpilaren
van de Kerk (vgl. Gal 2,9). Gewone mensen met hun fouten, hun zwakheden,
kwistiger met woorden dan met daden. En toch heeft Jezus ze geroepen om er
mensenvissers van te maken (Mt 4,19), medeverlossers, uitdelers van Gods
genade.»4
De apostelen die door de Heer waren uitverkoren, waren onderling
zeer verschillend; toch toonden zij allen één geloof, één boodschap... Het
hoeft ons niet te verbazen, dat wij maar zo weinig berichten over de meesten
van hen bezitten, want waar het hun om ging, was het geven van een duidelijk
getuigenis van Jezus en van de leer die zij van Hem hadden ontvangen: zij zijn
de 'enveloppe', die als enige taak heeft het papier waarop de boodschap is
geschreven over te brengen, om een beeld te gebruiken waarvan de H. Jozefmaria
Escrivá zich een keer bediende om over nederigheid te spreken; zij willen
alleen maar werktuigen voor de Heer zijn: het voornaamste is de 'boodschap',
niet de 'enveloppe'.
Van de twee grote apostelen, Simon en Judas Thaddeüs, wier
feest wij vandaag vieren, zijn slechts weinig berichten tot ons gekomen: van
Simon weten wij slechts met zekerheid, dat hij uitdrukkelijk door de Heer werd
uitverkoren om deel te gaan uitmaken van de Twaalf; van Judas weten we
bovendien, dat hij verwant was aan de Heer, dat hij Jezus bij het Laatste
Avondmaal de vraag stelde: Heer, hoe komt het dat Gij uzelf
aan ons zult openbaren en niet aan de wereld?5
en dat hij volgens de kerkelijke traditie de schrijver was van een van de
'Katholieke Brieven'. Wij weten niet waar hun lichamen begraven zijn en we
weten evenmin zeker in welke landen zij het evangelie hebben verkondigd. Zij
hebben er zich niet om bekommerd een taak ten uitvoer te brengen waarin hun
persoonlijke talenten zouden uitblinken of hun apostolische veroveringen of het
lijden dat zij omwille van de Meester ondergingen. Integendeel, zij wilden in
het verborgene blijven en Christus bekendmaken. Daarin vonden zij de volheid en
zin van hun leven. En ondanks hun menselijke kwaliteiten, die gering waren voor
de taak waartoe zij waren uitverkoren, zijn zij Gods vreugde in de wereld
geworden.
Wij kunnen leren om het geluk te vinden in het in stilte
vervullen van het werk en de opdracht die de Heer ons in het leven heeft
toevertrouwd. «Ik raad je aan niet je eigen lofprijzing te zoeken, zelfs niet
die welke je zou verdienen: het is beter in het verborgene te blijven en dat
het schoonste en meest edele van onze werkzaamheid, van ons leven verscholen
blijft... Want wat is het groots zich klein te maken!: 'Deo omnis gloria!'
-alle eer voor God.»6
Zo zullen we werkelijk doeltreffend zijn, want «als je uitsluitend
en alleen maar werkt voor de eer van God, doe je alles natuurlijk en eenvoudig,
als iemand die haast heeft en zich niet kan laten ophouden door 'uiterlijk
vertoon'. Zo verlies je dat unieke en onvergelijkelijke contact met de Heer
niet.»7 «Als iemand die haast heeft», zo moeten
wij van de ene naar de andere taak gaan, zonder te veel stil te staan bij
persoonlijke overwegingen.
35.2 De apostelen waren getuigen
van het leven en het onderricht van Jezus en zij hebben ons in volledige
getrouwheid de leer overgeleverd die zij hadden gehoord en de daden die ze
hadden aanschouwd. Zij hebben zich niet toegelegd op het verbreiden van
persoonlijke theorieën of middelen die zij uit eigen ervaren haalden: Toen wij u de macht en de komst van onze Heer Jezus Christus
verkondigden, beriepen wij ons niet op vernuftig bedachte mythen, maar wij
spraken als ooggetuigen van zijn luister8,
schrijft de heilige Petrus. En de heilige Johannes zegt ons met klem: Het bestond vanaf het begin -we hebben het gehoord en met eigen
ogen gezien; we hebben het aanschouwd en onze handen hebben het aangeraakt-
dáárover spreken wij, over het woord dat leven is.9 En de heilige Lucas, van wie we niet weten of hij
rechtstreeks onderricht van de Heer heeft ontvangen, beweert dat hij ordelijk
vanaf de oorsprong alle gebeurtenissen van Christus' leven zal beschrijven welke ons werden overgeleverd door mensen die van het begin af
ooggetuigen waren en in dienst van het woord zijn getreden.10 Van de eerste christengemeente te Jeruzalem weten
we, dat zij zich ijverig toelegden op de leer der apostelen.11 Het onderricht van de Twaalf, en niet de vrije
uitleg van ieder van hen noch het gezag van de geleerden, is het fundament van
het christelijk geloof.
De stem van de apostelen is de heldere echo van het
onderricht van Jezus, die tot het einde der eeuwen zal weerklinken: hun hart en
hun lippen stromen over van eerbied en ontzag voor zijn woorden en zijn
persoon. Een liefde die Petrus en Johannes doet uitroepen, tegenover de dreigementen
van het Sanhedrin: het is voor ons onmogelijk niet te
spreken over hetgeen wij gezien en gehoord hebben.12
Ditzelfde geloof is, van geslacht op geslacht, bewaakt door
het leergezag van de Kerk en onder voortdurende bijstand van de Heilige Geest,
tot ons gekomen. In deze waarheden was en bestaat nog steeds een ontwikkeling
en groei, zoals die van het zaadje dat uitgroeit tot een machtige boom. De Kerk
is het kanaal waardoor het onderricht van Christus, verrijkt door de goddelijke
genade, tot ons komt.13 Dít geloof moeten wij
bekend maken in het godsdienstonderricht, in het persoonlijk apostolaat, en de
priesters in hun prediking...
Vele eeuwen scheiden ons van de apostelen die wij vandaag
vieren. Toch blijft het licht en het leven van Christus die zij aan de wereld
verkondigden, nog steeds tot ons komen. «Het licht van Christus dooft niet! De
apostelen hebben dit licht overgeleverd aan hun leerlingen en die weer aan hún
leerlingen, totdat het tot ons is gekomen door de eeuwen heen en tot het einde der
tijden. Door hoevele en hoe verschillende handen is dit licht niet gegaan
[...]. Aan allen zijn wij grote erkentelijkheid verschuldigd. Ook voor ons, de
kudde die in deze dagen naar zijn weiden komt, heeft Hij leraren, herders en
priesters voorzien. Door hun armzalige handen bewerkt Hij het wonder van ons
heil. Hij zorgt voor ons met goddelijke liefde. Alle sterren verkrijgen van Hem
hun luister. Alle zeeën bezingen Hem. Alle hemelen loven Hem.»14 Laten wij insgelijks doen.
35.3 Simon en Judas Thaddeüs hadden,
net zoals de andere apostelen, het onmetelijke geluk uit de mond van de Meester
de leer te leren kennen, die zij later onderwezen. Zij deelden met Hem vreugde
en verdriet. Wat een heilige afgunst koesteren wij jegens hen! Vele dingen
hebben zij geleerd in hun intieme samenspraak, en die hebben ze daarna aan de
anderen doorgegeven: Wat ge in het oor hoort fluisteren,
verkondigt dat van de daken.15 Geen enkel
wonder zou voor hen onopgemerkt blijven, geen enkele traan of glimlach zou
zonder belang zijn. Zij zijn de getuigen, zij brengen hun kennis over. De
Twaalf hielden deze innige vereniging met de Meester voor zó wezenlijk, dat
zij, toen hun aantal na de afvalligheid van Judas aangevuld moest worden, één
enige onontbeerlijke voorwaarde stelden: Dus moet een van
de mannen die tot ons gezelschap behoorden gedurende de tijd dat de Heer Jezus
onder ons verkeerde, vanaf het doopsel van Johannes tot de dag, waarop Hij van
ons werd weggenomen, met ons een getuige worden van zijn verrijzenis.16
Deze mannen waren bij Jezus tijdens de vermoeienissen van het
apostolaat, tijdens de momenten van rust, wanneer Hij hun met kalme stem de
mysteries van het Rijk onderwees, tijdens de afmattende tochten onder de zon...
Zij deelden met Hem de vreugde, wanneer de mensen zijn prediking beantwoordden,
en de smarten, wanneer zij bij anderen het gebrek aan edelmoedigheid zagen om
de Meester te volgen. «Hoe innig vertrouwden zij zich aan Hem toe, als aan een
vader, als aan een vriend, bijna als aan hun eigen ziel! Zij kenden Hem aan
zijn edele houding, de warme klank van zijn stem, aan de wijze waarop Hij het
brood brak. Zij voelden zich overstroomd van licht en beefden van vreugde,
wanneer zijn diepe ogen op hen rustten en zijn stem in hun oren trilde. Zij
bloosden van schaamte, als Hij hen berispte om hun armoede van geest, en
wanneer Hij hen verbeterde, bogen ze hun door de jaren geharde gelaat als
kinderen die op een fout zijn betrapt... Zij waren diep onder de indruk,
wanneer Hij met hen keer op keer over zijn Lijden sprak. Zij beminden hun
Meester en ze volgden Hem, niet slechts omdat zij zijn leer wilden leren
kennen, maar vooral omdat zij Hem liefhadden.»17
Bidden wij vandaag tot deze heilige apostelen Simon en Judas,
dat zij ons helpen om iedere dag de Meester beter te leren kennen en méér te
beminnen: dezelfde Meester die zij op een dag zijn gevolgd en die het
middelpunt was waarop heel hun leven zich richtte.
-1. Joh 2,25. -2. O. Hophan, Die Apostel. -3.
Mc 8,17. -4. H.
Jozefmaria Escrivá, Als Christus nu langs komt, 2.
-5. Joh 14,22. -6. H.
Jozefmaria Escrivá, De Smidse, 1051. -7. Idem, De Voor, 555. -8. 2 Pe 1,16. -9. 1 Joh 1,1. -10. Lc 1,1-3. -11. Hnd 2,42. -12. Hnd 4,20. -13. Vgl. H. Athanasius, Brief I aan Serapio, 28. -14. O. Hophan, o.c. -15. Mt 10,27. -16. Hnd 1,21. -17. O. Hophan, o.c.